Gods oordeel over Israëls zonde (2)
Bijbelstudie over Hosea 13:1-5
Lees ook Spreuken 30:7-15!
In de vorige studie zagen we hoe de stam Ffraïm, die een leidende rol speelde in het volksleven van Israël, door de afgoderij is 'gestorven'. Ze hebben ook de beelden vereerd en daarom zal de Heere daar op een snelle manier een eind aan maken. En toch.... hoe donker het er ook allemaal uitzag, de Heere zegt tegen Zijn volk: Ik ben toch de Heere, uw God, van Egypteland af. Dat is nog het enige houvast. F.n tegelijk spreekt dat over de diepe smart van Gods gekrenkte liefde, want als er een volk moest zijn op aarde dat de Heere zou moeten (er)kennen, dan was dat wel het volk Israël. En heeft Israël dat ook gedaan? Het tegendeel blijkt uit het vervolg (vs. 6). Daar beginnen we deze studie mee.
De Goede Herder wordt tot een roofdier (vs. 6-8)
De Heere heeft als een goede herder Zijn volk uit de woestijn opgevoerd en gebracht in de grazige weiden van Kanaan. Israël kreeg rust en vrijheid, ruimte en overvloed. En zo heeft dc Heere na de intocht in Kanaan Zijn liefdevolle zorg voor Israël voortgezet. Zo goed hadden zij het toen. dat de profeet hun overvloed in Kanaan vergelijkt met die van ccn kudde, die door de herder naar een goede weide is gevoerd. Het zijn echter sterke benen, die dc weelde kunnen dragen. Israël kon die overvloed niet aan. Hoe beter ze weidden, hoe meer ze verzadigd werden. Maar, ... eenmaal in die welvaart terecht gekomen, verhief zich hun hart. Zc werden hoogmoedig en dachten dc Heere niet meer nodig te hebben. En ze hebben de Heere vergelen.'
Dat staat hier als een klimax. De ondankbaarheid van Israël jegens dc Heiland wijst precies op het tesenovergestelde van het 'kennen' van God. waartoe het op grond van Gods verbond geroepen was. „Mij vergeten", zo klaagt Israëls Herder cn Heiland. En jij? Welke weldaden heeft God al aan jou gegeven? Zie je hier dal rijkdom en welvaart een groot gevaar in zich bergen? Wal kan een mens toch slecht legen ruimte en weelde. Wat leidt vrijheid toch gemakkelijk tol losbandigheid. Wanneer? Als we dc Heere niet erkennen, maar denken dat we alles aan onszelf en onze inspanning en ijver te danken hebben. Dat wordt juist Israëls ondergang. Omdat ze zo Gods goedheid veracht hebben, is Hij voor Israël geworden van een goede Herder tot een verscheurend roofdier, dat de kudde van Israël bedreigt. Achter dat beeld van die 'heer. die van jongen beroofd i.s" zit enerzijds de diepe smart van God. die door Israël van Zijn kinderen beroofd is. omdat ze het verbondszaad aan de afgoden wijdden. Anderzijds wijsi dit op de razende agressie, waarmee plotseling lui slachtóflci wordt .i.ingcvallen lege-: tnk is dil bet beeld van de totale ondergang. want als de duivel rondgaat als een briesende leeuw om tc verslinden ts er altijd bi| de Heere nog hulp. maar als de Hoeiv AU voor Israël tot een roofdier wordt, is cr nergens anders meer redding te verwachten. Het slot van vers 8 wijst er dus op dat achter al die veroveringen, verwoestingen cn deportaties door de Assyriërs dc slaande hand van de Heere zit. Ze worden 'verslonden', dus er blijft niets van over. Ja. als God tegen ons is. wie zal dan voor ons zijn?
