Zalige droefheid
De bergrede
„Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden" (Mattheus 5:4). Wat is ook dit een paradoxaal woord. Het zegt immers, dat de verdrietigen de gelukkige zijn. Om de aandacht op het paradoxale van Jezus' woord te richten, zouden we het ook kunnen vertalen met: Gelukkig zijn de ongelukkigen". Wat voor soort verdriet kan het zijn dat de troost van Jezus' zaligspreking met zich brengt?
Het is vanuit het verband van de zaligsprekingen duidelijk, dat het hier niet in de eerste plaats gaat over treuren vanwege het verlies van dierbare betrekkingen, gezondheid of bezittingen.
Het verband plaatst ook dit woord van Jezus in het licht van het Koninkrijk van God. Het gaat over hen, die treuren omdat in deze bedeling (aeon) Gods koningschap nog niet volkomen is.
Zij dragen er leed over, dat in plaats van het licht en de vrede van de Godsregering, de wereld en het eigen hart vol is van de verwoestende en verdervende machten van de zonde.
De gevallen natuur van de mens is afgestompt.
De zonde en de gevolgen van de zonde worden door ons zo gemakkelijk geaccepteerd. Ziekte en dood, wreedheid en onrecht, liederlijkheid en zedeloosheid horen gewoon bij het leven.
Natuurlijk, wanneer een jong iemand sterft of mensen elkaar afslachten zoals in Roeanda, grijpt het ons aan. Maar in zijn algemeenheid hebben wij de zonde en haar gevolgen geaccepteerd.
Laat ons... vrolijk zijn
Het liefste vermijden wij alle pijn en verdriet. We gaan niet graag op bezoek bij mensen, die ernstig lijden. Na een begrafenis gaan we het liefst maar zo vlug mogelijk weer over tot de orde van de dag. Problemen schuiven we van ons af. In grote oppervlakkigheid stemmen we in met de roep: „Laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij".
Wij treuren er niet over, dat de goede schepping van God door de zonde ontwricht en verdorven is. En wanneer rouw en leed wat te dichtbij komen, zoeken wij het zo spoedig mogelijk te vergeten en storten ons in de roes van alle dag.
„Een mens leeft maar één keer", zegt de wereld. Daarom moet je uit het leven halen wat er in zit. Zo viert de mens feest op een zinkend schip. Tegenover zulke oppervlakkigheid zegt de Heere Jezus: „Zalig zij die treuren".
Het is de tegenpool van Lukas 7:25:
„Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren erf wenen". De oppervlakkige vreugde van de wereld zal tot droefheid worden.
De burgers van Gods Koninkrijk dragen leed over de zonde en de gevolgen van de zonde. Het is deze droefheid, die tot blijdschap worden zal wanneer Gods Koninkrijk zal gekomen zijn.
De aard van die droefheid
Als de Heere Jezus hier zegt: Zalig zijn die treuren", gaat het over een bepaald soort treuren. Er is ontzettend veel verdriet op de wereld. Verdriet over geliefde doden, verbroken huwelijken, verloren idealen, ontspoorde kinderen enzovoort. Wat is er veel te klagen en veel geween. Wij willen dit verdriet niet kleineren. God doet dit ook niet. Hij zegt de moeite en het verdriet te aanschouwen, opdat wij het in Zijn hand zullen geven (Psalm 10:14). Maar de smart waarover Jezus hier spreekt, is toch anders van aard. Het is de droefheid over de breuk van de zonde, die het gehele bestaan verdorven heeft.
En dat niet alleen over de zonde en de uitingen en de gevolgen daarvan in de wereld rondom ons, maar vooral over de zonde en het onvolmaakte in ons eigen hart en en. Jezus heeft het over de droefheid van de bekering, de boetvaardigheid.
Tweeërlei treuren
De Schrift spreekt over tweeërlei treuren.
Er is een zondig en rampzalig treuren, dat genoemd wordt: De droefheid der wereld werkt de dood" (2 Korinthe 7:10). Wij zien dit bij Judas, Kain, Ezau en Saul. Ezau's berouw was ten diepste maar zelfbeklag. Het was geen berouw over de zonde van het verkopen van zijn eerstgeboorterecht, maar alleen over de gevolgen daarvan.
Niettegenstaande zijn grote teleurstelling en uiterlijke smart vond hij dan ook geen plaats om aan Gods voeten zijn zonden te bewenen. (Hebreeën 12:17). Met zelfbeklag, gekrenkte trots en teleurstelling alleen kun je niet aan Gods voeten komen.
Er is echter ook een gezegend en hemels treuren over de zonde, dat genoemd wordt: „De droefheid naar God werkt een onberouwelijke beke-
ring tot zaligheid" (2 Korinthe 7:10). Dit ware berouw gaat niet alleen over de gevolgen van het bedreven kwaad, maar over de zonde zelf. Het stort zijn leed voor God uit, zoals we lezen in Psalm 32:5: Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: k zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de Heere".
De treurigen Sions
De treurenden, die Jezus zalig spreekt, zijn bezet met een specifieke
droefheid. Wij moeten de zaligsprekingen blijven verstaan in het verband waarin Jezus hen uitgesproken heeft. Hij heeft Zijn discipelen geroepen en trekt al predikende door Galilea. De prediking was: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Mattheus4:1 7).
Het treuren waarover Jezus spreekt, houdt verband met het Koninkrijk der hemelen. Wij hebben reeds gezien, datjezus' prediking van het Koninkrijk aansluit bij wat de profeten over het Koninkrijk gezegd hebben.
Daarom las Jezus in de synagoge te Nazareth Jesaja 61, waarin gezegd wordt dat de Messias komt „om alle treurigen te troosten, om de treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugde-olie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest" (Jesaja 61:3). Zalig zijn niet zomaar alle treurigen. Het zijn de treurigen Sions, die zalig zijn. Wat waren dat voor mensen? Het waren de vromen in de ballingschap van Babel. Ontroostbaar waren deze mensen. En waarom? Vanwege Sion. Omdat de tempel verwoest was en de heerlijkheid des Heeren van de aarde was verdwenen.
Omdat zij God en Zijn gunst misten en niet meer konden opgaan naar het huis des Heeren. Zij konden zich met alles wat Babyion bood niet troosten.
En de grote pijn in hun verdriet was, dat zij wisten dat dit alles om hun zonden over hen gekomen was. Hoe Jang hadden zij de Heere niet vertoornd met hun zonden en Zijn waarschuwingen door middel van de profeten in de wind geslagen. Zij treurden vanwege Sion, de verwoesting van stad en tempel, het verval van Gods kerk, de ontluistering van Gods naam en vooral omdat dit alles veroorzaakt was door hun eigen zonden.
Bij de treurenden Sions staat het Koninkrijk Gods in het middelpunt. Het is bij hen niet zoals bij Ezau, dat hun eigen teleurstellingen en verlies in het middelpunt staan. Verder was het een droefheid, die hen naar God bracht. Ezau's spijt over het verlies van de zegen bracht hem niet aan Gods voeten.
En zij treurden niet alleen over de gevolgen van de zonde, maar over de zonde zelf.
Met jammeren en klagen om alles wat wij van deze wereld moeten missen en zo graag zouden willen hebben, kom je eeuwig om. Droefheid, die niet aan Gods voeten brengt in oprechte schuldbelijdenis, is toch maar een droefheid der wereld die de dood werkt.
Maar de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid. Omdat dit een droefheid is, die naar God toebrengt en in oprecht berouw en schuldbelijdenis uitziet naar Gods heil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1995
Daniel | 32 Pagina's