Van Al Jesah tot Beersheba
Door een smalle straat aan de buitenkant van Al Jesah. een stadje in het zuiden van Jemen, loopt een jongen van een jaar ot' tien. Zijn gitzwart krullend haar schreeuwt om een borstel of een kam. Aan weerszijden van zijn hoofd hangen twee dunne pijpekrullen langs zijn slapen. In zijn bruin gezicht schitteren een paar donkere bijna zwarte ogen. Hij draagt een soort lang hemd met mouwen en zijn blote voeten steken in een paar stevige sandalen. Voor één van de vierkante lemen huizen blijft hij staan.
..Solomon. Solomon, ben jc klaar? !" roept hij.
..Ik kom!" klinkt een stem en twee tellen later verschijnt Solomon in dc deuropening. Zc zouden broers kunnen zijn, deze twee jongens. Dezelfde donkere ogen. hetzelfde gitzwarte haar. dezelfde bruine gelaatskleur en hetzelfde lange hemd. Solomon is wat groter en breder dan de jongen die hem riep.
..Laten we maar hard lopen Levi", zegt hij, ..'t is al middag.”
Ze zetten het ondanks de hitte op een rennen. Bij de poort van de stad houden ze hun vaart in. Een kleine tien minuten lopen vanaf deze poort, op ccn grote open ruimte, is het een drukte van belang. Het is markt. De kooplui uit Al Jesah brengen hier eens in de maand hun waren. Die liggen uitgestald op matten en kleden waarboven een tentdoek is gespannen. Bedoeïenen in hun kleurige boernoesen lopen er rond.
Jemenieten uit de omliggende steden en dorpen zijn ver in de minderheid bij deze woestijnbewoners. die er met een pistool en kromme dolk in hun gordel zeer krijgshaftig uitzien. De meeste kooplui zijn joden uit Al Jesah. Velen van hen zijn knappe lecrbcwerkers en zilversmeden en de Bedoeïenen zijn hun vaste klanten.
Bestellingen worden afgehaald en nieuwe afspraken gemaakt. Er wordt betaald met schapen, huiden of zilvergeld. Realen noemen de Jemenieten de geldstukken uit Oostenrijk. Daar zijn ze al lang niet meer geldig, maar in Jemen en ook wel in Saoedie-Arabië worden ze als wettig betaalmiddel gebruikt. De oosterse vorsten en sheiks bestellen met de regelmaat van een klok steeds nieuwe voorraden. Solomon en Levi zoeken bewust hun weg. Ze lopen veel marktlui voorbij en glippen roekeloos tussen de tientallen kijkers en kopers door. die hun menig scheldwoord naroepen.
Ondanks al deze ophouders zijn ze al gauw waar ze wezen moeten: bij Solomons vader. Joahaz Ares. Hij heeft zijn plaats bijna aan het einde van de markt. Hij is één van de beste lecrbcwerkers uit Al Jesah. De beide jongens gaan vlakbij zijn kraam op de grond zitten. Joahaz is juist met een paar Bedoeïenen aan het onderhandelen over een kameelzadel dat zij twee maanden geleden besteld hebben. Twaalf onbeschadigde schapehuiden was de overeengekomen prijs. Solomon en Levi hebben geen moeite het gesprek te volgen. Ze spreken vlot Arabisch, hoewel er thuis altijd Hebreeuws gesproken wordt. De beide woestijnbewoners bekijken en bevoelen het zadel aan alle kanten. Maar Joahaz Aras levert geen rommel en spoedig wordt de koop gesloten. Als de Bedoeïenen vertrokken zijn wendt Joahaz zich tot de jongens. Dezen zijn eerbiedig opgestaan.
..Is het werk dat opgegeven werd in orde? " vraagt hij streng. ..Ja. geëerde vader", antwoordt Salomon en Levi knikt zo heftig dat de haarlokken langs zijn slapen op en neer dansen. De koopman kijkt de beide vriendjes welwillend aan. ..Gij mijn zoon en ook gij Levi, zoon van Isaac Mizra. laat horen wat ge vanmorgen geleerd hebt.”
En zonder haperen klinkt het: „Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, van daar zal u de Heere uw God vergaderen en van daar zal Hij u brengen in het land dat uw vaderen erfelijk bezeten hebben en gij zult dat erfelijk bezitten en Hij zal u vermenigvuldigen boven uw vaderen.”
