JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Westerbork - tussenstation op weg naar de dood

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Westerbork - tussenstation op weg naar de dood

Jodenvervolging in Nederland

10 minuten leestijd

Nederlandse mythe in Israël doorgeprikt, kopte het Reformatorisch Dagblad nog maar twee weken geleden. Koningin Beatrix bezocht Israël en maakte haar opwachting bij de Knesset. De voorzitter van het parlement, Sevrach Weiss, prees het 'edele gedrag'van Koningin Wil hel mi na tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar hij wilde de schaduwzijde in de verhouding tussen Nederland en Israël niet verhullen. Na Polen scoorde ons land tussen 1940 en 7 945 het hoogste percentage aan omgebrachte joden:84 procent. Een getal dat door geen ander Westeuropees land werd geëvenaard. Noorwegen en België zagen 40 procent van hun Joden weggevoerd. In Frankrijk was dat 29 procent en in Denemarken lag het getal nog heel veel lager...

Koningin Beatrix ontkende de feiten niet: 'De meesten van onze joodse Nederlanders zijn afgevoerd naar concentratiekampen en vonden daar uiteindelijk de dood. Wij weten dat velen van onze landgenoten zich moedig hiertegen hebben verzeten dikwijls met gevaar voor eigen leven hun bedreigde medemensen hebben bijgestaan. Maar wij weten ook dat dit uitzonderingen waren en het Nederlandse volk de ondergang van zijn Joodse medeburgers niet heeft kunnen verhinderen.'

Het was de eerste keer dat een hoge Nederlandse gezagsdrager de Hollandse passiviteit op dit punt in het openbaar aan de orde stelde. Veel, ook kerkelijke, mensen zagen de dingen voor hun ogen gebeuren. Na de oorlog begrepen ze pas dat ze tekort waren geschoten in het bieden van een helpende hand.

Kamp Westerbork

Van de 1 36.000 Joodse Nederlanders deporteerden de Duitsers er ongeveer 108.000. Van meer dan 100.000 van hen liep de weg naar het einde via een afgelegen en troosteloze plaats op de Drentse heide: het Polizeiliches Judendurchgangslager Westerbork. Het lag in een van de meest ontmoedigende streken van ons land. Kamp Westerbork was eind 1939 gesticht voor de opvang van Duitse Joden, die voor de oorlog al hun vaderland verlieten. De machtsovername door Hitier in 1933 was voor de Joodse Duitsers het begin geworden van een eindeloze reeks van plagerijen. Het jaar 1938 bracht hen regelrechte vervolging.

Duizenden namen daarom de wijk. Er kwamen 23.000 Duitse Joden naar Nederland. De regering vond dat ze in een centraal vluchtelingenkamp moesten worden ondergebracht. Ze dacht eerst aan een oord op de Elspeterheide tussen Elspeet en Uddel. Maar er rees van alle kanten verzet. De plaatselijke VW vond dat 'een natuurramp voor Elspeet niet noodlottiger kon zijn dan de stichting van zo'n kamp'. Het dorp mocht geen ghetto worden. Het zou worden 'ontsierd en verstoord'. De ANWB schreef dat het vakantieplezier van toeristen in Elspeet door de komst van een Jodenkamp niet mocht worden bedorven. Ook koningin Wilhelmina opperde bezwaren. De regering besloot het kamp daarom in Westerbork te situ-

eren. Op 9 oktober 1939 kwamen de eerste mensen aan. Er werd van hen verwacht dat ze meewerkten aan de verdere uitbouw van het kamp.

Overlevenden bewaren aan die periode niet zulke beste herinneringen: 'Daar was tot 1940 namelijk bijna geen eten, terwijl er in Nederland nog genoeg te eten was.

We hadden veel te weinig brood, alleen maar slechte margarine. Ik weet het nog heel goed, 's morgens was er alleen een stuk slecht brood en een kop koffie, terwijl we barakken moesten bouwen en hard moesten werken. (...) Dat heeft bij mij wel kwaad bloed gezet.'

Doorgangekamp

Op 10 mei 1940 was het oorlog. De eerste jaren daarna lieten de Duitsers het kamp en zijn bewoners met rust. In 1941 besloot Hitier definitief tot de uitroeiing van de joden in Europa. Vanaf juni 1942 waren de Nederlandse joden aan de beurt. Ze zouden voor een verplichte tewerkstelling naar het oosten worden gebracht. Het werkelijke doel van de transporten hield de Duitsers strikt geheim. Met het oog op de deportaties hadden ze een doorgangskamp nodig. Westerbork leek daarvoor, na enige aanpassingen, zeer geschikt. Het lag op een eenzame plaats, lekker dicht tegen de Duitse grens. Op 1 juli 1942 nam de SD het kamp over. Veertien dagen later al begonnen de wekelijkse transporten. Een gemis was wel het ontbreken van een spoorbaan in de omgeving. De Nederlandse Spoorwegen bleken bereid er een aan te leggen tot in het kamp. In november 1942 was de oplevering. Vanaf dat moment kon de laatste fase van jodendeportaties beginnen op een voor Nederlandse ogen verborgen plaats.

