Hoe zullen zij horen zonder die hun predikt?
Heb je er wel eens bij stil gestaan hoe weinig predikanten we in de Gereformeerde Gemeenten hebben en verder hoe velen (van die weinigen) er al 'op leeftijd' zijn? Op dit moment zijn er 14 (dat is 25% van het totale aantal) dienstdoende predikanten 65 jaar of ouder (dat is de leeftijd waarop men in het maatschappelijke leven met pensioen gegaan is). Verder zijn er 9 (16%) predikanten die 60 jaar of ouder zijn. In het dagelijkse leren is dat een leeftijdsgroep van mensen die binnenkort met de vut gaat of al gegaan is. Bovendien zijn 12 predikanten ouder dan 50 jaar.
Alles bij elkaar genomen moeten we opmerken dat bijna tweederde (!) van de dienstdoende predikanten lichamelijk hun sterkste tijd gehad hebben. Neem daarbij eens in aanmerking dat er ruim honderd vakante gemeenten zijn. Deze kunnen niet allemaal een predikant onderhouden maar er zijn ook gemeenten bij die zo groot zijn dat ze gemakkelijk door twee of drie predikanten gediend zouden kunnen worden.
Is het teveel gezegd als we dit een noodsituatie noemen? Je kunt zeggen: „Was het vroeger, neem 40 jaar geleden, beter? " of „Er zijn altijd al weinig predikanten geweest." Vraag liever: „Hoe moet dat toch over een jaar of tien? "
'Het geloof is uit het gehoor' en 'Hoe zullen ze horen zonder die hun predikt? '. Lees Romeinen 10 maar. De Heere kan en wil ook de leesdiensten gebruiken, maar die zijn en blijven toch een noodmiddel (in dubbel opzicht).
Wat dan?
Opzien tot de HEF.RE. Paulus schrijft in Efeze 4 vers 11:
„En Dezelve (d.i. de verhoogde Christus) heeft gegeven (....) sommigen tot herders en leraars".
Hemelvaartsgeschenken, zo zou je deze herders en leraars wel kunnen noemen.
Is het niet het woord van de Heere Jezus Zelf. als Hij zegt:
„Bidt dan de Heere des oogstcs dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote"? (Matth. 9:38).
De Dordtse Leerregels geven het zo aan: „En opdat de mensen tot geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil cn wanneer Hij wil; ...." (Hoofdstuk I. art. 3). Samenvattend: dc HEERE geeft, stoot uit, zendt en roept de arbeiders.
Wat houdt deze roeping in?
Wilhelmus a Brakel schreef in 1700 al in het boek 'Dc Redelijke Godsdienst' het volgende:
„Tot de inwendige zending behoort niet een buitengewone inspraak Gods. God doet dat nu niet of zeer zelden en men heeft daarop nu niet te wachten; daar zijn andere zaken waardoor men van zijn inwendige roeping overtuigd kan worden. Hiertoe behoort:
1. Een kennis van het ambt en wat het inhoudt een dienstknecht van Christus, de mond des Heeren te zijn. dat grote evangelie te verkondigen, onwetenden de weg deizaligheid te leren, mensen den duivel te ontrukken en te brengen tot Christus; de bedroefden te troosten, tragen op te wekken, afgedwaalden weer terecht te brengen, geveinsden en tijdgelovigen aan zichzelf te ontdekken; de waarheid tegen de dwalingen te verdedigen, goddelozen te bestraffen, ergerlijken te helpen weren van en uit te werpen uit de kerk, de kerk luister toe te brengen, opdat ze door heiligheid deibelijders een eer van Christus zal zijn; zelf een voorbeeld te zijn. in staat te zijn om rekenschap te kunnen geven wegens de toevertrouwde zielen. Die deze en dergelijke zaken in de grond en in hun gewicht niet kent. hoe kan hij voornemen, getrouw te zijn? Dit moet men kennen, overwegen en gevoelen zal men bewust zijn van zijn roeping.