"t Blijft even stil, dan heft Joahaz zijn uitgebreide armen naar de hemel. „Het zij zo", zegt hij plechtig. En dan zo zacht dat de jongens moeite hebben het te verstaan: „Wie weet hoe spoedig.”
De staat Israël erkend
Het is stil geworden in Al Jesah. De poort is gesloten, de straten zijn verlaten, in de huizen is het donker. De inwoners slapen, ook de mannen, vrouwen en kinderen in de Jodenstraat. Levi en Solomon liggen al enkele uren op hun matjes, een opgerolde deken onder het hoofd. Ze dromen allebei over een grote zilveren vogel. Tegen het einde van de markt heeft vader Joahaz hun verteld dat ze eenmaal allen zullen terugkeren naar het beloofde land. Wij. Jemenitische joden wonen
al eeuwenlang in dit land. maar eens. nog vóór de Messias zal komen, keren we terug naar Israël. We zullen niet hoeven te lopen, want één van onze profeten heeft voorzegd dat wij gedragen zullen worden op de vleugels van een grote zilveren vogel. ..Zal dat al gauw zijn. geëerde vader? " had Solomon gevraagd. „Dat geloof ik zeker, mijn zoon", had Joahaz ernstig geantwoord.
En nu is de nacht gekomen over Al Jesah en de andere steden en dorpen van Jemen. Ook over de joden, die al eeuwenlang zijn achtergesteld bij de Arabieren. Gedwongen werden ze om in de buitenwijken van stad of dorp in oude lemen huizen te wonen en aan de kant te gaan als er een Arabier voorbij komt. Ze slapen nu. onbewust van wat er in Tel Aviv deze avond. 14 mei 1948. de avond voor de sabbath. gebeurd is.
Op zilveren vleugels
Het is december 1949. Op het vliegveld in Aden staat een DC 4. Zijn zilveren vleugels glanzen in dc zon. Vanbinnen ziet hij er vreemd uit. Alle stoelen en ook het keukentje zijn verdwenen. In plaats daarvan staan er lange rijen banken, waarop wel 120 mensen kunnen zitten. Na een wekenlange tocht vol gevaren, zijn Levi en Solomon met hun familie en alle andere joden uit Al Jesah in Aden aangekomen. Daar waren al honderden landgenoten en er zouden er nog duizenden volgen. Maanden hebben ze hier in grote barakken gewoond en gelaten gewacht op hun vertrek. En nu is het zover. De zilveren vogel neemt een aanloop, dan stijgt hij op. Een minuut later vliegt hij noordwaarts boven het water van de Rode Zee, richting Israël.
In Arad. in de wijk waar de immigranten uit Al Jesah wonen, is de synagogedienst afgelopen. De vrouwen en meisjes haasten zich direkt naar huis. de mannen doen het wat kalmer aan. Bij een groepje dat als laatste het gebouwtje verlaat, bevinden zich Levi en Solomon. Hoewel ze nu al meer dan een jaar in een kibboets bij Haifa wonen en een heel andere levenswijze gewend zijn. zijn zc onder de bekoring gekomen van de vroeger zo vertrouwde godsdienstoefening. Zonder enige hapering hebben ze weer de psalmen van David opgezegd en de bekende woorden en teksten gingen weer voor hen leven.
„Toch weer fijn om thuis te zijn", zegt Levi zacht. Zc lopen achter de mannen, die als laatsten de synagoge verlieten. Solomon knikt. Ja. fijn om weer eens thuis te zijn. maar toch... zijn dorpsgenoten leven nog precies zoals ze dat in Jemen gewend waren. De vrouwen dragen nog hun lange, donkere jurken en de mannen denken er niet aan hun oorlokken en baarden af te scheren. De sabbath wordt streng gehouden en in de godsdienstoefeningen is geen enkele verandering gekomen. Het eten met een lepel of vork is er niet bij en ze hebben nog steeds moeite om op een stoel te zitten inplaats van plat op de grond.
Zondagavond zijn Levi cn hij : thuisgekomen. Iedereen was blij. maar vader had zijn ongenoegen duidelijk laten blijken, omdat ze hun oorlokken hadden afgeknipt. „Ik ben heel bang mijn zoon. dat ge ook andere dingen gaat overnemen van hen die de sabbath met de voeten treden." Nog steeds had hij er geen vrede mee dat ze zo snel naar hel beloofde land waren gegaan.
