JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De kloof

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De kloof

16 minuten leestijd

..Zou je niet liever met de bus gaan? ", heeft haar moeder 's ochtends gevraagd.

Lucienne heeft er spijt van dat ze daar niet verder op in is gegaan. Het is nu vier uur in de middag en met moeite schuift haar fiets door hel dikke pak sneeuw dat inmiddels gevallen is.

Het sneeuwt nog steeds. Dikke vlokken die traag naar beneden dwarrelen en voor een deel een plekje zoeken op haar jas en in haar haar. Het schemert al een beetje. In veel huizen branden reeds lampen. Dat biedt in kombinatie met de witte wereld een gezellige, sfeervolle aanblik. „Sneeuw is leuk", denkt Lucienne. „maar dan vooral als je door de witbesneeuwde bossen wandelt of van achter het raam naar de dwarrelende vlokken kijkt." Fietsen valt beslist niet mee onder deze omstandigheden. Ze ziet dat aan de overkant van de straat een man juist weer omhoog is gekrabbeld na een valpartij. Hij betast met een pijnlijk gezicht zijn knie en klopt de sneeuw van zijn jas. Luciennes fiets glibbert een eindje opzij.

..Voor je kijken. Lucienne". maant zc zichzelf, „voor je het weet, lig je zelf ook." Zc-merkt dat zc gespannen op de fiets zit. maar vordert desondanks gestaag.

Ha. gelukkig, nog één straatje en ze is thuis. Het fietsen gaat steeds moeizamer, vanwege de sneeuw die zich lussen de banden en de spatborden heeft vastgezet. Even flink doortrappen nog.

Plotseling voelt ze de fiets echter wegglijden en voordat ze ook maar iets kan doen. ligt ze op straal. Een gevoel van pijn dat al snel wordt verdrongen door de gedachte „Hoe kom ik /o snel : mogelijk «eet overeind? "' /e duwt legen haar fiets die hall ovei haar heen ligt. Als /.e probeert op le slaan, glijdl ze weer terug Duizelig en naar voeli /.e zich Wat afschuwelijk om hier /o hulpeloos le liggen Dan /i|n ei plotseling Iwee steike handen die haar fieis omhoog tillen en een paar tellen later ook haarzelf op de been helpen. En er is een slem die vraagt of zc zich bezeerd heeft. Waar kent ze die stem van? Wat vroeg die stem? O ja. of ze pijn had. „Nee. het gaat wel", zegt ze. „mijn voet doet wel wat pijn en ik ben nog een beetje draaierig in mijn hoofd."

..Gaal het. Lucienne. of wil je even zitten op dat muurtje misschien? ", vraagt de stem weer. Op het moment dat ze haar naam hoort noemen, komt Lucienne tot zichzelf. Het moet dus een bekende zijn die haar te hulp geschoten is. Dan ziel ze in het schemerdonker dat het Reinier is. Reinier Verdoorn bi j wie ze op de lagere school in de klas zal en die ze daarna min of meer uit het oog verloren is. „Reinier. 'k zie nu pas dat jij hel bent! Bedankt voor je hulp. 'k Was voorlopig nog niel weer op de been geweest, als je niet langs was gekomen."

„Geen dank", zcgl hij. „maar wat denk je: kun je het laatste stukje lopen? Dan neem ik je fiets mee. Ik heb namelijk het idee dat er het één en ander aan verbogen is."

„'t Zal wel gaan, denk ik", zcgl Lucienne. De duizeligheid is weggeëbd. Het lopen blijkt echler bepaald niel makkelijk te gaan. Zc is blij dat hij de fiets voor haar meezeult. Bij haar huis aangekomen, bedankt ze hem nogmaals hartelijk. Dan gaat ze naar binnen om de inmiddels al wat ongerust geworden gezinsleden verslag uit te brengen van haar barre tochl.

