Een zoutend zout
„Goede morgen mevrouw Van Veen, goed geslapen? ", vraagt Margriet als zc naar het bed in kamer 24 loopt.
„Eerlijk gezegd is het me meegevallen, ik dacht eerst geen oog dicht te zullen doen. m'n laatste nachtje in dit ziekenhuis”.
„Fi jn hè. dat uw tijd hier erop zit. Nu nog een paar weken de wijkverpleging aan huis en dan zal het met hulp van uw man best wel weer lukken”.
„Dat denk ik ook. 'k Hoop nooit meer zo'n rare smak te maken. Voorlopig maar even voorzichtig aan met de fiets". „Zo. u heelt uw toiletspullen klaarstaan? Dan redt u het voorlopig wel hè? Over een kwartiertje kom ik wel even kijken”.
Margriet gaat door naar de volgende kamers waar ze deze morgen haar bezigheden heeft. Eerst maar handdoeken en waskommen delen, dan de mensen op weg helpen die zichzelf grotendeels kunnen redden, daarna heeft ze dan tijd om de bedpatienten te wassen. Vanmorgen zijn dat cr maar twee. Misschien dat ze dan vandaag ook weer eens tijd heeft voor een praatje tussendoor.
Sinds ze als eerstejaars leerling op deze afdeling is begonnen, heeft ze pas echt beseft hoe druk hel ziekenhuisleven is. Margriet heeft cr een hekel aan als ze de hele morgen moet rennen en vliegen om de verzorgende bezigheden klaar te krijgen en eigenlijk geen moment tijd heeft om gewoon eens met een patiënt te praten. Ze vindt dat laatste ook zo belangrijk. Als ze denkt aan gisteravond bijvoorbeeld, toen ze mevrouw Boshuis in tranen aantrof. Die had even daarvoor gehoord dat haar dochter bevallen was van een levenloos kindje. Ze had zo graag naar haar dochter gewild. Ze had zich zo machteloos gevoeld nu ze zelf het bed moest houden. Ze had haar dochter willen troosten, maar moest nu zelf getroost worden.
Margriet had stil geluisterd naar haar verhaal. Zc had bi jna zelf mee moeten huilen: zoveel leed, zoveel verdriet, in het ziekenhuis maar ook daarbuiten.
Gelukkig zijn cr ook fijne dingen, neem bijvoorbeeld mevrouw Van Veen. die vandaag naar huis gaat. Het heeft wel lang geduurd voordat dc operaticwond genezen was, maar nu is het dan zover.
Margriet zal haar wel missen. Ze kent mevrouw al vanaf haar start op deze afdeling, nu twee maanden geleden.
Verschillende keren voelde Margriet zich door haar gezellig geklets opgebeurd, vooral op momenten dat ze het werk toch wel zwaar voelde drukken.
Zo, dat was dat, vuile lakens de waszak in en dc waskommen op de kar. Nu even vragen of Anja haar wil helpen om dc laatste twee bedden met bedlegerige patiënten op te maken.
Juist als Margriet het laatste kussensloop verschoont en Anja een verloren washandje van de grond vist. klinkt bij de deur: „Ah, kollega's, zo mag ik het graag zien: twee hardwerkende zusters'. In de deuropening staat Peter met een grijns op z'n gezicht. „Pas op broeder, of je krijgt een washand naar je hoofd! Ben jij eigenlijk al klaar met je bedden? ”
„Op één na. daar heb ik hulp bij nodig, maar mijn lichaam snakt naar een bakje koffie, "t ls trouwens ook al zowat half elf. dus het mag onderhand ook wel”.
„Mee eens", zegt Anja, „we lopen met je mee”.
„Ons kantoor wordt tc klein", moppert Peter, als ze even later aan de koffie zitten. Het is ook wel druk vanmorgen, met de stagiaire, en de coassistent die even komt buurten, zit het kantoor met negen man ook wel vol.
Margriet vindt het wel gezellig zo met elkaar. Even tijd om bij le komen van het werk, maar ook even tijd om gezellig onderling te praten en elkaar wat meer te leren kennen. Ze voelt zich wel op haar gemak binnen dit team.
Ze weet dal de sfeer per afdeling heel verschillend kan zijn. Als ze aan haar laatste stage-afdeling in dc vooropleiding denkt, dan was het daar wel anders. Daar ging het gesprek in de koffiepauze steevast over het TV-programma van de vorige avond. Ze had zich cr vaak verloren bij voelen zitten.
„Het ging flink lekccr hè, vannacht", zegt Anco.
„Nou", reageert Anja, „het bleef lichten, of er geen eind aan kwam, en die donderslagen, ons bed trilde ervan". „En jij trilde zeker mee", merkt Peter op.
„Als ik eerlijk ben: ja", zegt Anja, „eigenlijk vond ik het best eng. Toen er aan het eind nog ccn keer zo'n keiharde slag kwam, dacht ik eehl even dat de wereld zou vergaan". „Die vergaat anders zomaar niet hoor", vindt Anco, „daar is wel zwaarder geschut voor nodig”.
„Zoals? " vraagt Anja. „Nou, als de bom valt ofzo. Toen met de Golfoorlog ben ik daar echt wel eens bang voor geweest. Nu denk ik er nog wel eens aan; je weet maar nooit waar ze daar in Irak mee bezig zijn, cn trouwens niet alleen in Irak... Als ze in de tweede wereldoorlog
al atoombommen konden fabriceren met vérstrekkende gevolgen, dan kan je wel nagaan wat voor projektielen ze nu ccn halve eeuw lateikunnen brouwen, alle atoomverdragen ten spijt”.