„Wij dachten daar dc Messias te zien, maar Hij vertoeft te komen. Drie lange jaren wachten wij nu en nog is Hij er niet.”
„Geëerde vader, zie eens naar de grote stukken woestijn, die u samen met zoveel anderen hebt veranderd in vruchtbare landerijen.”
„Inderdaad mijn zoon. de woestijn zal bloeien als een roos. En wij zullen de oude verwoeste plaatsen weer bebouwen. dat zien wij hier heel duidelijk. En-gcdi. Beersheba en Arad. het worden grote steden. Maar de Messias, waar blijft Hij? Er is grote dreiging van godevijandige Arabieren en Hij grijpt niet in." Solomon bedenkt dit alles terwijl hij met Levi naar huis loopt.
Vele maanden, nadat ze in een kamp bij Tel Aviv hebben gewoond, kregen ze huizen en werk in Arad. een stadje niet ver van Beersheba. Toen hij 13 jaar was is hij met Levi cn nog zes andere jongens naar een kibboets gegaan bi j Haifa. Daar krijgen ze les in rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis. Daar leren ze Engels en werken op het land. Daar ruimen ze de duizenden stenen weg en bouwen er muurtjes van om de geplante wijngaarden en olijfbomen. Nu hebben ze een korte vakantie, die ze thuis mogen doorbrengen.
„Geloof jij dat de Messias gauw zal komen. Levi? " „Ik weet het niet, ik denk daar in de kibboets eigenlijk nooit i over. Het leven is er zo heel i anders dan hier. Heb jij nog wel gebeden daar? Ik niet en dat is niet goed Solomon. Bidden zoals onze vaders doen. dat zou ik ook weer willen. Bidden zoals we dat in de synagoge deden.”
Hij staat even stil. ..O. Herder Israëls neem ter ore. Die Jozef als schapen lciddet. Die tussen de cherubim zit. verschijn blinkende. O God breng ons weder en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.!”
Solomon zegt niets. Maar in gedachten vult hij het gebed van Asaf aan: „Gij hebt ons onze naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich." Vijanden, ja die zijn er genoeg. Syriërs, Egyptenaren, Jo rda n ië rs. „Komt en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn dat aan de naam Israëls niet meer gedacht worde!”
Ken je Hem?
In de kantine van een luchtmachtbasis in het zuiden
van Israël zit een groepje piloten druk pratend aan een kop koffie. Hén van hen valt op door zijn donkere gelaatskleur. Zijn slanke vingers spelen gedachteloos met een lepeltje. Hij neemt praktisch-geen deel aan het gesprek. WaJ is er veel gebeurd sinds hij met Solomon uit de synagoge in Arad kwam. Terug in de kibboets zijn zc weer, net als in Jemen, gaan studeren in de Thora en de Talmoed. Solomon hield het niet lang vol. hij sportte liever dan met z'n neus in de boeken te zitten. Toen ze dienstplichtig werden, zijn ze allebei bij de luchtmacht gekomen. Tijdens de bliksemoorlog in 1956. waarin Egypte verpletterend werd verslagen, waren ze nog in opleiding en zijn ze niet daadwerkelijk ingezet in dc strijd. Nu is het ruim vier jaar later. Hij heeft zijn opleiding tot piloot al meer dan twee jaar achter de rug en Solomon is een uitstekend boordschutter en mecanicien, ze zijn beiden beroeps geworden, gestationeerd in het zuiden, niet ver van Beersheba. De meeste verlofdagen brengen ze door bij hun familie in Arad. Daar is wel wat veranderd in die jaren. De mannen dragen nog hun oorlokken en baarden, maar de vrouwen hebben hun lange donkere jurken vaarwel gezegd. De tafels en stoelen zijn gemeengoed geworden en vorken en lepels behoren tot de dagelijks gebruiksvoorwerpen. Maar de godsdienstoefeningen in de synagoge zijn dezelfde gebleven. Levi staat op en haalt nog een kopje koffie. Als hij terugloopt, gaat de deur van de kantine open en komt er een meisje binnen van een jaar of twintig. Haar blonde haren glanzen en haar donkerblauwe ogen kijken even zoekend rond. Dan stevent ze regelrecht op het groepje piloten af.
..Ik ben Mirjam Burgers", zegt ze in perfekt Hebreeuws. ..ik kom hier werken op de radarpost.”