In dc loop van de avond wordt Luciennes voet steeds dikker. Staan en lopen i.s pijnlijk en ze besluit om zich in de serre tc installeren, met een sloel als voetenbankje. Het boek dal ze heeft opgezocht, blijft geruime tijd ongeopend naast haar op het tafeltje liggen. Ze staart dromerig naar buiten. De buitenlamp brandt en ze ziel dat het nog steeds sneeuwt. Hè. heerlijk om hier zomaar te kunnen zilten. Akelig was dat vanmiddag om daar zo hulpeloos te liggen. Toch heeft ze cr geen naar gevoel aan overgehouden. Dat komt omdat er in die vervelende situatie iemand was die zich bezorgd voor haar toonde en haar hielp. Reinier: hoe anders is zijn leven verlopen dan het hare. Vlak nadat zc de overstap naar hel middelbaar onderwijs hadden gemaakt, zijn zijn ouders gescheiden. Reinier en zijn zus zijn bij hun moeder gebleven. Zijn vader is inmiddels hertrouwd met een veel jongere vrouw. In de lijd dat de problemen thuis naar een klimax toegingen, is het gezin geheel van de kerk vervreemd geraakt. Lucienne weet niet eens of ze op dil moment nog lid zijn. Ze komen in ieder geval nooil meer 's zondags. Verder weet ze heel weinig van Reinier en zijn familie, hoewel hij met zijn moeder en zus in dezelfde buurt woon! als zij. Ze bedenkt dat ze nooit heeft geweten, dat hij zo aardig was.

Zo mij men ze nog een poosje voort, totdat haar moeder met een kopje koffie komt. „Hoort u nog wel eens iels over de familie Verdoorn? ", vraagt ze. Haar moeder schudt ontkennend het hoofd.

„Nee. eigenlijk nooit. Af en toe zie ik mevrouw Verdoorn in de supermarkt. Ze ziet er afgetobd uit. Maar ze heeft ook verschrikkelijk veel meegemaakt." Lucienne drinkt met kleine slokjes haar koffie. Ze schaamt zich een beetje, omdat zc die middag niel eens heeft gevraagd hoe het eigenlijk mei Reinier gaat.

Het is weken later. Luciennes voel is weer genezen en haar fiets gerepareerd. De winter laat zich nu van een andere kant zien. Heldere dagen en koude nachten, met hier en daar zelfs slrenge vorsl. Op haar vrije zaterdag haalt Lucienne haar schaatsen van de zolder. Met Deborah. haar zus. verlrekt ze richting ijsbaan. Het is prachtig weer om Ie schaatsen. Wel koud. maar cr staat bijna geen wind. Ze rijden het ene baantje na het andere. Mocgcschaatsl installeren ze zich na een uurtje in het gezellige tentje bij de ijsbaan en

bestellen warme chocolade. F.nkele klasgenootjes van Deborah komen bij hen zitten. Ze praten wat over de kwaliteit van het ijs en de kans op een Elfstedentocht. Lucienne voelt zich prettig. Fijn. zo'n middag na een week hard werken. Dan wordt ze plotseling op haar schouder getikt. Als ze zich omdraait, ziet ze Reinier.

..Ik zag je hier en ik dacht: 'k zal eens even vragen hoe het afgelopen is met haar voet." „Goed gelukkig", zegt Lucienne, „dat blijkt ook wel uit het feit dat ik hier nu ben. 'k Heb er toen trouwens wel een dag of vier mee gezeten, maar nu heb ik er totaal geen last meer van."

„O. fijn", zegt hij. Het lijkt alsof hij nog iets wil zeggen, maar hij bedenkt zich blijkbaar, „'k Zal de anderen maar weer eens opzoeken", zegt hij dan. „nog ccn prettige middag verder." „Hetzelfde", zegt Lucienne. „en tot ziens!"

„Dat jij praatte met iemand uit zo'n asociaal gezin", zegt Deborah. als ze een uur later naar huis fietsen.