Weinig tegenwerking

Op geraffineerde manier maakte de bezetter gebruik van de bestaande gezagsstruktuur in het kamp. De aanwezige Duitse joden werden ingezet bij de verwijdering van hun Nederlandse geloofsgenoten. De hoop hun eigen leven te kunnen redden, maakte hen tot medewerking bereid. Met hun inzet lukte het kampcommandant A. K. Gemmeker snel een goed lopende machine op te bouwen. In een onafgebroken ritme werden de Nederlandse joden aangevoerd. Eerst uit Amsterdam, later vanuit het hele land. De transporten naar het oosten verliepen al even soepel. De betrokken instanties werken vlot mee. En dat zonder morren. De joodse Raad, het spoorweg-en het politiepersoneel, de ambtenaren van Westerbork, ze protesteerden niet of nauwelijks. Ze registreerden slechts en voerden uit.

Nooit blies het verzet de rails op. Er waren geen geallieerde luchtaanvallen op de spoorlijn. 'In Nederland, daar verliepen de transporten zo vlekkeloos dat het een lust was om naar te kijken', zei Adolf Eichmann, de man die in Berlijn verantwoordelijk was voor de uitroeiing van het Europese jodendom.

Zo gewoon mogelijk

De gehele kamporganisatie in Westerbork was erop gericht om het eigenlijke doel van de deportaties verborgen te houden. De woonomstandigheden in de barakken waren niet optimaal, de mensen leefden voornamelijk op de bedden, maar voor het overige had het leven een normale gang. Er was allerlei bedrijvigheid: een bouwtechnische dienst, een keukenbedrijf, een boerderijgroep, een naai-en wasserijafdeling en nog veel meer. Er was een uitstekend uitgerust en deskundig bemand ziekenhuis. Er waren mogelijkheden tot sportbeoefening, joodse topartiesten verzorgden een wekelijks programma. Ook het religieuze leven kon gewoon doorgaan. Op de sabbat waren er sjoeldiensten. De joodse feestdagen, als het chanoekaen het loofhuttenfeest, werden gevierd. Rabbijnen sloten huwelijken en voltrokken kerkelijke echtscheidingen. Er vonden besnijdenissen plaats en jongens werden bar mitswa (kerkelijk volwassen). Er was religieus jeugdwerk en er draaiden lagere en middelbare scholen. De aantallen artsen en patiënten, rabbijnen en sjoelgangers, leraren en leerlingen wisselden echter voortdurend. Zo waren de klassen half leeg, dan weer puilden ze uit. De bestaansreden van het kamp lag enkel en alleen in het doorvoeren van de Joden naar de vernietigingskampen in Oost-Europa.

Drieënnegentig treinen...

De buitenkant was schoon. Toch beheerste schrik het leven van de kampbewoners. Er leefde vrees voor het onbekende, angst voor de toekomst. Kampbewoners gaven veel om aan deportatie te ontkomen. Te veel. Mensen boden hun laatste geld en juwelen. Anderen schonken een vulpen, een horloge of parfum.

Meisjes gaven zichzelf om hun leven en dat van hun familieleden te redden. Soms lukte de koop, het uitstel was veelal slechts van tijdelijke aard. Elke dinsdag weer stond de trein op het perron. Onafwendbaar. De eindbestemming prijkte op een bord: Auschwitz of Sobibor.

Drieënnegentig maal stond de trein

er. Elke keer slokte hij duizend mensen op. Het kampleven werd gereguleerd door deze meedogenloze orde.

‘Geboren om te lijden’

Op maandagavond werden in de diverse barakken de namen afgelezen van hen die zich de volgende ochtend maar te melden hadden. Mannen en vrouwen, bejaarden en kinderen, gezonden en wanneer dat zo uitkwam ook zieken. De slachtoffers kermden en huilden. Anderen waren stil en pakten hun spulletjes.

