JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Oorlog kenden we alleen maar uit de Bijbel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Oorlog kenden we alleen maar uit de Bijbel

Herinneringen aan mei 1940

7 minuten leestijd

Als je aan honderd bejaarde Nederlanders vraagt hoe ze als kind de tiende mei 1940 beleefd hebben, dan krijg je honderd verschillende verhalen, 't Is ongeveer als met de watersnoden van 1 953 en 1995: het scheelde veel of je in Stavenisse of in Stellendam, in Itteren of in Ochten woonde, of je alleen het nieuws hoorde, óf dat je in het rampgebied zelf alles meemaakte. Weliswaar stortte op 10 mei 1940 zich het geweld over ons hele land in één klap uit, was er nauwelijks verschil tussen Maastricht en Den Helder, tussen Rotterdam en Bleskensgraaf, maar toch heeft iedereen z'n eigen belevenissen.

10 mei 1940. Ikzelf beleefde het ongeveer als volgt. Ik was 12 jaar. Zat in de hoogste klas van de lagere school. Die school staat er nog: de Rehobothschool in Giessendam. Ik was de oudste thuis: vader, moeder, twee broertjes en een zusje, 'n Gelukkig, modaal gezin.

Voorjaar 1940

Het was mei. De kastanjebomen op het schoolplein, op de Achterdijk, de pinksterbloemen langs de slootkanten, de donderkopjes in de spoorsloot, zo mooi hè, zo licht, zo vrolijk. Het was mobilisatie. Veel soldaten zag je, op verlof, 's Zondags zaten ze in de kerk, in hun uniform, hun poeties, hun meisje naast zich. En soms hun vrouwen en kinderen. Dat waren de gemobiliseerden van de lichting negentienzoveel.

‘s Zaterdags gingen we wel eens met onze vader in Gorkum kijken. Bij de kazerne, bij de forten buiten de Kansepoort. Daar wemelde het van soldaten: de vestingartillerie hield de waterlinie bezet. Gorkum was het hart van de waterlinie. En de veldartillerie zat in de Peel-Raamstelling en op de Grebbeberg. Dat wist pa allemaal, of je hoorde 't van de jongens op school die een grote broer in dienst hadden. Boerenzonen waren vaak bij de bereden troepen, die kwamen van de trein in een leren rijbroek en rinkelende sporen aan hun laarzen, ja, zo met elkaar lieten we die lelijke Führer in Duitsland zien wie wij waren, wij Hollanders.

Wilhelmina en De Geer

In Den Haag regeerde Koningin Wilhelmina. Haarfoto hing in het postkantoor. Streng keek ze je aan, majesteitelijk. 'Willemientje' noemden onze opa's en oma's haar.

En jonkheer De Geer was ministerpresident. Wat was dat voor een man? Nou, hij was niet zo flink als Colijn, zeiden de mensen, maar goed, de Koningin hield wel een oogje in het zeil en tenslotte was De Geer ook christelijk-historisch. Een voorvader van hem was een godvrezend man geweest en had in Zweden kanonnen gekocht voor de Watergeuzen, leerden wij op school. Kortom, onbezorgd leefden kinderen en schoolmeesters, boeren en kruideniers, zandschippers en ijzerwerkers langs de dijken en in de polders, op de eilanden en in de steden van het kleine Holland.

Voorjaar 1940. De soldaten zongen van 'Rats, kuch en bonen' en 'Blonde Mientje heeft een hart van prikkeldraad'.

Heinkels en Messerschmitts

En toen, heel vroeg op die vrijdagmorgen van de 10e mei...

Weet je hoe vroeg het eerste licht komt begin mei? Gerucht, stemmen, klompen op klinkers.

Vaderen moedersliepen beneden, wij met z'n vieren op zolder. Pa was uit bed, hoorden we. Wat riep de buurman, die radio had, hem toe over de schutting? Wat hoorden we daar? Een oorverdovend lawaai, dat aanzwol tot je buik er zeer van deed. Wat was dat? Verging de wereld? Weer, o, daar kwam het weer. Onder de dekens, er onder uit.

Onze moeder kwam de zoldertrap op. Haar stem beefde. „O kinderen", zei ze, „kom maar; o, nou is 't oorlog."

Oorlog? Oorlog? Wat was dat? Dat kenden we alleen maar uit de Bijbel en uit de vaderlandse geschiedenisboekjes op school.

Oorlog? Was dat dat vreselijke, dat door je buik trok, dat in je keel klopte? O, daar kwam het weer. Dat

geluid, dat aanzwol, aanzwol, explodeerde als het boven de daken van de huizen was en dan weer wegebde. Een broek, een kieltje, kousen, een trui, klompen. Even buiten kijken. M'n broertje Gert was dapper, dapper als de jongetjes uit de boekjes van Van der Hulst. Kijken wou 'ie, luisteren naar de mannen die buiten stonden in groepjes. Ik was banger, bleef een beetje achter. Daar had je het geluid weer. 't Was van vliegtuigen, wisten we intussen. Met donderend geraas scheerden ze over weilanden en akkers, wipten behendig over de huizenrijen en joegen, met geweerlopen op de randen en zwartgemaakte gezichten onder hun vliegenierskappen, de dorpelingen een dodelijke schrik aan. Nog nooit van ons leven hadden we van zo dichtbij vliegtuigen gezien. Voor heel ons leven stonden de kruisen op de flanken in onze memorie gegrift. Het duurde niet lang of we wisten dat ze Messerschmitts en Heinkels werden genoemd. Grote jongens, die er boekjes van hadden, leerden ons het verschil tussen bommenwerpers en jagers.

