Gods reddende liefde heeft toch de overhand (l)
Bijbelstudie over Hosea 11:8-11
Lees ook Jer. 18:5-10 en Jcr. 31:2-9!
Wat wint het nu in de geschiedenis van Israël: de ontrouw van het volk of de trouw van God, het gericht of de genade? Zegt God in dit elfde hoofdstuk van Hosea niet „ja en nee" tegelijk? Deze vragen komen wellicht hij je hoven als je het hoof dstuk van deze bijbelstudie nog eens in zijn geheel doorleest. De vorige keer was het thema (over de verzen 1-7) toch duidelijk: Israëls ondankbaarheid verdient Gods oordeel! En nu lijkt het of het allemaal nog wel meevalt. Het thema van deze studie over hetzelfde hoofdstuk luidt immers: Gods reddende liefde heeft toch de overhand! Wat is er nu waar? Het eerste of het tweede? Jonge vrienden, het is allebei waar. Gods liefde is sterker dan de ondankbaarheid van Israël We gaan dat duidelijk zien in het tweede deel van dit elfde hoofdstuk.
Voert God Zijn straffen niet meer uit?
Laten we nog eens even op een rijtje zetten, wat het begin van dit hoofdstuk noemt van Gods grote daden. Hij heeft Israël verkoren en als Zoon aangenomen. Wat een vaderliefde'.
Hij heeft ze uitgeleid uit het diensthuis van Egypte en door de woestijn geleid. Hij leerde ze lopen en nam ze als een klein kind in Zijn armen. Hij trok ze met liefdekoorden en verzorgde ze van al het nodige. Maar wat heeft Israël die God. die zo goed voor hen was. teleurgesteld. Ze dienden toch de afgoden en gingen hun eigen weg. Ze hebben Gods Vaderliefde beantwoord met ongehoorzaamheid en dan komt de aankondiging van de straf. Het zwaard van Assyrië zal hen treffen en zelf zullen ze als gevangenen van de
Assyrische koning worden weggevoerd in ballingschap. En dat zal dan toch wel het einde zijn van Israël? We verwachten toch niet anders meer? !
Goed. en nu zijn nog maar nauwelijks die felle strafgerichten over hen uitgesproken of al deze oordelen schijnen weer geannuleerd te worden door de heilsbeloften in de perikoop van onze bijbelstudie. ..Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? " Gods hart keert Zich om. Hij krijgt berouw. Zijn erbarmen wordt opgewekt. Zal Hij Zijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen? Hij is God en geen mens en zal de stad niet innemen en verwoesten.
Dus het valt allemaal nog erg mee? Waren het alleen maar wat dreigementen, zoals een boze vader wel eens wat hard kan uitvallen, zonder dat hij zijn dreigementen ten uitvoer brengt? Nee. zo is het niet! Er staat niet voor niets bij: ..Ik ben God cn geen mens". Wat van Zijn lippen ging. blijft vast en ongebroken. Maar we proeven hier iets van de worsteling in Gods hart tussen Zijn recht en Zijn liefde.
Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm ? (vs. 8)
Israël heeft Gods oordeel ten volle verdiend, maar toch kan Hij het volk dat Hij lief heeft niet prijsgeven aan de vernietiging zoals vroeger Adama en Zeboïm (met Sodom en Gomorra vgl. Gen. 19:24) in Zijn toorn onderste boven zijn gekeerd. Zo'n straf zou Israël ook verdiend hebben, maar zo'n totale vernietiging is voor het uitverkoren volk van God toch een onmogelijkheid. Gods eeuwige liefde en verbondstrouw breekt hier weer door alles heen als Hij Hosea in Zijn naam laat zeggen: Hoe zou Ik u overleveren o Israël en zo totaal vernietigen? ”
Het wat afstandelijk spreken over Israël in de verzen 1-7 verandert hier opeens in de bewogen aanspraak „Hoe zou Ik u overgeven? " Gods liefde triumfeert hier toch over Zijn toorn. En dat wil niet zeggen dat God ze niet straft, want Israël wordt wel in ballingschap gevoerd. Dat gaat gewoon door. Daar neemt de Heere niets van terug. Maar ze gaan niet voorgoed ten onder zoals die genoemde steden, die voor eeuwig onder de vloek van Gods toorn liggen. God straft Israël wel. maar niet naar zijn zonde. In Zijn toorn gedenkt Hij aan Zijn ontfermen. En zelfs nog voor het oordeel van de ballingschap wordt voltrokken, belooft God dat Hij ze niet eindeloos zal kastijden en ook niet eeuwig Zijn gramschap zal doen lijden. De in dit hoofdstuk aangekondigde straffen zijn bedoeld als tuchtmaatregelen om Israël tot inkeer te brengen.
