Voorbereiding
„Hè, hè, 'k ben er", zucht Margriet, terwijl ze met haar voet het poortje naast het huis verder openduwt en haar fiets er door loodst, 't Had werkelijk ook niet smaller moeten zijn, want dan kwam je klem te zitten. Nu haar weekendtas eraf sjorren. Pang. Au! Help, nu heeft haar ene snelbinder het toch begeven.
Morgen na het werk meteen maar even een nieuwe kopen. Een nadeel is dat nieuwe snelbinders in 't begin zo vreselijk stug zijn. Dat zal zwoegen worden om daar haar weekendtas onder te wurmen. Of ze moet gewoon niet zoveel meenemen. Iedere keer als ze bij haar ouders is geweest, moet ze vaststellen dat ze teveel heeft meegesjouwd. Een groot gedeelte gaat weer ongebruikt terug naar haar kamer hier.
Intussen is ze teruggelopen het poortje door, naar het aangrenzende huis. Ze zet haar tas op de grond om de sleutel uit haar jaszak op te diepen. Als ze de voordeur openduwt, ziet ze de post op de mat liggen. Hé, dan zijn mevrouw en meneer Van Harten zeker een dagje op stap. Meestal als ze 's middags terugkomt, ligt de post al gesorteerd op het tafeltje bij de trap. Eén stapeltje is er dan voor josé, die op de eerste verdieping woont, en één voor haar, de bewoonster van de zolder.
Laat zij het meteen maar even uitzoeken. Leuk! Er zit een brief van Ellen tussen, en de kerkbode. Die is ook voor haar. Het bankafschrift is voor josé. Dat kan ze direkt wel voor haar mee naar boven nemen. De rest is voor de familie Van Harten.
Nu òp naar de zolder. Het is wel stil in huis zo. José is altijd weg overdag, maar bij het echtpaar Van Harten hoor je meestal wel iemand rommelen.
Margriet loopt de trappen naar de bovenverdieping op. Haar tas zet ze met een plof in de hoek, die ruimt ze straks wel op. Nu eerst koffie zetten, en dan zo lekker haar post lezen. Prettig om weer op haar eigen stekje te zijn. Ze heeft er geen moeite mee om haar vrije dagen nu en dan hier door te brengen, hoewel naar huis gaan ook erg gezellig is. Cisteren was haar zusje jarig, dus kwam het mooi uit dat ze juist vrij was. Met koffie en een stroopwafel maakt Margriet het zich op de bank gemakkelijk. Nu eerst de brief van Ellen er bij pakken. Het lijkt wel of de vriendschap met Ellen, die ze op haar 'oude' jeugdvereniging heeft leren kennen, nog hechter is geworden nu ze zo ver weg woont. Ze had het wel erg gevonden toen Ellen met haar man en één maand oude zoontje naar Afrika vertrok. Hun regelmatige briefwisseling vergoedt echter veel. Margriet is zodoende aardig op de hoogte van hun Afrikaanse leven.
Nu schrijft Ellen ook weer zo heerlijk over Anton, die inmiddels bijna anderhalf is, en voor wie de wereld veel groter is geworden sinds hij kan lopen. Ze ziet Ellens schrik voor zich als Anton zich nietvermoedend aan een geit omhoog hijst, om vervolgens prompt op z'n neus te vallen als de geit hooghartig een stapje opzij doet. Ze ziet haar vertedering als Anton op een schaduwplekje in slaap is gevallen, terwijl op een afstandje twee zwarte kindertjes hem aandachtig staan te bestuderen. Ellen schrijft ook over het werk dat Jan daar als evangelist mag doen, en hoe verwonderd en dankbaar ze mogen zijn als ze zien hoe God doorgaat met Zijn werk. Als ze de brief uit heeft, legt ze hem naast zich neer. Straks nog eens rustig doorlezen, en misschien kan ze vanavond al wel een begin maken met een brief terug.
Dan is de kerkbode aan de beurt. Het verenigingsseizoen is voorbij, dus daar hoeft ze niet naar te kijken. Alleen de bondsdag komt straks nog, maar dat duurt nog even. Margriet bladert wat door de kerkbode heen. Leest dan 'opgenomen in het ziekenhuis de heer De Bock'. Hé, dat is de afdeling waar haar vriendin werkt. Raar is dat soms, als je mensen die je uit de kerk kent, als patiënten in het ziekenhuis tegenkomt. O kijk, het dochtertje van Wim en Marijke staat er ook in. Dat was zondag in de kerk al afgelezen. Ze moet hen nog wel een kaartje sturen of eigenlijk kan ze er van de week wel even langs gaan. Ze wipt graag eens aan bij de j.v.-voorzitter en zijn
vrouw. Verder lezend valt haar oog op de preekbeurten. Fijn is het dat deze gemeente een eigen predikant heeft. Dan schiet er even een schrik door Margriet heen. Ze voelt zich warm worden als ze leest dat het volgende week zondag voorbereiding is op de viering van het Heilig Avondmaal.
„Nu al? ", denkt ze. Snel rekent ze terug, ja, het is inderdaad al drie maanden geleden. Toen was het nog anders geweest. Hoewel ze weet dat het niet klopt, had ze toen toch nog een klein beetje het gevoel gehad toeschouwer te zijn. Ze kon zich toen nog 'verschuilen' achter het 'geen kerkelijk recht hebben'. Met Pasen heeft ze echter belijdenis van het geloof af mogen leggen. Het kerkelijk recht om deel te nemen aan het Heilig Avondmaal heeft ze nu. En het goddelijk recht, hoe zit het daarmee? Kent ze de Heere Jezus als haar Verlosser?