„Hè bah, wat doe jij pessimistisch", zegt Peter, „zo'n vaart zal het ook wel weer niet lopen”.
„Toch gek eigenlijk", mijmert Anja, „dat je niet weet hoe dat zal gaan als de wereld vergaat. Zou je dat nou bewust meemaken? ”
„Welnee joh", vindt Hanneke, „één knal, cn voor je weet wat cr gebeurt ben je er al niet meer. Trouwens, om op dat onweer terug te komen, bij mij in de straat is hel ingeslagen vannacht. Dat was me een drukte: brandweer en alles erbij...”
En zo gaat het gesprek weer verder waar het begonnen was.
Stil heeft Margriet het gesprek gevolgd. Ze heeft geluisterd en... gezwegen. Waarom eigenlijk? Waarom zei zfj niks op de vraag hoe het zijn zal als de bom zou vallen? Was zc bang om bekritiseerd te worden? Die angst is niet reëel, dat weet ze intussen wel. Het onderling kontakt in haar team is prettig. Niemand zal er om een afwijkende mening buiten komen te staan, ook al kan Hanneke wel eens scherp reageren. Maar waarom durfde ze dan haar mond niet open te doen? Was het valse schaamte die haar tegenhield? Het houdt Margriet bezig dc rest van dc dag.
Het blijft bij haar ook als ze om vier uur het ziekenhuis achter zich laat en naar haatkamer fietst.
Ze haall Hannckcs antwoord weer voor zich. „Jöh, dan ben je er al niet meer”.
En niemand van haar kollega's bracht naar voren dat etmeer is dan 'ccn-er-nietmeer-zijn’.
Niemand sprak over een God die boven alles staat, over een God die, als het einde van dc wereld daar is, komen zal om tc oordelen. Niemand sprak over dc mogelijkheid van een hel of ccn hemel. Zou geen van haar kollega's daar dan in geloven? Zou zij de enige zijn die gelooft dat het leven bij de val van de bom, bij het sterven van de mens, niet ophoudt? Zou zij dc enige zijn die weet van dc mogelijkheid 0111 verloren le gaan, maar óók van de mogelijkheid lot zalig worden? Het leek erop ja. dat zij dc enige is, en zij, ze heeft gezwegen...
Op haar kamer pakt ze haat-Bijbel en ze zoekt in Mattheus het stukje op over de wederkomst. Dan leest Margriet: 'En alsdan zal in de hemel verschijnen het leken van dc Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen en zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid'. Daarna wordt geschreven over de één die verlaten, en de ander die aangenomen zal worden. Dan bladert Margriet door naar dc brief aan de Romeinen. Zc zoekt de tekst op waar ze pas zo'n indringende preek over hoorde: 'En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welke zi j niel gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? ’
De dominee had gesproken over de noodzaak tot getuigen, ook over de plicht tot getuigen, de plicht om de rijke evangelieboodschap door te geven.
Hij had gezegd dat dat niet alleen geldt voor zendelingen of predikanten. Nee, die opdracht ligt er voor allen die Gods Woord hebben gehoord. „Praat u er wel eens over met uw kollega, en jij met je mede-student? En jullie, kinderen met je vriendje uil de straat, vertel je hem wel eens over de Heere Jezus? ”
Margriet had zich aangesproken gevoelt. Ze was vast van plan geweest om, als dc gelegenheid zich voor zou doen, le spreken.
Nu had de gelegenheid zich voorgedaan, en wat had ze ervan terecht gebracht? Niels! Dan vouwt Margriet haar handen, dan sluit ze haar ogen, dan vertelt ze aan God alles wat er die dag is gebeurd. „...En ik heb gezwegen God. ik heb niks gezegd. Ik had me zo vast voorgenomen om Uw boodschap door te geven, maar ik heb gezwegen, ik heb gefaald. Ik heb niet gedaan wat U ons, wat U mij hebt opgedragen, om een zoulcnd zout te zijn. Ik heb het erbij laten zitten. Als het erop aankomt, dan durf ik hel niet. Heb ik het dan toch van mezelf verwacht en niet op U gezien?
Hoe moet het nu verder Heere, want veel van mijn kollega's kennen U niet, en een volgende keer durf ik misschien wel weer niks te zeggen. Maar als ik niets zeg, zullen ze dan wel van U horen, of zullen ze er dan pas bij Uw wederkomst achterkomen dat er een God is?
Ik ben ook bang voor mijn hoogmoed, dat ik zal gaan denken dat ik mensen kan bekeren, of dat ik dat toch maar mooi heb gezegd. Wilt U me daarvoor bewaren, maak me öök van hoogmoed vrij. Geef mij geloof en vertrouwen in Ü, wilt U mij leiden, wilt U mij als een instrument in Uw handen gebruiken. Wilt U mij de woorden leren die ik moet spreken, dc woorden van heil en van genade. Dc boodschap van een God in de hemel die Zijn Zoon naar deze aarde zond, opdal ieder die in Hem geloven zou. niet verderve maar het eeuwige leven mag ontvangen.
Vergeef mij mijn zonden Heere. Vergeef mij mijn falen van vandaag. Vergeef mi j om Jezus' wil. En laat mij Uw getuige zijn. Amen”.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1994
Daniel | 32 Pagina's