2. Enige kennis van zijn bekwaamheid tot dat werk. Niet alleen, dat hij de goddelijke waarheden grondig verstaat en zich met een beschouwende kennis tevreden houdt, maar dat hij de kracht daarvan in zijn hart gevoelt en daardoor bekeerd is, zodat hij uit eigen bevinding kan spreken (....).
3. Een bijzondere liefde tot Christus om Hem bekend te maken, tot de kerk om die als een reine maagd Christus toe te bereiden en haar rot eer van God te doen blinken in licht en heiligheid, tot de zielen zowel van de onbekeerden om ze uit het vuur te rukken als van de bekeerden om ze te versterken, te troosten en gedurig zielevoedsel te geven.
4. Een gewillige verloochening van al wat aards is, van eer, van goederen, ja van leven zelfs. Is hij van geringe stand en beoogt hij door het predikambt in aanzien te komen en goederen te verkrijgen die is in hel gehele einde mis; hij was gelukkiger dat hij een schoenlapper werd, want in mijn ogen is er geen gruwelijker mens dan een onherboren predikant die de heilige dingen Gods gebruikt tot zijn eigen belang.
5. Een grote lust tot dat werk (1 Tim. 3 vers I). Gedurige prikkelingen om zich tot dat werk aan de Heere op te offeren. Bekommeringen of hij al geroepen wordt. Benauwdheid over bijoogmerken als ze in het hart opkomen, die gedachten doen hebben om het werk te laten staan, als de zwaarte van het werk en zijn onbekwaamheid hem tegen het werk doen aanzien en in hem een genegenheid verwekken om van het werk ontslagen te mogen zijn zoals Mozes en Jeremia; maar dat de prikkelingen evenwel blijven en de tegenredenen overwinnen zodat hij voor de Heere meer vrijheid heeft en zich gewilliger bevindt dan te voren, omdat hij door de tegenredenen de grond van zijn hart helderder ziet dan te voren, en dat zijn hart hem niet veroordeelt, maar overtuigt van zijn oprechtheid in dezen."
Dit is een heel lang citaat, maar het overdenken meer dan waard. Lees het desnoods nog maar een keer over voor dat je verder leest.
Let er op dat een begeerte of een verlangen om predikant te worden net zomin als het bezit van gaven of talenten ertoe voldoende is.
A Brakel spreekt over een beleving van de Goddelijke waarheden, dus een beoefening van de godzaligheid cn over een bijzondere liefde tot
Christus, de kerk en dc naaste.
Iemand dus wiens hoogste begeerte niet speciaal beperkt is tot het dominee-worden, maar om voor dc kerk en de naaste tot zegen te zijn ook al zou daar de meest geringe arbeid aan verbonden zijn.
Verder is er sprake van een innerlijke zielestrijd ol" het de wil des Heeren is of alleen maar eigen begeerte is.
En. om maar niet meer te noemen, benauwdheid over de bijoogmerken als ze in het hart opkomen. Benauwdheid niet in de zin van angst, maar van droefheid, smart omdat we geen ogenblik onszelf zijn toevertrouwd vanwege onze verdorven natuur en omdat het alleen genade is als we eens echt Gods eer mogen bedoelen.
Ieder die zich tot dienaar van het Goddelijke Woord geroepen 'voelt', moet zich van deze zaken terdege rekenschap geven van zijn beweegredenen om zichzelf tc toetsen en om die door anderen te kunnen laten onderzoeken. Dat is nuttig en ook nodig, want cr komt op de ambtelijke dienst heel wat af, zeker in deze tijd.
Het mag en kan nooit onze bedoeling zijn om het tekort aan predikanten op te lossen door aan de noodzaak van het geroepen zijn ook maar iets af te doen.
Bid
Denk nog even terug aan wat de Heere Jezus gezegd heeft: „Bidt dan de Heere des oogstes...."
