JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Celio

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Celio

15 minuten leestijd

„Doe het niet. Celio. het is te gevaarlijk", zegt de oude dame.

Ze zit in een hoge leunstoel te borduren.

Bij het raam staat een jongen met donkere ogen en zwart krullend haar. Hij kijkt naar buiten, waar de bomen wuiven in de zomerwind.

Tussen de stammen glinstert het water van de Po. „Je bent nog maar net zeventien, dat is te jong voor zo'n gevaarlijke reis", dringt de zachte stem aan.

Celio recht zijn rug. Zijn ogen zoeken de wazig-blauwe toppen in de verte. Achter die bergen ligt Zwitserland... en daar achter Duitsland.

„Je hebt geen vader en moeder meer, Celio. Ik heb de verantwoording voor je. Je bent een Curione, een telg uit een voornaam geslacht..."

Nu draait de jongen zich om. „Vader zou 't goed gevonden hebben, grootmoeder, dat weet u ook wel. Vader was in z'n hart een Lutheraan, hij heeft de vervolgden vaak geholpen. En nu krijg ik de kans om Luther zelf te horen... zou ik het dan niet doen? "

Celio heeft op vastbesloten toon gesproken. Met een schokje beseft zijn grootmoeder hoe volwassen hij dc laatste tijd geworden is.

Maandenlang heeft hij met zijn vrienden Jcan en Francesco dc Bijbel bestudeerd cn een paar geschriften van Luther. Zo werd het verlangen geboren naar Wittenberg te reizen.

Dc oude dame zucht. ..Neen) : dan tenminste een vertrouwde knecht mee. Paolo bijvoorbeeld''

„Dat kan ik niet doen. grootmoeder. Paolo is al oud. vijftig jaar al Zo'n lange reis is te zwaar voor hem". Het broze vrouwtje legt haar handwerk neer. „Ga dan maar, Celio, ik kan je niet tegenhouden. Moge God je behoeden".

Aan die woorden denkt Celio terug als hij een maand later moe en koud tegen de muur leunt in een cel van het klooster van St. Benignus. Het is misgegaan, helemaal mis.

Vol moed was hij met zijn vrienden vertrokken vanuit het kasteel van zijn grootmoeder in Turijn. Zonder moeilijkheden bereikten ze Aosta. Daar maakten ze kennis met een rustige man, die evenals zij bedenkingen had tegen de leer van de moederkerk. Die man bleek een verrader te zijn. Dc volgende dag werden ze plotseling, hoog in de bergen, overrompeld door een tiental soldaten.

Ze werden verhoord door de bisschop van Ivrea. Volgens hem waren ze inderdaad aanhangers van die „vervloekte ketter in Duitsland". Omdat zij alle drie van voorname familie zijn. heeft hij hen mild behandeld. De adel is machtig en protesten tegen hun gevangenneming bleven niet uit. Jean en Francesco werden dan ook na een paar weken vrijgelaten.

Alleen hij niet... Celio zucht. Zijn grootmoeder was te oud om veel invloed uit te oefenen en zijn broers en zussen hadden het te druk met onderlinge mzies. Nu is hij naar dit klooster gestuurd om heropgevoed te worden. Celio strekt zich uit op het smalle bed. Het is avond, maar slapen kan hij niet. Met treurige ogen kijkt hij rond. Dit is nu zijn gevangenis: een kaal kamertje met een hoog tralievenster cn een kruisbeeld aan de muur.

„Je bent begaafd en kunt een waardig zoon der kerk worden", zei de bisschop...

Celio duwt zijn gezicht in de harde matras. Zal hij staande kunnen blijven? Hij heeft niet eens een Bijbel om troost uit te kunnen putten.

Schemering nestelt zich in de hoeken van de cel. Hij vouwt zijn handen, maar zijn hart blijft leeg en bedroefd.

