Jehu en Josia
Lezen:2 Koningen 10:15 en 16; 2 Kronieken 34:3
Wanneer twee mensen hetzelfde doen, is het nog niet hetzelfde. Uit welk motief doen we iets? Twee verpleegsters kunnen beide op zeer barmhartige wijze hun werk verrichten. De een doet het uit oogpunt van menselijke bewogenheid. De ander mag het in het geloof doen naar Gods wil uit de ware liefde tot God en de naaste. In het menselijk verkeer is er misschien geen enkel verschil. De maatschappelijke uitstraling is mogelijk in beide gevallen hetzelfde. Toch is er in de verhouding van mens tegenover God een levensgroot verschil. „Al wat uit het geloof niet is, is zonde".
Jehu was een door de Heere geroepen koning. Toen hij tot koning gezalfd werd, was er in het bijzonder bij gezegd dat hij de wraak des Heeren over het goddeloze huis van Achab en Izebel zou uitvoeren.
De ijver van Jehu
Jehu gaat dan ook met grote ijver aan het werk om het huis van Achab en ook om de baaldienst uit te roeien. Daarbij zegt hij terecht „dat niets van het Woord des Heeren, hetwelk de Heere tegen het huis van Achab gesproken heeft, zal op de aarde vallen; want de Heere heeft gedaan wat Hij door de dienst van Zijn knecht Elia gesproken heeft".
Niet aller zonden vijand
Het afbreken van de baaldienst was een goed werk. Maar helaas blijft het daarbij. „Maar van de zonden van Jerobeam, de zoon van
Nebat, die Israël zondigen deed. na te volgen, week Jehu niet af, te weten van de gouden kalveren die te Bethel en die te Dan waren". Jehu is blijkbaar niet aller zonden vijand geworden. De lelijke zonden breekt hij af. Vooral de zonden van het huis van Achab; die wil hij tot de grond toe uitroeien. Maar wie is Jehu nu zelf? Gaat het hem eigenlijk wel om de Heere?
Mijn ijver
We lezen nergens van hem dat hij werkelijk persoonlijk de Heere nodig gekregen heeft. Zijn hart zocht de Heere niet. En voor zijn persoonlijk leven vergeving van zonden zoeken, we lezen het helaas niet van hem. Toch was hij ijverig in het uitroeien van de zonde. Maar zelfs daarin bedoelde hij zichzelf. „Zie mijn ijver aan voor de Heere". Jehu wil het goed doen. Zeker, in ijver voor de Heere. Maar deed hij het uit liefde tot de Heere. of was het ten diepste eigenliefde.' Hij wilde graag een goede koning zijn. Hij wilde het heel anders doen dan die goddeloze Achab en zijn zonen. Maar wat is zijn eigenbedoeling groot. Ook in bekering en afbraak van de zonde.
Arglistig hart
Wat is ons hart arglistig. Ook jouw en mijn hart. Geloof je dat? We mogen wel vaak bidden: „Doorgrond me en ken mijn hart, o Heer'". Gelukkig en tegelijk pijnlijk wanneer de Heilige Geest ons daarvan overtuigd. Inderdaad, daartoe is het ontdekkend licht van de Geest des Heeren nodig, want anders blijven we onszelf nog wel redelijk goed vinden. Anders houden we vooral een hoge dunk van onze goede bedoelingen.
Nog een reformatie
In 2 Kronieken 34 lezen we van nog een koning die een radikale reformatie doorvoerde. De jonge Josia. Ook hij pakt dc zaken grondig aan. „In het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen". Ook hij stopt met zijn hervormingswerk niet zo gauw. Zelfs in het gebied waar voordien het tienstammenrijk woonde, „brak hij de altaren af en de bossen en de gesneden beelden stampte hij". (Hij kon dit daar doen, omdat het tienstammenrijk inmiddels in ballingschap was weggevoerd).