Al gauw is ze in geanimeerd gesprek met de vliegers. Ze ziet zelfs kans Levi erbij te betrekken. Goedmoedig zegt de squadronleider: ..Pas maar op.
j Mirjam. Levi kent maar één onderwerp van gesprek en dal is de Messias.”
. Verrast kijkt het jonge meisje de piloot aan. ..De Messias? " zegt ze. En dan heel ernstig: ..Ken je Hem. Levi? " ..Kennen? " vraagt deze verbaasd. ..Hem kennen? Dat is niet mogelijk. Hij moet immers nog komen!”
't Blijft even slil na deze verwonderde uitroep. Mirjam haalt een boekje uit haar tas. ..Hier staat dat Hij al meer dan 1950 jaar geleden gekomen is. Hij werd in Bethlehem geboren en is gaan wonen in Naza..." ..Schei uit met die onzin", valt Ronald Pavor haar in de rede. Hij is de oudste van de groep en heeft maar één doel in zijn leven: eten. drinken en plezier maken. „Levi zegt dat Hij nog moet komen. Jij zegt dat Hij al I gekomen is. Nou ik geloof geen van beide. Laten we liever een gezelliger onderwerp aansnijden. Wat denk je van een bioscoopje vanavond? Doen? , Ik houd je vrij!”
Mirjam geeft hier geen antwoord op. Ze stopt hel boekje weer in haar tas. Haar donkerblauwe ogen kijken de vliegers ernstig aan. „Jullie weten nu meteen wat je aan me hebt. Ik zal niemand mijn geloof opdringen, maar ik zal er beslist ook niet over zwijgen. Ik ben een christen en daar kom ik vrijmoedig voor uit." Haar ogen beginnen te stralen. „Hij is mijn Verlosser, ik heb Hem lief' en dan tot Levi. „Ik ken eigenlijk ook maar één onderwerp van gesprek en dat is Jezus, de Messias.”
Onmogelijk
Voor de zoveelste keer draait Levi zich op zijn andere zij. Hij kan maar niet in slaap komen. Mirjam, het blonde meisje dat vanuit Nederland naar Israël emigreerde, wil niet uit zijn gedachten. Toen hij jaren geleden in de kibboets kennis maakte met dc bewoners, kon hij hel niet vatten dat er ook blonde joden en jodinnen waren met blauwe en grijze ogen. Nu vindt hij het heel gewoon dat niet alle joden donker van haar en ogen zijn.
Ronald Pavor komt uit de : Sovjet Unie en heeft ook geen joods uiterlijk. Nee. daar ligt hij beslist niet wakker om. Maar met Mirjam is het anders. Zij is de eerste christen-jodin die hij ontmoet heeft. Het is ook niet zozeer de gedachte aan het meisje die hem wakker houdt. Het zijn haar wóórden die hem beletten dal hij in slaap valt. „Hij is mijn Verlosser. Ik ken eigenlijk ook maar één onderwerp van gesprek. Levi. En dat is Jezus, de Messias.”
„Jezus!" Levi gaat rechtop zitlen. Flauw tekent zich in het donker de omtrek van het raam af. Jezus, de Messias? Onmogelijk! Dat zal hij Mirjam als hij haar morgen ziet eens klaar en duidelijk bewijzen.
i Een sterke Toren
In een flat in Beersheba ligt een jonge vrouw op haar knieën, een hummeltje van nog geen jaar rommelt wat in de box en een kleine jongen speelt aan tafel met een vliegtuigje.
„Heere. bewaar ons voor oorlog", bidt de jonge vrouw.
„Wij zijn met zo weinigen tegen zovelen. Israël is als David tegen de sterke Goliath. Als Levi de strijd in moet, o God wees U hem een sterke Toren voor de vijand.”
„Mama kijk", zegt de kleine jongen zonder op te zien en onbewust van het dreigende gevaar waarin land en volk verkeren. „Mama kijk." Hij zet heel voorzichtig zijn vliegtuigje op tafel. „Papa veilig geland", zegt hij en zijn donkere ogen stralen.
Mirjam aail hem over zijn bol. „Jij bent papa's grote jongen. Isaac!”
Geen gepieker!
„Levi. 't wordt oorlog." Solomon zet zich met een broodje in de ene hand en een kop soep in de andere naast zijn vriend aan een tafeltje. (word1 vervolgd)
Papendrecht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1991
Daniel | 32 Pagina's