„Wat is dat nou voor een opmerking? ", reageert Lucienne geïrriteerd, „ik heb toch verteld dat hij me thuis heeft gebracht, toen ik gevallen was. Hij heeft me goed geholpen en ik vond het alleen maar heel aardig van hem. dat hij nog even weer kwam informeren hoe het ging." Ze windt zich op: ..Hoe kom je er toch bij om zo denigrerend over hem te praten en over het gezin waar hij uit komt? Kan hij het soms helpen dat ze thuis zoveel meegemaakt hebben? En hebben wij het soms aan onszelf te danken dat we uit een prettig gezin komen en een gezellig thuis hebben? "

„Nou ja. rustig maar", kalmeert Deborah. „zo bedoelde ik het nou ook weer niet. 'k Had er zo gauw niet meer aan gedacht dat hij degene was die je toen ondersteund heeft. Hij zal best aardig zijn. maar qua achtergrond zijn er enorme verschillen. Dat zul je toch wel met me eens zijn." Er springen pretlichtjes in haar ogen: „Hoewel.... ik moet zeggen dat je het aardig voor hem opneemt. De ridder heeft blijkbaar indruk gemaakt op de jonkvrouw." „Deborah. hou alsjeblieft je mond. Ik wil er geen woord meer over horen", zegt Lucienne op een toon die geen tegenspraak duldt. Deborah merkt dat het menens is.

..Goed. oma", zegt ze.

Het blijft vriezen. Lucienne kan de verleiding niet weerstaan om "s maandagsavonds opnieuw naar de ijsbaan te fietsen. Ditmaal gaat ze alleen. Deborah heeft de volgende dag een repetitie. Hoewel ze nog steeds ccn beetje boos is op Deborah om haar denigrerende opmerkingen en toespelingen, mist ze haar toch als ze eenmaal op de ijsbaan is. Het is minder druk en in haar beleving lang niet zo gezellig als zaterdag. Ze schaatst een aantal keren rond. maar krijgt de smaak niet echt te pakken.

„Straks nog een paar rondjes en dan ga ik haar huis", besluit ze. als ze even aan de kant staat om uit te rusten. Plotseling ontdekt zc Reinier die met een paar jongens om het hardst rijdt. Hij rijdt goed. Dat ziet zc in één oogopslag. Ze blijft het groepje een poosje volgen met haar ogen. Vreemd is dat: telkens verschijnt Reinier binnen haar blikveld, terwijl ze zich jarenlang nauwelijks van zijn bestaan bewust is geweest. Hij ziet haar nu ook en komt even later naar haar toe.

„Beri je alleen? ", vraagt hij. Ze knikt instemmend en voegt er aan toe: , , 'k Ga maar weer eens naar huis zo. 'k Heb er genoeg van." „Waarom zeg ik dat? denkt ze verbijsterd, „ik was immers van plan om nog ccn paar rondjes te schaatsen? Hij denkt nu vast wel dat ik zo gauw mogelijk van hem af wil zijn."

„Heb je zin om nog even samen te schaatsen? ", vraagt hij een beetje verlegen. In een flits denkt ze aan Deborah. die gelukkig thuis is. en aan al de anderen die haar hier zullen zien. Dan verdringt ze die gedachten: „Ja. leuk", zegt ze. „maar ik kan niet half zo goed schaatsen als jij."

„Wat geeft dat? ", reageert hij. ...soms is het ook wel eens leuk om niet zo hard te rijden." „Het gaat fout", denkt Lucienne. als ze naast hem rijdt, „hij komt blijkbaar met opzet naar me toe en als ik niet oppas, ga ik hem veel meer dan zomaar sympathiek vinden. En dat kan helemaal niet. Hij is zo anders dan ik. Het zal alleen maar moeilijkheden opleveren."

Ondanks die gedachten geniet ze toch van zijn onverwachte gezelschap. Af en toe waarschuwt hij haar voor een slechte plek in het ijs en hij vraagt een paar keer of het nog gaat. „Iemand die rekening met je houdt", denkt ze. Dat ervaart ze immers telkens weer.

Hij rijdt met haar mee als ze naar huis fietst. Heel vanzelfsprekend lijkt dat. Heel goed is dat ook. maar dat maakt het alleen maar moeilijker. „Misschien zien we elkaar nog wel eens op de ijsbaan", oppert hij. Lucienne reageert zo vaag. dat hij er niet verder op in durft te gaan.

„Martina zei dat ze je met een jongen had gezien gisteravond", begint Deborah de volgende dag aan tafel. „Je mag ons wel eens wat beter op dc hoogte houden, zus. Het was toch hopelijk niet die je-weet-wel weer. hoe heet 'ie nou toch. die Reinier bedoel ik? " Luciennes mes valt kletterend neer. Haar gezicht is vertrokken van woede.