Een ander begin
Toch merken we grote en wezenlijke verschillen op tussen Jehu en Josia. Het eerste verschil is dit: „In het achtste jaar van zijn regering toen hij nog een jongeling
was, begon hij dc God van zijn vader David te zoeken". Dat gaat vooraf aan het hervormingswerk van Josia. Zijn bekeringswerk heeft een oorsprong. Een oorsprong die lag in zijn persoonlijk geestelijk leven. Het begin daarvan is uit God geweest, want van nature is er niemand die naar God zoekt.
Daar begint het werk van de ware bekering; daar waar God Zijn liefde in het hart uitstort. Dan wordt het waar: Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vorst der duisternis en zijn werken. Van zo'n begin, van zo'n zoeken naar de Heere voor zijn eigen hart en leven lezen we bij Jehu niets. Hij begon meteen, inderdaad in overeenstemming met de goddelijke eis, de zonde uit te roeien. Maar daarbij klinkt het 'zie mijn ijver aan'.
Geloven dat God straft
Als het hervormingswerk van Josia verder gaat, wordt op zekere dag het wetboek in de tempel gevonden. Dat wetboek wordt tot Josia gebracht en er wordt aan hem uit voorgelezen. Dan hoort Josia „dat de grimmigheid des Heeren groot is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het woord des Heeren om te doen naar al hetgeen in dat boek geschreven is". Als Josia dat hoort, zegt hij niet: dat hebben onze vaders gedaan.
Ook redeneert hij niet: nu zijn wij aan het reformeren, dus zal God Zijn straffen toch nu niet doen komen.
Het is bij Josia precies andersom. Hij vernedert zich voor Gods aangezicht en bedrijft rouw. De koning brengt daarmee tot uitdrukking dat hij niet alleen de zonde ernstig neemt, maar ook de toorn en bedreiging van God.
Ootmoedig buigen
En als koning voelt hij zich verantwoordelijk. Hij laat niet de oudsten of de ouderen van het volk rouw bedrijven. Hij doet het zelf. Van Daniël lezen we dat ook: hij beleed zijn zonde en die van zijn volk.
Een gestalte van ootmoed en schuldverslagenheid. Een diep besef Gods straffen verdiend te hebben. Van Jehu lezen we nergens dat hij zich voor God verootmoedigde. Ook niet dat hij, voor of samen met het volk schuldbelijdenis deed.
Om Gods spreken verlegen
Maar dan lezen we nog iets van Josia. Hij zendt boden naar de profetes Hulda om voor hem te vragen wat dc Heere in deze situatie te zeggen heeft. Ook nu, juist nu is hij verlegen om het Woord van God. Nu de zonde drukt en de schuld benauwt, kan hij de Heere niet loslaten. Nu het oordeel, dat hij aanvaardt, dreigt, nu is hij om de Heere verlegen. Want als God tegen hem is, dan is alles verloren. En de Heere zendt een genadewoord. Dat zal een wonder geweest zijn voor Josia. Een strafwaardig volk, een schuldaanvaardende koning mag van genade horen. Hoe kan dat toch? Is God dan niet rechtvaardig?
Het geheim der genade
'k Geloof vast dat Josia dat geheim heeft leren kennen door het geloof. We lezen namelijk (in hoofdstuk 35) dat Josia pascha gevierd heeft. Dat is immers het geheim van de genade. Genade op grond van recht; verzoening door voldoening. Daarvan spreekt het pascha. Dat is waar door het Paaslam. Dat geslacht is. Zo is er voor Josia genade geweest, omdat het Paaslam, de Heere Jezus Christus de dood is ingegaan. God heeft Zichzelf dat Lam ten brandoffer voorzien.
Het geloof ziet op dat offer en dan is de schuld bedekt en de zonde weg. Daarom zal dat Lam, daarom zal deze genadige God ook eeuwig de eer krijgen.
Capelle aan den IJssel ds. P. Mulder
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1993
Daniel | 33 Pagina's