Onesimus,
de weggelopen slaaf
deel 2
Er waren in die tijd zeven wereldwonderen. Eén ervan is deze afgodstempel. In dit gebouw wordt het beeld van Diana bewaard. Het is uit de hemel gevallen zeggen de mensen en je moet het eren en offers brengen. Elk jaar gaan er duizenden mensen heen en als herinnering kopen ze een klein zilveren tempeltje bij één van de zilversmeden, of soms ook wel een munt met de beeltenis van Diana.
Zou Onesimus naar deze beroemde stad gaan? Och welnee. Onesimus weet zelf niet waar hij heen zal gaan. Zijn meester heeft geen boodschap voor hem. Hij is.... weggelopen. Oh.... waarom? Heeft Filémon hem geslagen? Is hij soms gegeseld? Dat gebeurt toch niet meer in dat rijke koopmanshuis? Filémon is toch christen geworden? Een échte christen? De Heere heeft hem immers een nieuw hart gegeven? Hij weet nu toch, dat slaven ook ménsen zijn en geen dieren? Wel. Onesimus is niet geslagen, zijn meester heeft hem niet gegeseld. Onesimus had helemaal geen reden om weg te lopen. Maar waarom vlucht hij dan? Waarom loopt hij dan steeds verder van Kolosse vandaan? Zullen we het hem eens vragen?
„Onesimus, waarom ga je bij je meester vandaan? Waarom loop je weg? ”
„Ik wil vrij zijn en daarom ben ik weggelopen. Bij Filémon moet ik altijd doen wat me opgedragen wordt en daar heb ik geen zin meer in. Ik wil mijn eigen baas zijn. Die kleine prediker, die vriend van mijn meester heeft zo dikwijls over vrijheid gesproken en dat heb ik goed onthouden. Ik wil vrijheid.”
Maar Onesimus. dat kan toch nooit op de manier zoals jij dat wil. Jc behoort immers je meester toe. Als de gerechtsdienaars er achter komen, dat je een weggelopen slaaf bent, pas dan maar op. Ze zullen je gevangen nemen en er wacht je een verschrikkelijk lot. Ze kunnen je voor de wilde dieren werpen en je wordt levend verscheurd. Of misschien moet je vechten in de arena tegen iemand, die sterker is dan jij en veel beter gewapend. Dan zul je vast en zeker verliezen. Onesimus. Of wie weet, zullen ze je brandmerken. Je krijgt dan een „F" op je voorhoofd gebrand. De „F" van fugitus (voortvluchtig). Keer terug kerel, 't is nog niet te laat. Niemand weet van je vlucht, niemand heeft gezien, dat jij je meester nog bestolen hebt ook. Je hebt nog gauw wal weggepakt hè? Jc moet toch leven? Toe. Onesimus, je loopt je ongeluk tegemoet.
Door de drukke straten van Rome loopt een groepje soldaten. Ze hebben zojuist een aantal gevangenen afgeleverd bij de overste. Ze hebben hun plicht gedaan, hun opdracht vervuld en zijn nu vrij vandaag om te gaan en te staan, waar ze willen. Samen praten ze nog wat over de lange reis. die ze gemaakt hebben.
Eerst per schip vanuit Rome naar Cesarea, een stad in het land van de Joden. Een Romeinse kolonie. Daar moesten ze een man halen, die al twee jaren gevangen had gezeten. Die man had zich op de keizer beroepen en zij moesten hem met nog enkele andere misdadigers naar Rome brengen. Het was hun werk, boodschappen te doen voor de keizer. Soms waren ze maandenlang van huis. Ook deze reis had lang geduurd. Een wonderlijke tocht was het geweest. Die gevangene uit Cesarea, Paulus heette hij. was eigenlijk de hoofdpersoon geweest. Als hij er niet bij was geweest waren ze nooit veilig in Rome aangekomen. Hij had hen voor een groot ongeluk bewaard. Of nee. Paulus niet, maar de God van Paulus. dié had hen bewaard. Ze zullen deze tocht niet gauw vergeten.
Tussen de passagiers, die in Putéoli aan land gaan. bevinden zich heel wat soldaten. Ze zijn boodschappers - koeriers - van de romeinse keizer. Hun hoofdman heet Julius. Tussen hen in lopen gevangenen, de handen geboeid op de rag. Julius en zijn politiesoldaten weten, dat de dood hem wacht, als ze één van deze misdadigers zullen laten ontsnappen. Daarom bewaken ze hen zorgvuldig. Wat apart, omringd door een groepje mensen, loopt een kleine man. Hij is ook een gevangene! Maar. waarom loopt hij dan niet tussen twee soldaten? Waarom is het net alsof ze niet op hem letten? Zou hij niet zo'n groot misdadiger zijn als die anderen? Zou het niet erg zijn. als hij ontsnapt? Wie zou die kleine man zijn? Hoe zou hij heten?
Ja. wie zouden zc toch zijn, die jonge, die rijke en die kleine man? Zouden ze zomaar toevallig in één verhaal genoemd worden? Horen ze soms bij elkaar? Wie zouden het zijn? Hoe zouden ze heten?
In het huis van Kolosse is een heel gezelschap bijeen. Allen luisteren naar een man. die met rastige stem iets voorleest uit een rol papier, uit een boekrol.
(wordt verwlgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1990
Daniel | 32 Pagina's