De laatste brief
De wereld scheen vol lichtere geluiden en een soldaat sliep op zijn overjas. Hij droomde lachend dat het vrede was Omdat er in zijn droom een klok ging luiden. Er viel een vogel die geen vogel was Niet ver van hem tusschen de warme kruiden, en hij werd niet meer wakker want het gras Werd rood, een ieder weet wat dat beduidde. Het regende en woei. Toen herbegon chter de grijze lijn der horizon Het bulderen - goedmoedig - der kanonnen. Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef, Bevrijdde zich het laatste wal hij schreef: Liefste, de oorlog is nog niet begonnen. ertus Aafjes
Het was maar drie stappen van de ene oordeur naar de andere. De forse rijzende man van middelbare leeftijd nam ze in routinegebaar. Hij drukte op de bel. De deur ging meteen open.
„Moeder, bent u klaar, dan gaan we!" „ja, ik kom", ze de vrouw. Klein en vief as ze, met een scherpe blik, ondanks haar negenenzeventig jaren. Toch, haar gelaat was doorgroefd met vele rimpels en verried een zorgvol leven. Hij nam haar bij de arm en liet haar in e auto stappen. Bij de schuur sleutele een jongen aan zijn brommer. Dirk an. Er viel een weerbarstige haarlok ver zij voorhoofd, die hij steeds ngeduldig wegduwde. Hij stak even ijn hand op, toen hij 't portier hoorde ichtklappen.
De oude vrouw schudde haar hoofd. Zo'n jong toch", zei ze. „Watziet-ie r weer uit met dat gebleekte goed." Haar scherpe blik ging van de kleinzoon naar de zoon naast haar. „Jullie hebben weinig vat op hem, Martien. Kan dat nou niet anders? "
Haar zoon haalde zijn schouders op. „Daar hebben we 't al zo vaak over gehad, moeder", zei hij gelaten. „Kom, we gaan."
Hij startte de auto. Dirk jan stoof op zijn brommer langs hen heen. Haartrekken verstrakten zich. Zwijgend reden ze door het de landschap. Mei-maand, b, w-maand.
De bremstruiken lichtten als felgele plekken in de spoorwegberm. Hij maakte er geen opmerking over. Hij wist dat ze er naar keek.
„Hier linksaf", zet ze. 't Was overbodig om dat te zeggen, leder jaar was de route immers eender, leder jaar werd de vreugde om 't gulgevende voorjaar overmand door droefheid. De droefheid had sporen getrokken die zich niet verdrijven lieten,
‘t Glooiende landschap werd heuvelachtig. De bebossing verdrong hier 't struikgewas. Zorgde voor schaduwen die de uitbundige bloei der wegbermen belemmerde. Op een zijpad stopte de auto.
Martien hielp zijn bejaarde moeder uitstappen, zoals hij haar had helpen instappen. Ze keek om zich heen, met toegeknepen ogen tegen 't felle zonlicht. „Vijftig jaar", zei ze zacht voor zich heen. En, zachter nog: „Vijfenvijftig jaar."
De zoon zei niets. Hij gaf zijn moeder een arm. Het pad was oneffen. De oude vrouw had al haar lichaamskracht nodig. De zon was warm. Ze hijgde.
Toen begon ze te praten. „Je vader, Martien, houd hem in ere! Hij was zo recht-door-zee en zo vol moed! Strijden voor 't vaderland zou hij! We waren zo gelukkig als jonge gezinnetje. Jij was pas zes maanden oud. Maar in de mobilisatietijd was hij zo ongedurig. Ik had geen vat op hem. O, en toen de oproep kwam was hij niet meer te houden! En dan, zijn levenseinde, niet te bevatten. Niet in de strijd is hij gevallen, maar slapend. Wachtend op de dingen die komen gingen... Zo hebben ze hem gevonden. Hij heeft niet eens gestreden!" Martien liet zijn moeder uitpraten. Hij wist wat er verder komen ging. Zo vaak immers had hij 't aangehoofd. Moeder hijgde weer. Ze wees naar - „ ^
„We moeten even gaan zitten hier, Martien. Als je negenenzeventig bent, loop je niet meer zo hard." De zon scheen lieflijk. Gaf de lichtgroene bomenzee extra bekoring. De lentewind fluisterde onbegrepen dingen. De oude vrouw zag het niet en '; het niet. Ze pakte haar handtasje en haalde een brief tevoorschijn. Een vergeelde brief. Haar handen beefden toen ze hem openvouwde. Een kloek handschrift. De letters waren vlekkerig geworden. „Liefste, de oorlog is nog nietbe> nen."