„Je weet dat ik dit een misselijke opmerking vind", zegt ze. „Bemoei je met je eigen zaken. En dat geldt voor Martina net zo goed."

„Wat is er toch aan de hand? ", vraagt haar moeder. Ze verbaast zich over de ongewone heftigheid ven Lucienne.

„Niets", zegt Lucienne. „maar ik kan niet tegen zulke flauwe toespelingen."

„Nou. nou. je kunt er anders soms zelf ook wel wat van", komt haar vader, „hoe lang is het geleden dat je Deborah met Jaap hebt zitten plagen? " „Dat was anders", zegt Lucienne. op een toon alsof daarmee alles verklaard is.

„Hoe het zij", zegt Deborah. die altijd het laatste woord wil hebben, „ik blijf bij m'n opmerking over de ridder en de jonkvrouw."

Lucienne verliest haar zelfbeheersing. Ze barst in snikken uit en wil naar haar kamer verdwijnen. Haar vader houdt haar tegen.

„Dat hebben we hier nooit gedaan", zegt hij. „je hoeft de situatie niet te ontlopen. Als er

iets is dat je dwars zit. kun je daarover praten."

..Dat kan ik niet. Ik weet het zelf niet eens", huilt Luciennc. Haar moeder beduidt haar man nu niet te sterk aan te dringen en ze kijkt Deborah aan op een manier waaruit duidelijk blijkt dat het afgelopen moet zijn met de plagerijen, 't Is niets voor Luciennc om zo te reageren. Lr moet iets zijn dat haar behoorlijk dwars zit.

Lucienne gaat vroeg naar bed die avond, maar ze ligt nog lang wakker. Rcinicr die telkens weer op haar weg komt: wat moet ze cr toch mee aan? Het feit dat hij een moeilijke thuissituatie heeft, vormt voor haar geen punt. Daar kan hij tenslotte niets aan doen. Dat hij uit een ander milieu komt. ziet ze ook niet als iets onoverkomelijks. Hij heeft bewezen hulpvaardig en belangstellend te zijn. Dat vindt ze veel belangrijker dan eten met zilveren bestek en antieke meubels in de kamer. Je zou heus van weerskanten wel eens tegen dingen aanlopen, maar als je echt om elkaar gaf. kwam je daar wel uit. Nee. het probleem ligt op een heel ander vlak. Veel dieper ook. Het breekpunt vormt voor haar het feit dat hij onkerkelijk is. Hoe zou je dan ooit vanuit een gezamenlijke basis verder kunnen gaan? ..Trek geen juk aan met de ongelovige", staat in de Bijbel. Hoe vaak heeft ze al gehoord dat het niet opgaat om te veronderstellen dat de ander misschien wel zal veranderen?

Dat kan gelukkig wel gebeuren, maar het mag geen argument vormen om een relatie met een onkerkelijke aan te gaan. Jc mist iets zo wezenlijks in het kontakt. dat er in feite geen gezamenlijke toekomst kan zijn. Hoe moeilijk is het echter om los te laten, als je ervaart dat iemand zo duidelijk op je weg wordt geplaatst. Toch zal het moeten.

Ze zal ontmoetingen met Rcinicr voortaan vermijden om het niet nog moeilijker te maken.

Op de ijsbaan vertoont Lucienne zich niet meer. Maar haar veronderstellingen dat ze op die manier Reinier zal kunnen ontlopen, blijkt niet te kloppen. Op een middag komt hij haar achterop fietsen, als ze vit haar werk naar huis rijdt. ..Ik wilde je graag nog een keer spreken", zegt hij. ..daarom was ik al een tijdje in de buurt van het verpleeghuis rondjes aan het fietsen."

..O", zegt Lucienne alleen maar. Zc herinnert zich dat zc hem toen hij haar thuisbracht, heeft verteld dat ze meestal van half acht tot vier werkt. Haar hart bonst. Zc heeft het gevoel dat een onzichtbaar net zich steeds nauwer om haar heen sluit.

