Euthanasie, is dat helpen?
Huiverend staat Eline bij de bushalte. „He, kwam die bus nu maar", mompelt ze, en voor de zoveelste keer kijkt ze op haar horloge.
Eindelijk komt de bus om de hoek van de straat tevoorschijn.
Nog maar net zijn de deuren open of Eline is al ingestapt.
„Gouda alstublieft, meneer, en wilt u me waarschuwen als we bij de Brugstraat zijn? "
„Zoals u wenst, mejuffrouw", antwoordt de al wat oudere chauffeur. Eline gaat voor de zekerheid maar wat vooraan zitten. Stel dat de chauffeur haar vergeet...
Er zijn maar weinig mede-passagiers en al gauw knoopt de chauffeur een gesprekje aan met Eline.
„’t Is nu geen weer om te fietsen, hè? je kunt maar beter in de bus zitten". „Nou", beaamt Eline, „het is zo koud en nat op straat en de bus rijdt tóch!"
„Zeg”, gaat de praatgrage chauffeur verder, „moet je soms naar dat grote verpleeghuis dat aan de Brugstraat staat? Kom, hoe heet het ook alweer? "
„Ja meneer, ik moet op sollicitatiegesprek daar, dus rijdt u maar hard". , , 't Komt voor elkaar hoor meiske, maak je maar niet druk".
Het verdere gedeelte van de reis wordt er niet veel meer gepraat. De chauffeur heeft op de drukke wegen al zijn aandacht nodig voor het verkeer en Eline staart, zonder iets te zien, naar buiten. Algauw zijn ze op de plaats van bestemming. Als Eline de bus uitspringt, roept de chauffeur nog gauw: „Sterkte hoor!" Tijd om te bedanken heeft Eline niet meer.
Heel alleen staat ze nu in een drukke straat van de voor haar zo vreemde stad.
’t Is om eenzaam van te worden", denkt ze met een glimlach. Vlug ritst ze haar schoudertasje open en kijkt op het papiertje waarop ze geschreven heeft hoe ze lopen moet om bij het verpleeghuis te komen, 't Is gelukkig niet moeilijk en algauw staat ze bij de receptie en vraagt naar de heer Simons. Deze laat niet lang op zich wachten. Elines hart gaat als een razende te keer als ze achter hem twee stenen trappen beklimt.
„Kom, rustig nu", maant ze zichzelf. Maar veel helpen doet het niet. Even later zitten ze tegenover elkaar in de ruime, sfeervol ingerichte kamer.
„Zo”, zegt meneer Simons, „dus jij ent Eline van der Meer en jij wilt hier komen werken als ziekenverzorgende? "
Eline knikt maar eens.
„Laat ik eerst mijn waardering eens uitspreken over je keurige sollicitatiebrief. 'k Heb heel wat brieven op die advertentie gekregen, maar die van jou sprong er zonder meer uit", vervolgt meneer Simons.
Hoe verder het gesprek vordert, hoe meer Eline zich op haar gemak voelt. Ze vertelt hoe ze ertoe is gekomen op de advertentie te reageren, over de gunstige busverbinding, over de gevolgde opleidingen en de opgedane stage-ervaringen. Ook meneer Simons begint plezier en interesse te krijgen in het meisje tegenover hem.
Het loopt al naar het einde van het gesprek als meneer Simons Eline onverwacht vraagt hoe ze denkt over euthanasie. Dan valt er een vreemde stilte in de ineens ook minder mooie kamer. Het bloed stijgt Eline naar de wangen en haar gedachten gaan razendsnel. Dom, oerdom vindt ze zichzelf ineens. Deze vraag had ze immers kunnen verwachten? Toch herstelt de overrompelde Eline zich snel en heeft ze zich weer onder kontrole.
Kort en bondig, zonder blikken of blozen vertelt ze hoe ze over de waarde van het leven denkt. Vastberaden klinkt het als ze zegt: „We kunnen het leven niet maken,
we hebben ook geen recht om het te doden. Tot de laatste ogenblikken toe heeft God Zijn doel met ieders leven. Ook al heeft een mens veel pijn en lijkt zijn toestand hopeloos". Het antwoord van meneer Simons is hard en koud. Het is alsof Eline een mes dwars door haar lichaam voelt gaan als hij zegt: „Ik begrijp dat jij ook zo'n fijne bent. 's Zondags tweemaal naar de kerk en veel praten over naastenliefde, maar in de praktijk... Ze laten een mens liever jarenlang pijnlijden en zich doodongelukkig voelen dan dat ze de helpende hand uitsteken en ze van dat ellendige leven verlossen. Helaas, zö kunnen wij niet samenwerken".
De tranen springen Eline in de ogen. Even kijkt ze meneer Simons aan. Zacht zegt ze: „Het hoeft niet meer meneer, want op die manier wil ik die mensen niet helpen. Dat noem ik geen helpen, dat is moord". Zwijgend nemen ze afscheid van elkaar en enkele minuten later loopt Eline weer op straat.
De zon breekt net door de donkere wolken maar Eline merkt het niet. In haar hart stormt het. Hoe kunnen mensen zo met elkaar omgaan? Een diep medelijen komt in haar op. Nee, in dit verpleeghuis zou ze nooit kunnen werken. En hoewel Eline ook deze keer niet is aangenomen, daalt er toch een stille blijdschap in haart hart.
En meneer Simons? Hij is nadat hij de deur achter Eline gesloten heeft, teruggezakt in zijn stoel. „Toch een dapper meisje, denkt hij. Zou het dan toch waar zijn wat zijn oma hem vroeger weieens vertelde als hij in de oude prentenbijbel bladerde? Zou er dan werkelijk een God zijn die alles bestuurt en regeert, en zou het dan toch waar zijn dat er na dit leven een eeuwigheid is? Vermoeid sluit meneer Simons de ogen en peinst in stilte verder.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1995
Daniel | 32 Pagina's