Derden toonden zich fier en wisten zich verheven boven het lage gedrag van de bezetter. 'Ondanks alle gebeurtenissen verloren de vrome joden hun vertrouwen in God niet. Evenmin als Job', vertelde de scherpe waarnemer Ph. Mechanicus, een journalist die zelf vanuit Westerbork naar het oosten werd gebracht. 'Ze getuigden elke vrijdag-en zaterdagavond van hun toewijding aan de Oppermachtige. De niet-vromen, die sterk waren, vertrouwden vooral op eigen geestkracht. Ze bogen het hoofd voor de religieuze traditie van hun kampgenoten. De vromen vroegen niet naar de oorzaak van hun lot, hun vernedering. Zij aanvaardden en droegen het als onafwijsbaar en onafwendbaar in de vaste overtuiging, dat God hen er doorheen zou helpen, zoals hij hun voorvaderen door beproevingen van soortgelijke aard had heengeholpen.' 'Wij zijn geboren om te lijden', sprak S. Ph. de Vries, de rabbijn die bekend werd om zijn boeken over Joodse riten en symbolen. 'Daardoor zijn we waarschijnlijk beter in staat om het te dragen.' De Vries overleed in 1943 in Bergen-Belsen.

Na het vertrek...

Na het vertrek van de trein leek het leven enige tijd uit het kamp te zijn verdwenen. Pijn heerste er en verdriet. De achterblijvers bepeinsden de bestemming van hen die waren vertrokken. Onzekerheid kwelde het bestaan. Onzekerheid over het lot van de gedeporteerden. Over henzelf. Er werd zoveel vermoed. Er was zo weinig bekend. De volgende dag keerde het leven terug. Even haalde men opgelucht adem. Maar tegen de vrijdag kwam de beklemming weer. Op maandagavond zou de trein het kamp weer binnendenderen. Zoveel was wel zeker.

Michieltje

De bizarre werkelijkheid van Westerbork kan niet beter worden samengevat dan in het verhaal dat de verpleegster T. van Reemst-de Vries in 1990 vertelde: 'Op een goede dag toen ik in het ziekenhuis aan het werk was, werd ik door een van de zusters gevraagd om mee te komen. En daar in een kamertje was een bundeltje mens. Een heel kleine baby, heel gaaf, een blond jongetje. In vesten en doeken gewikkeld. Dat kind was geboren in het concentratiekamp Vught. De moeder had met andere vrouwen een veel te lange tijd op het appèl gestaan. Ze was zes maanden zwanger en voortijdig bevallen. Nadat het appèl was afgelopen, werden die mensen in veewagens naar Westerbork gestuurd. De vrouwen hadden alles wat ze aan hadden om dat kind gewikkeld om het warm te houden. Nu lag dat kindje bij ons op de kraamafdeling. Ook de moeder was er korte tijd. Van kommandant Gemmeker ging het verhaal dat hij zoveel van kinderen hield. Hij liet voor het kind acuut een couveuse uit Groningen komen. Bovendien ontbood hij een Joodse hoogleraar kindergeneeskunde uit Amsterdam om te bespreken wat er gedaan moest worden om het kind in leven te houden. De professor schreef een bepaalde voeding voor. Michieltje, zo heette het kind, moest per sonde worden gevoed omdat het veel te klein en te zwak was om te zuigen. En omdat het zo zwak was, moest het na iedere voeding, ieder uur dus, een druppeltje cognac hebben. Het is ongelooflijk, maar Gemmeker heeft Hennesy-cognac laten komen om aan dat kind te geven. Ik werd aangesteld als een van de twee zusters die het kind moesten verzorgen. Wij deden vanzelfsprekend geweldig ons best, dat kind betekende voor ons veel. De moeder was inmiddels op transport gestuurd. De voeding voor het kind was niet op gang gekomen, omdat er niet aan de borsten was gezogen. Moeders die hun kind zelf voedden, hadden een Sperr. Ze waren vrijgesteld van transport. Moeders die hun kinderen niet voedden, hadden een grotere kans om op de trein te gaan. je zou kunnen zeggen: dan waren ze waardeloos.

Gemmeker kwam regelmatig kijken als ik met de baby bezig was. Uit interesse, uit ik weet niet wat. Voor ons betekende dat: dit kind blijft in leven. Daar wordt voor geknokt. Zelfs met behulp van de kampkommandant, die toch onze vijand was. We klampten ons vast aan die hoop en aan dat kleine mensje. En dat mensje bleef leven. Het levensvlammetje werd sterker. Op een gegeven moment was hij zover dat hij uit een flesje kon drinken. Nog later, toen hij vijfenhalf pond woog, kwam hij uit de couveuse in een wiegje. En Gemmeker kwam kijken. We dachten: we hebben het gered. Dit is voor ons het bewijs dat er iets goeds is, dat er hoop is, dat er een toekomst is. Maar toen Michieltje zes pond woog, is hij op transport gegaan. Voor de arbeidsinzet...'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1995

Daniel | 41 Pagina's

Westerbork - tussenstation op weg naar de dood

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1995

Daniel | 41 Pagina's