..Ik vond het fijn om je weer ontmoet tc hebben", zegt hij eenvoudig, „en ik had graag nog weer eens met je willen praten.

Maar je kwam niet meer. Geen enkele keer. terwijl de ijsbaan nog minstens een dag of acht open is geweest na die maandagavond. Ik had het gevoel dat je me ontliep en ik wilde toch eigenlijk wel weten of ik hef met dat gevoel bij het rechte eind had."

Lucicnnes denken is vreemd helder. Ze heeft het dus goed aangevoeld die avond. Dat er meer zou volgen als zc nog weer terug zou gaan.

..Ik heb geprobeerd je te ontlopen", geeft ze toe. „maar ik heb nog meer m'n best gedaan om mezelf te ontlopen."

„Maar waarom dan? ", vraagt hij. ..Omdat het niet kan", zegt Lucienne. terwijl dc tranen al weer in haar ogen springen. Hij vraagt niet wat er niet kan. maar polst voorzichtig: ..Omdat het bij ons thuis allemaal zo anders is? " Hij beseft dat hij dat niet zo rustig zou kunnen vragen, als hij vermoedde dat daar de oorzaak lag.

..Welnee", zegt Lucienne, „het is ccht niet om jou of om jullie gezin. Het is om de kerk, om het geloof. Je kent mijn achtergrond. Wij zijn gebleven en jullie zijn gegaan. Daar is een kloof ontstaan die je niet kunt overbruggen met veel om elkaar te geven." Zc slikt moeilijk. „Daarom wou ik je niet meer ontmoeten. Om het jou en mezelf niet moeilijker te maken dan het al is." Het is even stil.

„Zc geeft om me", denkt Reinier. „dat heeft ze immers met zoveel woorden gezegd. Maar wat kent ze me nog slecht." Dan begint hij te praten: , ."t Is waar wat je zegt. Lucienne. als het tenminste zo zou zijn als jij denkt. Het is waar dat ik ben weggebleven uit

de kerk, toen mijn ouders afhaakten. Een beetje vreemd was het wel om niet meer naar de kerk te gaan. maar ccht missen deed ik het niet. Later zijn er jaren geweest dat ik 's zondags op het voetbalveld te vinden was en rondhing op straat en in snackbars. Ergens voelde ik wel dat het niet goed zat, maar ik wilde er niet aan toegeven. Op een gegeven moment had ik er een beetje genoeg van om altijd maar op straat rond te hangen. Ik was meer thuis cn vulde de zondagen met uitslapen, huiswerk maken en muziek beluisteren. Het zal nu een maand of vijf geleden zijn dat ik te logeren werd gevraagd bij mijn oom en tante.

Dc enige voorwaarde die mijn oom stelde, was dat ik 's zondags één keer mee zou gaan naar de kerk. Mijn neven en nichten zijn sympathieke lui. dus om een paar dagen in hun gezelschap tc verkeren, nam ik die verplichting op dc koop toe. Ik zal jc er nog wel eens meer van vertellen, maar op die zondag heb ik voor het eerst gezien hoe leeg cn arm mijn leven zonder God was. Uit mezelf ben ik ook 's avonds weer meegegaan naar de kerk. 's

Maandags heb ik thuis het Bijbeltje opgezocht dat we hebben gekregen toen we van school afgingen. De volgende zondag ging ik opnieuw naar de kerk. Een paar weken later heb ik me opgegeven voor catechisatie. Ik heb ook een paar keer met de dominee gepraat. Er leven nog heel veel vragen bij me en soms heb ik het gevoel dat de vraagtekens alleen maar groter worden. Daarnaast ben ik thuis een eenling nu en er worden soms hatelijke opmerkingen gemaakt. Toch blijf ik iedere zondag gaan."

Hij glimlacht als hij Lucicnnes verbaasde gezicht ziet: „Nee. niet hier in de wijk. waar iedereen me kent. maar in het dorp." Lucienne kan het zo gauw niet bevatten allemaal.

„Maar als het zó is", zegt ze. „dan is er een brug over de kloof."

„Dan is er geen kloof meer", zeat hij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1994

Daniel | 32 Pagina's

De kloof

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1994

Daniel | 32 Pagina's