Eindelijk kijkt hij op. Het kamertje is nu donker, alleen door het tralievenster valt een laatste streep licht. Vaag tekent het kruisbeeld zich af tegen de grauwe muur. Celio staart ernaar met wijdopen ogen. Het kruis...

Zijn mond begint te trillen, er komt een brok in zijn keel. God zal hem helpen... uit genade, om het bloed van Zijn Zoon.

Als Celio de volgende morgen gehaald wordt, is hij kalm. Met broeder Pietro, een oude. vriendelijke monnik, loopt hij door de lange gangen naar de kapel. Dc dienst woont hij bij, maar hij weigert te knielen voor de heiligenbeelden.

Broeder Pietro dringt niet aan. Alleen door een voorzichtig beleid zal deze jongen op de goede weg gebracht kunnen worden. Zelf bewijst hij de beelden alle eer en voor een gesloten kastje bi j het altaar buigt hij diep. „Daarin liggen de beenderen van de heilige Tybrerus en de schedel van de heilige Agapetus", vertelt hij aan Celio.

„Hoe weet u dat die echt van hen zijn? "

„Hoe? Dat gelooft iedereen. De paus heeft zc als zodanig erkend. Eén keer per jaar wordt er een speciale dienst gehouden en dan komen de mensen uit de omgeving de heilige beenderen aanbidden".

Celio zwijgt. Hoe moeilijk zal het worden...

Hij wordt in het klooster niet slecht behandeld. Hij krijgt boeken om te bestuderen en

mag in de kloostertuin wandelen. Nooit is hij alleen, altijd wordt hij bewaakt. Met zijn leermeesters voert hij gesprekken over de Mariaverering, het vagevuur, en vooral over de goede werken. Zij verbazen zich over zijn kennis en proberen hem te overtuigen. Ze winden zich op. maar Celio geeft niet toe. Op een dag ontdekt hij dat tussen de boeken in de bibliotheek ook een Bijbel staat. Hij kan zijn vreugde nauwelijks bedwingen. Het maakt zijn verblijf in het klooster minder zwaar.

Na enige tijd verslapt de bewaking; dc jongen schijnt niet aan ontsnappen te denken. Daarin vergissen de monniken zich echter. In Celio's hoofd is een stoutmoedig plan opgekomen.

De nacht is vol stille schaduwen. Het gewijde gezang is verstomd en geen zachte, schuifelende voetstap wordt meer gehoord.

De kapel is grondig gekuist. Morgen zal de relikwiecnkast open gaan en dan zal het volk komen om de beenderen te aanbidden. Vandaag zijn er al gasten gekomen, meest rondreizende monniken.

De ramen van de kapel laten nauwelijks licht door, de kaarsen zijn opgebrand. Ineens is er een klein, schuivend geluid. Langs het altaar gaat een vage schim, een hand beweegt heen en weer. De schim verdwijnt en de kapel is weer leeg en stil.

Over de gang sluipt Celio. Zijn hart bonst. Het eerste gedeelte van zijn plan is nu uitgevoerd... Hij slaat een zijgang in. Door dc boogramen valt grauw het licht van de nacht. Weer een gang... en daar is zijn cel.

Zacht gaat Celio naar binnen. Zijn adem stokt. In de hoek van het kamertje staat een gestalte in een pij. een reusachtige vleermuis in het donker. De gedaante komt in beweging. „Mijn heer Celio!" Er gaat een schok door de jongeman heen. „Paolo?

Maar..." „Ja, ik ben het... sst".

Zwijgend klemmen ze zich aan elkaar vast. Celio heeft tranen in de ogen. Hoe komt die goede, trouwe knecht hier in zijn cel?

Fluisterend vertelt Paolo dat hij samen met Celio's grootmoeder een ontvluchtingsplan bedacht heeft. Celio moet zich als monnik verkleden en dan zal Paolo proberen om hem morgen tijdens de ongewone drukte uit het klooster te krijgen.