De zoon las mee over naar teng© schouder.
„Is 't niet hard? ", zei ze. „ veelbelo vend. Nog niet eens in de kracht van zijn leven. En ik moest verder leven met een simpele brief als herinnering." „En met mij", dacht hij, maar hij zei het niet.
Ze deed de brief zorgvuldig in haar tasje.
„Ach, jij weet er niets van Martien. je hebt je vader niet gekend. Je bent daarna altijd mijn oogappel geweest." Martien bleef zwijgen. Hij dacht na over 't woord oogappel. Ja, zo was zijn jeugd geweest. Hij mocht nooit onder haar ogen vandaan, bang voor ieder mogelijk gevaar. Zij besliste alles voor hem, ook bij 't groter worden. Haar wil moest zijn wil zijn. 't Had hem gemaakt tot een man zonder rugge-
graat, hij wist het. Nog dagelijks onderging hij haar invloed. Als vanzelf waren ze naast elkaar blijven wonen toen hij getrouwd was. Hij was immers haar oogappel?
En nu Dirk jan! Hun jongste en enige zoon. „Hij moet wél een kerel worden, Martien!", had Mieke, zijn vrouw, meer dan eens gezegd. De klemtoon had hem gekwetst. Toch wist hij dat ze gelijk had.
En Dirk Jan was 't struikelblok geworden in de verhouding tussen moeder en zoon en schoondochter. Hij moest een kerel worden! Hoe zou dat gaan? Nu, in 't laastste jaar van de MTS ging hij veel zijn eigen gang. En moeder waarschuwde maar. , , 't Gaat niet goed met Dirkjan. Jullie geven hem teveel vrijheid. Let op mijn woorden!" 't Gaf strubbelingen in 't gezin, meer dan eens.
„laten, we verder gaan, jongen", kwam moeders stem opeens. „Ach, ik ben blij dat ik mijn eigen herdenkingsdag heb op 10 mei. 't Immers de sterfdag van je vader. We weten de plek. waar ze hem gevonden hebben. We zijn er nu al bijt zeker? "
Ze wiste het zweet van }t doorg roefde voorhoofd. Hij steunde haar opniei „Dirk Jan is op 4 mei naar de dodenherdenking geweest bij de erebegraafplaats. Ze gingen met een heel stel uit de klas", bracht Martien in 't midden, om ook wat te zeggen. „Ach ja", schamperde moeder. „Die kinders, wat weten ze nou nog van de oorlog? Een uitje en wat sensatie erbij. Ze weten niets van 't leven!"
Haar stem werd hoog en scherp. „Toch is 't indrukwekkend, die erebegraafplaats, moeder. U benter nog nooit geweest!" „Je weet, dat ik er niets te zoeken heb. leder mens heeft zijn eigen verdriet, en ik het mijne. Praat er niet meer over, Martien."
Ze liepen verder. Het pad werd hier onbegaanbaar. Weelderig struikgewas belemmerde hun gang. Martien baande voorzichtig de weg voor zijn oude moeder. Opeens stonden beiden stil. Vóór hen, tussen opschietend struikgewas, was de grond omgewoeld. Strak en fier stond daar een gedenkteken. Een vlak stuk hout. Waardig in soberheid. De geur van beits was nog niet vervlogen. Ze lazen de duidelijk ingekerfde woorden: Ter nagedachtenis aan Dirk Jan Verschore 12-10-1915 - 10-5-1940
Sprakeloos stonden moeder en zoon bij elkaar. Wie zou 't onbeduidende paaltje met de onleesbare letters vervangen hebben voor dit waardige monument? Lang bleven ze niet in het onzekere. Martien ontdekte initialen, linksonder met een scherp mesje ingekerfd. DJVjr.