Roosevelt

Van lieverlee werd het licht en begon de zon een beetje warmte te geven, zodat je niet meer zo rilde. De mensen in ons buurtje liepen maar van binnen naar buiten en praatten maar, praatten maar, de mannen in groepjes op straat, de vrouwen achter de huizen, bij de keukendeur, of bij de bleek.

Sommige mensen hadden radio, waarover berichten kwamen. Van parachutisten bij de Waalhaven in Rotterdam. In Dordt ook, op het Krispijn. Zó dichtbij? Over het verraad. Die en die was ook NSB-er. ja, heus hoor. We hoorden namen van winkeliers, van veldwachters. Over Engeland, Amerika. De president, Roosevelt. Die was nog van Nederlandse komaf. Nou, die zou het er niet bij laten zitten dat Hitier dat kleine landje van z'n voorouders was aangevallen. Hij kwam ons vast wel helpen, zeiden de mensen.

O, er was al van alles gebeurd. Vader was in-en uitgelopen, moeder had geschreid, ik had gras gesneden voor de konijnen, de buurvrouw was in huis geweest, wat zelden gebeurde, want ze was van de Gereformeerde Kerk. Broertje Gert was zoek geweest en weer boven water gekomen. De Messerschmitts en de Heinkels waren elders schrik aan 't aanjagen.

„Moe”, zei ik, „zouden we naar school kunnen, zullen we gaan? " „Kind, 't is nog maar zeven uur, dat kan nóu nog niet. En 'k denk ook niet dat er school zal zijn, hoor." En tegen m'n vader: „Gerrit, ik heb thee, laten we nou eerst een boterham eten met de kinderen."

We werden op onze plaatsen gezet. We baden. We aten. Onder de boterham zei pa tegen moeder: „In '14-'l 8 wier 't nog afgewend, Ko, maar deuze keer niet. Weet je niet dat die en die toen nog gebed hadden voor land en volk en de

Koningin, maar dat zei d'r nou niet geweest zijn."

Moeder beaamde het zuchtend. Zelf had ze dat van haar ouders ook vaak gehoord. Of op 't gezelschap van Gods volk, waar ze als kind ook wel bij gezeten had. Moeder keek nog eens naar ons, kinderen, en zuchtte nog eens. Wij zaten als muizen boven onze bordjes.

Habakuk

‘t Eten was gedaan. Pa pakte de Bijbel.

En toen, toen gebeurde er zo iets indrukwekkends, dat ik na 55 jaar nog de heiligheid van dat ogenblik voel. Wat mijn vader toen met van emotie trillende stem las, heb ik mijn hele leven nooit meer zó gelezen of horen lezen. Het doortrok mijn hele existentie, 't Was of God Zelf bij ons in de keuken was, bij de broodtafel stond.

Wat las mijn vader op 10 mei 1940, vrijdagsmorgens om zeven uur, toen het Duitse geweld over Nederland golfde en na anderhalve eeuw van vrede het oorlogszwaard ontbloot was? Hij las Habakuk 3.

O, die woorden! „God kwam van Theman... Hij stond en mat het land... voorde stem hebben mijn lippen gebeefd..." „Als het werk des olijfbooms zal liegen..." Elk woord, elke zinsnede, daalde met onweerstaanbare kracht in mijn jongensziel. Die heiligheid van God...

Mijn eigen kinderen zijn nu even oud als toen mijn vader. Een heel gewone man, geen ambtsdrager of avondmaalgangerofzo. Maar wat een geslacht was dat, denk ik nu. Zo doordrenkt en doordrongen van de Schrift. Dat daar mee lééfde.

Zo was het in 1940. Hoe is het nü met de jonge vaders en moeders die dit lezen?

Nog één ding. Moeder heeft veel geschreid die vijf dagen in mei 1940. En trouwens heel haar leven. Moeder schreide makkelijk. In de kerken thuis. Maar nooit heb ik haar zó in tranen aangetroffen als toen ik op dinsdagmiddag 14 mei 1940 ons woonkeukentje binnenkwam en zei - ik twaalfjarige tegen mijn moeder van zevenendertig - : „Moe, de Koningin is naar Engeland en generaal Winkelman heeft 't overgegeven."

„Ik heb het gehoord, jonchie", snikte ze, „ik heb 't gehoord. O, ons landje, ons landje, ons arme, arme landje, o, de Koningin."

Terwijl Nederland hoe dan ook een beetje opgelucht ademhaalde nu het akute gevaar was afgewend, was mijn moeder verslagener dan ze al die vijf bange dagen geweest was. Zag ze wat kwam? Zag ze de kudden uit de kooi afgescheurd, en de runderen uit de stallingen? Ze heeft goed gezien!

Moeder in Israël, hoe houd ik uw gedachtenis hoog?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1995

Daniel | 41 Pagina's

Oorlog kenden we alleen maar uit de Bijbel

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1995

Daniel | 41 Pagina's