„Dat kan niet, Paolo, ik moet al eerder vluchten", zegt Celio. „Ik heb de beenderen uit de relikwiecnkast gehaald en in een doek op de grond gelegd. In het kastje ligt nu de Bijbel met daarop ccn briefje: Dit is de arke des verbonds, waarin men de ware Godsspraken kan vinden en de ware overblijfselen der heiligen".

Dc oude man schrikt. „Wat een overmoedige daad! Dat kan u het leven kosten. U kunt beter teruggaan en..."

„Nee, Paolo". Celio schudt zijn hoofd. „Ik heb er lang over nagedacht, maar ik moest het doen. Mijn hart deed pijn als ik aan die arme mensen dacht, die morgen naar de kapel komen. Iemand moet hen toch laten zien wat de weg tot behoud is..."

Paolo zegt niets meer. Hij trekt zijn pij uit en geeft die aan zijn jonge meester. Zeifis hij dan toch nog als monnik gekleed, want hij had twee pijen over elkaar aan getrokken.

Een tijdlang overleggen ze. Celio was van plan om door de tuin te vluchten, maar nu besluiten ze om zich simpelweg te gedragen als gasten die door de hoofdpoort willen vertrekken.

Traag verstrijken de uren. Eindelijk wordt het lichter in de cel en ze knielen neer op de stenen vloer. Een klok begint te kleppen, het klooster komt tot leven.

De portier is al vroeg op zijn post. Hij kijkt naar buiten en ziet dat er een lichte nevel hangt. Het zal wel een zonnige dag worden vandaag, een feestdag.

Daar komen twee monniken. Ze zijn van een andere orde dan hij. „Gaat u ons nu al weer verlaten? " vraagt hij verwonderd.

„Wij gaan enkele vrienden tegemoet", antwoordt de oudste monnik. Zijn metgezel groet zacht. De kap is diep over zijn hoofd getrokken en zijn handen steken in de wijde mouwen.

Knarsend draait de poort open. De zon breekt door en doet haar best de nevel te verdrijven. De twee monniken wandelen de lange weg af: twee donkere stipjes in een wereld van grijs en goud.

De kloosterlingen zijn verbijsterd wanneer ze ontdekken wat er is gebeurd. Het is niet moeilijk te raden wie dat gedaan heeft. De bisschop geeft opdracht de boosdoener . op te sporen, maar Celio is onvindbaar. Hij komt veilig met Paolo in Spanje aan. Daar dreigt hen een nieuw gevaar: er heerst de pest. Zij helpen zoveel zij kunnen en proberen het lijden van armen en rijken te verzachten.

Zo komen zij in kontakt met Margarita Blanca en haar vader Isacio. Margarita is een knappe jonge vrouw met levendige, donkere ogen.

Celio mag haar direkt bijzonder graag. Zij en haar vader zijn de hervorming welgezind. In hun prachtig huis krijgt Celio de gelegenheid te studeren.

Snel als een schaduw gaan de jaren.

Als de pest uitgewoed is trouwen Celio en Margarita. Paolo overlijdt na een ernstige ziekte, Margarita wordt moeder.

Celio krijgt bericht uit Italië dat van zijn familie alleen nog zijn oudere zuster in leven is. Zij woont op het ouderlijk kasteel in Cirie. Dan besluit Celio naar Italië te reizen. Het gevaar moet nu wel geweken zijn.

Op een mooie zomeravond komt Celio met Margarita en de kinderen in Cirie aan. Margarita is stil. Ze ziet op tegen de ontmoeting met Celio's zuster en zwager die allebei trouw naar de moederkerk gaan.

Celio schrikt als hij zijn zuster ziet. Is dat zijn knappe, vrolijke zusje? Voor hem staat een bleke dame met onzekere ogen en droevige lijnen om haar mond. Zijn zwager heeft een trots en hoogmoedig uiterlijk.

De begroeting is hartelijk. Ook de volgende dagen blijft de sfeer goed. Celio's zuster is lief voor hen en haar man schijnt niet onwelwillend tegenover de zaak der hervorming tc staan. Margarita kan dat echter niet rijmen met het veelvuldige bezoek van die man in het zwart: de biechtvader van de familie.