Het machteloze koningschap (vs. 9-11)
Als Israëls enige Helper (vs. 4) zich aan de zijde van de vijanden schaart, blijft er geen enkele hulp meer over. De vertaling van vers 9 levert nogal wat moeilijkheden op. Het meest aannemelijk is: .Ik zal u verderven o Israël, en wie i.s u dan tot hulp? " Spottend vraagt dc Hccre: aar is uw koning nu? U wilde toch zo graag ccn koning? Goed. laat die u nu verlossen. Het i.s duidelijk dat Israël in geen van zijn steden ook maar enige redding van zijn koning te verwachten heeft. Daaruit blijkt dat het hele grondgebied van Israël door dc vijand is bedreigd en misschien al voor ccn deel in handen van de vijand is gevallen. Dat kan cr op wijzen dat het beleg van Samaria al is begonnen. Ook dc richters van wie het volk zoveel verwacht had. hebben geen enkele macht meer in de door de Syriërs bezette steden. Reeds in dc dagen van dc strijd tegen de Filistijnen hebben dc Israëlieten om een koning gevraagd, zo zegt Hosea in vers 10b met een vrij citaat van 1 Samuël 8:6. maar reeds toen was het verlangen naar een koning een miskenning van Israëls enige Koning, namelijk de Hccre. Reeds toen stond de Heere het
koningschap wel toe. maar.... in Zijn toorn over de verwerping van Zijn koningschap. De wens van het volk werd hen niet tot zegen maar tot straf. Hoe veel tc meer gold dat voor het verdorven koningschap uit Hosea's tijd. Die koningen liggen allemaal in de lijn van Saul. die God verwierp en door God verworpen werd. Zo wijst Hosea met die oude historische woorden op hel revolutionaire koningschap van het noordrijk en met name dat van de vorsten na Jerobeam II. Zelf afhankelijk van de hun steunende partij en de moordenaars van hun voorgangers, konden zij niet eens orde en rust in eigen land scheppen, laat staan dat ze hulp konden bieden in dc bedreiging door het Assyrische wereldrijk. Maar dat eigenmachtige koningschap neemt de Heere ook weer weg door die gewelddadige partijstrijd en revoluties. Achter de ellende, die Israël met het steeds maar veranderen van koning over zich haalde, slak dus uiteindelijk de werking van Gods toorn en verbolgenheid. Dit koningschap was niet in Zijn gunst. Hij liet koningen de troon beklimmen, maar nam ze zo ook weer weg. Het einde van dit koningschap nadert echter snel. Het zal spoedig worden weggenomen door de Assyrische veroveraar. Er is echtereen Koning, die eeuwig regeert.' Dat is Koning Jezus! Is Hij jouw Koning al geworden'? Israëls koningen in de tijd van Hosea waren machteloze koningen. Deze Koning is almachtig en Hij regeert rechtvaardig, wijs en zacht.
Een aangrijpend archief (vs. 12)
Wc kennen allemaal wel een archief, waarin heel belangrijke dokuinenten, die niet verloren mogen gaan. worden opgeborgen. Zo doet de Heere dat ook met de zonden van Israël. Al had de Heere in het jongste verleden van Israël reeds straffend ingegrepen, het definitieve oordeel zou voorlopig nog opgeschort blijven.
De Heere vergeet hun schuld en zonde echter niet. Hij bergt ze zorgvuldig op in Zijn archief. Zijn gedenkboek. Niets raakt bij Hem in het vergeetboek. Zoals wij een aantal losse dokumenten samenbundelen in een ordner, zo heeft de Heere Efraïms ongerechtigheid samen gebonden. opgeborgen. Vers 12 spreekt over de gewoonte om kostbaarheden, met name kostbare dokumenten in een hoes te wikkelen en eventueel te verzegelen om ze op die manier voor verlies en bederf te bewaren. Soms gebeurde dat in verzegelde potten. Dc opgravingen in Qumran bewijzen dat die opgerolde papyrusrollen na duizenden jaren nog goed te lezen zijn. Dat betekent dat God een schuldregister heeft waarin al Israëls zonden zijn opgeborgen: de ongeloofspolitiek. de handelszonden, de ondankbaarheid. het dienen van de Baals en de kalveren en noem maar op. Wat een geweldig dossier, bijeengebonden en opgeborgen bij God. Denk jij daar wel eens aan'? Ook van jou heeft de Heere een zon den register bijgehouden. Dit is niet maar een invallende gedachte van Hosea. maar deze gedachte vindt overal in de Bijbel steun. De boeken zullen geopend worden en hetgeen in de boeken geschreven is. Ook al onze heimelijke zonden komen dan aan het licht. Heeft dat je hart nog nooit bezwaard'? Durf je de oordeelsdag aan zonder ooit in het reine gekomen te zijn met God'? God houdt de volle maat van Israëls zonde en van jouw zonde in gedachtenis tot de dag van de afrekening komt. Maar weet je wat hier ook nog vertroostend is? In vers 12 zit ook iets van het 'nog niet' van de straf, iets van het goddelijk geduld, dat het gericht opschort.
De Heere is nog lankmoedig over ons. Hoe kan dat? Omdat het kruis van Christus op Golgotha gestaan heeft. Hij is tot zonde gemaakt. Al de zonden werden samen gebonden en op Hem gelegd. De Heere heeft aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt. Hn alleen daarom kan God om Zijnentwil alles vergeven en vergeten. Ik ben het die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet. Hij heeft het handschrift der zonde dat tegen ons getuigt, uitgewist aan het vloekhout der schande.
Zoek Hem toch. Geloof Zijn heil-en troostrijk woord. Dan zal in de oordeelsdag blijken, dal God al onze ongerechtigheden achter Zijn rug geworpen heeft in een zee van eeuwige vergetelheid. Is het ook jouw hartewens om dat voor jezelf te mogen weten'? Wat een verschil, of je ongerechtigheid is samengebonden en je zonde is "opgelegd" tot de oordeelsdag, of dat je weten mag dat je in hel gericht van God zult vrijgesproken worden als je Hem hier hebl leren kennen als schuldovernemende Borg. Dan is de oordeelsdag geen verschrikking, maar mag je Hem 'met opgerichten hoofde uit de hemel verwachten' om in zijn 'hemelse blijdschap en heerlijkheid' te worden opgenomen (H.C. vr. 52).
Vlissingen. ds. C.G. Vreugdenhil
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 februari 1991
Daniel | 36 Pagina's