Is het niet hard nodig tot zulk bidden aan tc sporen? Heeft de Heere dan geen pleitgrond gegeven in Zijn Woord als Hij zegt: Het zaad zal Hem dienen, het zal de HHHRH aangeschreven worden tot in geslachten; zij zullen aankomen en Zijn gerechtigheid vermelden den volke dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft" (Psalm 22:31 en 32).
Het is eerder voorrecht dan opgave met deze dingen biddend bezig te mogen zijn en dc Heere doet dat ook wel eens ervaren in het hart als Hij tot zulke bidders zegt: Ik heb tot het huis van Jakob nooit gezegd: oek Mij tevergeefs" (Jes. 45:19).
.... en werk
In Handelingen 6 lezen wc hoe de apostelen ambtsdragers aanstelden. Vers 3 - „Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestcs en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak."
En Paulus schrijft in 2 Tim.
2:2 - „En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke
bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren."
Leeft dat 'Ziet dan om....' eigenlijk wel onder ons?
Wordt de dienst des Heeren aangeprezen aan de kinderen door de ouders cn op de catechisatie? En wordt er dan ook op gewezen welk ccn voorrecht het is om ambtsdrager te mogen zijn?
En hoe is het op huisbezoek? Spreken de ambtsdragers wervend voor de dienst in Gods kerk? Is het hun gebed, ook in aanwezigheid van dc betreffende jongcn(s) of jongeman(nen), of de Heere hem (hen) wil uitstoten in de oogst?
En spelen deze dingen van Gods Koninkrijk een rol bij de keuze van school en van vakkenpakket?
Tenslotte, ben je er zelf mee bezig, en hoe?
Is het jouw verlangen en bede dat de Heere anderen roepen wil? Of mag er in je eigen hart een begeerte zijn tot dc dienst in Gods kerk?
Lees dan eens aandachtig Jesaja 6. In dat hoofdstuk gaat het over dc roeping van de profeet. Op de vraag van de Heere 'wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons henengaan? ', antwoordt Jesaja: ..Zie. hier ben ik. zend mij henen."
Vraag om licht, leiding en duidelijkheid van Boven. ..De ogen houdt mijn stil gemoed / Opwaarts om op God te letten" (Psalm 25:7).
Wacht op Gods tijd en hoop op Zijn Woord (Psalm 130:5).
Dc Heere is het zo waardig om 'verwacht' te worden en het is zo'n uitstekende voorbereiding voor de ambtelijke dienst; een oefening in zelfverloochening (zie punt 4 van a Brakel) die zo zeer legen ons eigen hoogmoedig bestaan ingaat cn juisi ook in deze tijd tegen de mening van dc wereld om ons heen.
In die wereld is sprake van karricre maken Dat steekt wat schril af tegen Paulus' ambtelijke ervaringen waarover hij schrijft in 2 Kor 6:1-: 10. Daar gaat het over slagen, verdrukkingen, gevangenissen.
Maar cr staat steeds wat tegenover: „droevig doch altijd blijde; als stervenden, doch ziet wij leven; arm, doch velen rijk makende; niets bezittende en nochtans alles bezittende."
En als Paulus tegen het einde van zijn leven terug mag kijken, zegt hij: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid welke mij de Heere de rechtvaardige Rechter in die dag geven zal; en niet alleen mij maar ook allen die Zijn verschijning hebben liefgehad" (2 Tim. 4:7-8).
Hier kan niets ter wereld tegenop, vind je ook niet?
'k Heb and'ren al de rechten van Uw mond
Met lust verteld, hen onderwezen; vlijtig
Uit cd de schat van 't grote wereldrond
Is nooit die vreugd in gemoed gerezen.
Die 'k steeds in Uw getuigenissen vond.
Door mij betracht, en and'ren aangeprezen.
(Psalm 119:7)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1991
Daniel | 32 Pagina's