Op een dag gaat Celio met zijn zwager naar een kerkdienst in Turijn. De Dominikaner monnik die cr spreken zal. vader Augusto, weet iedereen te overtuigen van de juistheid van de roomskatholieke leer. Er is gelegenheid tol diskussie. maar niemand maakt daar gebruik van. De rede van vader Augusto is zo vol onwaarheden dat Celio. aangemoedigd door zijn zwager, het woord vraagt. Vader Augusto weet hem nauwelijks van repliek te dienen. Er ontstaat zo'n groot rumoer tussen de voor-en tegenstanders dat de kerk tenslotte ontruimd moei worden. Die avond, als Celio zit te schrijven, komt opeens zijn zuster naar hem loe. Ze kijkt om zich heen en fluistert: „Celio, je kunt hier niet blijven, je leven loopt gevaar".

Hij schrikt van de radeloze blik in haar ogen. Ze geeft hem een kus en verdwijnt, schichtig als een opgejaagd dier. Celio blijft nadenkend zitten, met zijn hand onder zijn hoofd. Het gouden zonlicht verbleekt, langzaam wordt het donker.

Plotseling wordt de deur opengegooid. Zijn zwager komt binnen, gevolgd door een aantal gewapende mannen. Celio springt op. maar er is geen verweer mogelijk. Opnieuw is hij zijn vrijheid kwijt.

Celio is gevangengenomen, omdat hij een bekend kerkvader heeft beledigd en oproer heeft veroorzaakt. Zijn zwager had dat voorzien. Ook zijn zuster wist van deze valstrik, maar zij werd door haar biechtvader gedreigd met helse straffen wanneer ze niet zou zwijgen. Door dit alles wordt ze tenslotte geestesziek.

Celio wordt in de gevangenis van Turijn opgesloten. Zijn tegenstanders wensen zijn dood. Hij heeft echter ook vrienden. Onder de edellieden zijn cr velen die de arrestatie alkeuren, omdat op die manier het vrije denken in gevaar komt. De bisschop is bang dat de edelen Celio met geweld zullen bevrijden en reist naar Rome om de Heilige Vader te laten beslissen.

„Opstaan! Opslaan!" Een luide stem echoot langs de dikke muren van dc gevangenis.

Celio knippert met zijn ogen tegen het felle licht van een lantaarn. Het moet nog nacht zijn. „Wat is er? " stamelt hij. , .U moet mee. kom!"

Gebonden en met een blinddoek voor wordt Celio naar een rijtuig gebracht. De paardehoeven stampen over de ongelijke weg. Hij is ervan overtuigd dal het vonnis nu voltrokken zal worden, maar het verontrust hem niet. Stille vrede vervult zijn hart.

Na een paar uur stopt het rijtuig. Twee soldaten voeren Celio een groot gebouw binnen en duwen hem een trap op. Deuren gaan open en dan wordt zijn blinddoek afgetrokken.

Hij staat in een sombere kamer met maar één raam. Er zitten dikke tralies voor.

Een man duwt hem op een houten bank en sluit zijn voeten in een paar ijzeren ringen. Ze zitten zo strak om zijn enkels dat zijn gezicht vertrekt van pijn.

De mannen gaan weg en Celio blijft alleen achter. Waar is hij toch? Hij kijkt om zich heen. In een hoek zijn wat meubels opgestapeld: een bank, een tafel en een paar wrakke stoelen. Het is net of deze kamer iets bekends heeft...

Ineens beseft hij waar hij is: in het kasteel van zijn vriend Francesco Guerino. Die is met zijn ouders gevlucht en het sterke slot is door dc geestelijkheid ingericht als gevangenis.