Hij wees ernaar. De oude moeder zag het. „Er staat nog iets bij, Martien. Kijk eens goed."
Ze bogen voorover om 't goed te kunnen zien. Nog kleiner dan de initialen stond er ingekerfd: Psalm 79:4 ber'. Samen waren ze hun ontroering niet langer meester. Zonder woorden wisten beiden, dat dit het werk van Dirk Jan moest zijn.
Toen gingen ze terug, ieder met eigen gedachten. Hij ondersteunde haar, zoals daarnet. De oude vrouw sprak het eerst: , , Martien, late we langs het ereveld gaan."
Hij keek bevreemd opzij. „Waarom, loeder? Doe uzelf geen kwaad aan." „Doe het toch maar", zei ze enkel. Er was de bekende klank in haar stem die geen tegenspraak duldde. „Bent u niet te moe geworden? ", vroeg hij bezorgd.
Ze schudde vastberaden het hoofd. Haar haren waren zilverwit in de zon. Hij sprak niet langer tegen. Startte even later de auto en reed recht op het doel aan: de erebegraafplaats. Lange rijen witte stenen. Keurig aangelegde paden. Hier geen oneffenheden of woekerend struikgewas.
Opnieuw steunde hij zijn moeder. Nu leunde ze zwaar op zijn arm. Toch zette ze door. Met haar oude ogen las ze de namen en de jaartallen. Mannen en jongens. Vaders en zonen. Van de leeftijd van haar zoon Martien. Ook de leeftijd van haar kleinzoon Dirk Jan. Gevallen voor het vaderland. „Ik ben niet de enige, die weet wat verdriet is", mompelde ze, terwijl ze stilstond. Meteen droef gebaar omvatte ze heel die onmetelijke rij witte gedenkstenen.
„Al die mannen hadden een vrouw. Of een moeder. Of allebei. Duizenden nabestaanden! Ik heb me slechts in mijn eigen verdriet verdiept. De schamele brief als een afgod gekoesterd. Ik had het niet begrepen. Maar Dirk jan wel. Zijn kleinzoon. Zijn naamgenoot. Zo'n jong toch. Weet je waaromhij er psalm 79 vers 4 inkerfde Martien? " Ze hief haar wijsvinger omhoog, naar de strakblauwe lucht die tussen 't groene geboomte nog juist zichtbaar was. Haar zo vaak scherpe stem had nu een zachte klank.
„Toen hij nog een ventje was, las ik hem eens voor over de oude koningin Wilhelmina. Bij de dreigende bezetting van ons land in 1914 liet zij een peloton soldaten dit psalmvers zingen. De oorlog is genadig afgewend van ons land. Het maakte destijds diepe indruk op hem, weet ik nog. Maar ik dacht, dat hij 't allang vergeten was. Dat hij alleen voor zijn brommer leefde. Zo'n jong toch." Beiden dachten aan de bekende psalm.
Het leek of de lentewind de woorden meevoerden, als een aanzwellende gemeentzang: Gedenk niet meer aan 't kwaad dat wij bedreven; Onz' euveldaad word' ons uit gunst vergeven! Waak op, o God, en wil van verder lijden 'ons klein getal door Uwe kracht bevrijden. Help ons, barmhartig Hw, Uw groten naam ter eer; Uw trouw koom'ons te stade; Verzoen de zware schuld, Die ons met schrik vervult; Bewijs ons eens genade.
Ze liepen weg van de erebegraafplaats. Lange witte rijen. Keurig aangelegde paden. Heel langzaam ging het nu.
Ze reden door het heuvelachtige landschap. Verderop werd het glooiend. Daarna vlak. De bremstruiken lichtten als felgele plekken in de spoorwegberm. De auto zwenkte even later de bekende oprit in. Bij de schuur sleutelde een jongen aan zijn brommer. Dirk Jan. Er viel een weerbarstige haarlok over zijn voorhoofd, die hij steeds ongeduldig wegduwde. Hij stak even zijn hand op, toen hij 't portier hoorde dichtklappen.
De oude vrouw schudde haar hoofd. „Zo'n jong toch", mompelde ze.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1995
Daniel | 41 Pagina's