Ze denkt terug aan het afgelopen jaar. Een jaar van twijfel, van zoveel vragen. Eerst al toen ze besloot om de belijdeniscatechisatie te gaan volgen. Daarna het besef dat iedere les haar een week dichter bracht bij het moment dat God haar om een antwoord zou vragen. Soms vroeg ze zich af of de andere catechisanten daar nu ook over liepen te denken. Ze durfde daar niet goed over te beginnen. Tijdens de lessen wees de dominee er wel regelmatig op dat belijdenis doen niet zomaar iets is. Het is geen kwestie van 'je bent 19 of 20, dus nu moet het maar'. Hij wees erop dat het gaat om de belijdenis van het gelóóf. Daar zat het voor Margriet nu juist op vast. Mocht zij wel belijdenis doen? Natuurlijk, God vraagt het en in de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat het zo duidelijk dat ieder schuldig is zich bij de ware kerk te voegen. Moest je daar niet het zaligmakend geloof voor kennen? Of moest je dan maar wachten tot je dat kreeg?
En toen was daar die distriktsavond geweest. Had God daarmee niet laten zien dat Hij van haar en haar vragen afwist? Een voor haar onbekende ouderling had een inleiding gehouden over'Geloven en belijden'. In de pauze was er gelegenheid geweest om vragen te stellen. Die kans had Margriet gegrepen en zo op papier haar vragen en twijfel aan deze man voorgelegd.
Gespannen had ze op zijn reaktie gewacht. Toen die kwam, bleek dat hij haar had begrepen.
Hij had de belijdenisvragen erbij genomen en ze voorgelezen. De eerste vraag over het geloven dat in onze kerk de ware leer geleerd wordt, dat was voor Margriet niet zo'n punt. Maar de volgende vraag was of je door Gods genade in de belijdenis van de zaligmakende leer standvastig zult blijven en daarin leven èn sterven.
De ouderling wees op het gevaar van een éénzijdige benadering. „Je kunt", zei hij, „de spanning weghalen door te zeggen 'Ik doe belijdenis van de waarheid', of door te zeggen 'Ik ben onbekeerd dus doe ik geen belijdenis'. In beide gevallen wil je onder de klem van Gods roeping vandaan komen. God vraagt je hart, je mag niet onbekeerd zijn. Kom dan tot Hem al gij einden der aarde en word behouden."
Hij gaf toe dat hij de vraagsteller niet een antwoord kon geven dat de oplossing gaf, maar hij wees op God: „Blijf bidden, blijf zoeken en vraag of God Zelf jou de weg wil wijzen." Ze had gevraagd, ze had gezocht. In dit zoeken had ze belijdenis afgelegd, met in haar het gebed 'God, ik ken U nog niet, maar U roept mij, en ik wil U zo graag leren kennen'.
Na het uitspreken van hun ja-woord had de gemeente hen toegezongen 'God zal ze Zelf bevestigen en schragen'. In haar hart had Margriet meegebeden. 'Ja Heere, bevestig ons, bevestig mij, en laat ons de naam van Sions kinderen dragen.'
Margriet staat op om nog een kopje koffie in te schenken. Op het gas treft ze een pannetje met verkookte melk aan. Hè, wat dom, ze heeft het gas aan laten staan. Dat ze niets geroken heeft. Nu ja, niets aan te doen. Nu maar even een andere pan, dan maakt ze deze straks wel schoon.
Terwijl ze de melk klopt, mijmert ze verder. Ze bedenkt hoe ze na de belijdenisdienst haar vragen toch weer makkelijk even naast zich neer kon leggen. Liet ze zich de laatste weken niet weer veel te veel in beslag nemen door haar werk en haar vriendenkring?
Maar God laat haar niet los. Nu komt Hij met Zijn vraag: straks zal Mijn nodiging uitgaan, van Mijn kant staat alles gereed, zul jij er zijn?
Ze haalt haar Bijbel uit haar tas en neemt die met de koffie mee naar de kamer. Ze zoekt achterin het Avondmaalsformulier op. Ze leest de drie stukken van de zelfbeproeving: het moeten bedenken van haar zonden en vervloeking; de vraag of zij ook deze gewisse belofte van God gelooft dat haar al haar zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus, vergeven zijn; en of ze gezind is voortaan met haar ganse leven waarachtige dankbaarheid jegens God te bewijzen, en voor Zijn aangezicht oprecht te wandelen. Dan volgt in hetformulier: 'allen die alzo gezind zijn, wil God gewisselijk in genade aannemen, en voor waardige medegenoten van de tafel van Zijn Zoon Jezus Christus houden.'
Margriet weet: dit kan ik niet, dit kan ik nooit! Maar tegelijk weet ze ook: zïj hoeft het niet zelf te kunnen, God wil het haar geven. Hij wil Zelf geven wat Hij vraagt. Hij wil het ware geloof geven, het geloof in de Heere jezus Christus, de Zaligmaker van zondaren.
Margriet neuriet zacht voor zich heen:
„Doorgrond m' en ken mijn hart, o HEER;
Is 't geen ik denk niet tot Uw eer? Beproef m', en zie of mijn gemoed Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed', En doe mij toch met vaste schreden De weg ter zaligheid betreden."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1995
Daniel | 32 Pagina's