Vroeg in de morgen komt de cipier hem eten brengen. Hij is niet onvriendelijk. Hij probeert zelfs de ringen om Celio's voeten wat losser te krijgen, maar dat lukt niet. Van hem hoort Celio dat hij uit voorzorg naar een andere plaats is overgebracht,

's Avonds zijn Celio's voeten hevig gezwollen. De cipier zucht. Hij heeft opdracht de gevangene streng te bewaken, maar hem te behandelen als een edelman.

„Ik maak één voet los, ontsnappen kunt u toch niet", zegt hij.

Een paar dagen gaan voorbij. De ene dag wordt de linkervoet ingesloten, de andere dag de rechtervoet.

Celio weet nu dat zijn vrienden niet stilzitten. Kon hij maar ontvluchten, dan hoefde er geen bloed te vloeien.

Maar hij zal zijn been nooit los kunnen krijgen, dan zou er wel een wonder moeten gebeuren. De deur van zijn kamer is weliswaar nie! op slot, maar de toegang tot het aangrenzende gangetje wel. En daar staan twee soldaten op wacht.

Weer wordt het nacht.

Onverwacht breekt een hevig onweer los. Fel verlicht de bliksem Celio's kamer. Hij ziet dc tafel en de omgekeerde stoelen, waarvan de

poten als houten benen omhoog steken. Zijn ogen worden groot, hij slikt. Is het daar dan toch. het wonder? Hij reikt met veel moeite naar de dichtstbijzijnde stoel.

Opnieuw rolt de donder. De hand van Celio rukt en trekt. Meer dan een uur houdt de bui aan. Als het weer stil is zit Celio doodmoe op de bank met een afgebroken stoelpoot in zijn hand.

Na een poosje tilt hij zijn vrije been op en doet de kous en de schoen uit. De kous trekt hij over de stoelpoot heen en vult die op met ondergoed. De schoen wordt er aangeschoven. Hij vouwt zijn been dubbel onder zich en bindt het kunstbeen met repen stof aan zijn knie. Dan slaat hij zijn mantel om zich heen.

De cipier is laat die morgen. Hij maakt Celio's ene been los cn pakt voorzichtig het kunstbeen beet. Celio houdt zijn adem in. zijn handen beven. De ring gaat om de enkel, het slot gaat dicht. „Dit been is zeker minder pijnlijk", zegt de cipier. Celio knikt, hij kan niets zeggen.

De hele dag houdt hij zijn mantel aan. 's Middags slaapt hij een poos. Later strompelt hij af en toe door de kamer om zijn spieren te oefenen. Het eerste uur van dc nacht brengt hij biddend door.

Dc maan schijnt helder door het getraliede raam. Van ver komt de roep van een nachtvogel. Celio staat op en opent de deur. De scharnieren piepen. Trillend staat hij in het gangetje. Hij hoort de soldaten snurken. Waarschijnlijk zitten ze met hun rug tegen de andere kant van de deur.

Maar er is ook een raampje. Het is heel klein. Celio doet het open. Hij ziet de boomtakken heen en weer waaien. Eén van de soldaten hoest. Doodstil wacht Celio. Eindelijk is er weer het vertrouwde gesnurk.

Dan wurmt hij zich half door de opening en pakt een dikke tak beet. Een paar minuten later staat hij op de grond met een bezeerde rug, striemen in zijn gezicht en pijnlijke voeten. Hij is vrij...

Veilig bereikt Celio Turijn. Wekenlang ligt hij ziek in het huis van een bevriende edelman. Daarna gaat hij naar Milaan, waar Margarita en de kinderen verblijven. Later wordt hij hoogleraar in Pavia. maar ook daar is hij niet veilig.

Tenslotte vindt hij rust aan het hof van hertogin Renée van Ferrara in Venetië. Eindelijk kan hij in vrijheid aan anderen leren wat het hart van de hervorming is: uit genade alleen.

Dordrecht

A. Korpershoek-

van Wendel de Joode

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1993

Daniel | 32 Pagina's

Celio

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1993

Daniel | 32 Pagina's