Net op tijd
(deel 2)
Het kleinste hondje. Sip. steekt zijn kop omhoog. Hij ziet de jongens cn rent naar dc rand van de ijsschots. Maar daar is hel donkere water. Hij kijkt aarzelend naar zijn baasje. Poeda heeft hen ook gezien. Hij plonst gelijk in het water en jankt zachtjes van de kou. Toch zet hij braaf door. Hij kijkt even om cn blaft naar Sip. „Kom ook!" En dan glijdt Sip ook voorzichtig in het water. Hij zwemt veel vlugger dan Poeda. maar toch blijft hij trouw naast zijn vriendje zwemmen.
Bibberend klemmen ze zich met hun pootjes aan de rand van de ijsschots. De jongens trekken ze direkt vlug op de kant. Niko trekt zijn jas uit en wrijft Poeda droog, en Karan doet hetzelfde met zijn hond. Sip. Karan bibbert cn doet gauw zijn jas weer aan. Maar dat is Sip niet naar zijn zin. Jankend kruipt hij bij Karan op schoot en wringt zich onder zijn jas. Karan denkt al niet eens meer aan zijn hond. Die wordt zo wel warm. Hij kijkt nog eens angstig om zich heen. Ineens begint Niko te snikken.
„Hoe moeten we nou thuis komen. Karan'? !". vraagt hij wanhopig. „Wc kunnen nooit naar die ijsschots daar springen." Hij wijsl naar het ijs dat het dichtst bij is.
Karan schudt zijn hoofd. „Nee. wc zullen hier moeten wachten. Misschien drijft onze ijsschots wel naar een ander sluk ijs toe. Dan kunnen we springen. En anders vinden vader en de mannen ons heus wel hoor", probeert hij zijn broertje gerusl te stellen.
Niko veegt zijn tranen af. De twee kleine jongens zitten dicht legen elkaar. Hun hondjes liggen op hun schoot. Om hen heen bonkt en kraakt het ijs. De zon gaat onder. Ze zijn helemaal alleen, ver van huis. Wat nu?
In de hut zitten vader, moeder, grootmoeder en Salina. Salina is het kleine zusje van Karan en Niko. Ze zitten gehurkt om het warme vuurtje. Er hangt een grote ijzeren pan boven. Die vindt moeder toch zo fijn. Die kreeg ze van de vreemde zendeling met het witte haar. Vader kijkt ongedurig op. „Waar blijven de jongens nou? ", moppert hij. „Gisteren waren ze ook al te laat." „Maar zo laai zijn ze nog nooit geweest", zegt moeder een beetje ongerust.
..Nee. ze zijn elke dag later", bromt vader, „ik rammel van de honger. Laten we maar gaan eten hoor; ze komen zo wel."
Moeder steekt een paar stenen lepels in de soep. „Ze zullen wel verdwaald zijn", zegt grootmoeder.
„Hadden ze mij vanmorgen maar niet moeten plagen", bromt ze.
„Plagen? ", herhaalt moeder verschrikt. „Hebben ze u dan geplaagd? "
..Ja zeker", knikt grootmoeder. „Ze hadden m'n schoenen uitgedaan toen ik sliep en ze verstopt. De watergeest zal hen vast straffen. Schande is het. om een oud mens zo tc plagen." Ze schudt verontwaardigd haar hoofd.
Moeders hart bonst angslig. maar ze laat niets merken. Ze probeert wal soep tc eten. maar ze heeft helemaal geen trek. Ze zucht. Vader ziet het wel. „Als ze met zonsondergang nog niet terug zijn. haal ik de andere mannen wel, cn dan gaan wc zoeken", probeeit hij haar gerust te stellen. Moeder knikt dankbaar.
Een half uur later is iedereen klaar. Vader kijkt naar buiten. De lucht is rood, de zon gaat onder. „Ik ga de mannen halen", besluit hij. Hij kruipt door de tunnel en moeder, grootmoeder en Salina blijven alleen achter.
Op een grole witte ijsschots zitten Karan en Niko. Niko geeuwt en gaat tegen zijn broer aanliggen. Hij trekt Poeda naar zich loe. Zijn ogen vallen dicht. Karan kijkl bezorgd naar hem. „Ik laat je maar heel even slapen hoor. anders word je te koud", zegt hij.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1991
Daniel | 32 Pagina's