En daarom gaan die wel door. maar God zal ze niet definitief uitleveren aan de totale vernietiging.
Zeker, Israël zou dat wel dubbel en dwars verdiend hebben en hun goddeloosheid was ook niet minder groot dan van die goddeloze steden Sodom en Gomorra. en je kunt ook niet zeggen dat de Heere de kinderen Israëls er te lief voor had. Nee. er is een andere reden: God had er Zichzelf te lief voor! Hij zou erdoor met Zichzelf in konflikt komen. De verkiezing van Israël zou er mee staan of vallen. Gods
beloften in Christus zouden ermee staan of vallen. En dat is de reden, waarom Israël niet totaal wordt vernietigd. Om Christus' wil! Gods berouw en j barmhartigheid waarvan ook in ; dit vers sprake is. vinden hun grond alleen in Christus.
Voor Hem was er geen pardon, toen Hij de straf droeg en de toorn stilde. En daarom, jonge vrienden, wie aan het kruis van Christus voorbij gaat. wie het bloed van de Heere Jezus onrein acht, die heeft geen betere toekomst dan die van Adama en Zeboïm. Maar wie Hem need'rig valt te voet. die valt onder de belofte van vs. 8: ..Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tesamen ontstoken".
God kent ook berouw
Hier spreekt God van Zichzelf op mensvormige wijze om de grootheid en onbegrijpelijkheid van Zijn barmhartigheid uit te drukken. Dc Heere verandert ! van gezindheid voor het oog der mensen. Hij voert bepaalde aangekondigde straffen niet uit. omdat Zijn liefde hel wint van Zijn toorn.
Hij spreekt nu niet meer woorden, die wijzen op Israëls ondergang, maar op hun behoud. Als Hij voor Zich ziet hoe al die aangekondigde straffen zijn ingetreden, ontvlamt Zijn goddelijk medelijden. En dan zegt Hij dat Hij „de hittigheid van Zijn toorn niet zal uitvoeren".
Zo is nu de God van Israël! Zijn oordeelswoord is nooit een bezegeling van een onafwendbaar noodlot, zodat God de gevangene zou zijn van Zijn eigen besluiten. Nee, God blijft Heere. ook over zijn uitgesproken oordeelswoord. Hij behoudt Zich de vrijheid voor om op hel woord van Zijn oordeel terug te komen. Dat zie je ook in de geschiedenis van Ninevé. God had gezegd over 40 dagen Ninevé te verwoesten, maar die mensen bekeerden zich van hun boze weg. En dan staat er: „Het berouwde God over het kwaad dat Hij gesproken had hun te zullen doen. en Hij deed het niet". Is God dan veranderlijk? Luister jonge vrienden. Hij is onveranderlijk in Zijn trouw en Zijn raad. maar tegelijkertijd is Hij de levende en bewogen God!
Zeker. God is onveranderlijk in Zijn heiligheid en barmhartigheid. in Zijn rechtvaardigheid en genade, maar Hij is tegelijkertijd bewogen met de nood van Zijn volk. God is geen noodlot, waar geen bidden meer helpt. Waar jij buigt onder Gods oordelen en God bijvalt in Zijn recht en je eigen doodvonnis ondertekent, daar gaat de poort van het evangelie open. God verandert op het noodgeschrei! Hij is geen dreigend onveranderlijk noodlot. Hij laat geen bidder staan.
In onze perikoop ontstaat „Gods berouw" niet eens op het bidden en smeken van mensen, zoals in Ninevé. Anders zouden we nog kunnen denken dat die boetvaardigheid een voorwaarde is voor Gods berouw. Hier neemt de Heere uitsluitend redenen uit Zichzelf. Het is Zijn eeuwige liefde, die het wint van Zijn toorn. Zo staat het ook in hei begin van vs. 9.
God is de Heilige (vs. 9)
Ik zal de hittigheid van Mijn toorn niet uitvoeren. Daarin blijkt direkt dat Gods „hart in Hem is omgekeerd" en dat het „Hem berouwt". De Heere zal Zijn vroegere beloften aan Efraïm toch niet ongedaan maken (vgl. 2:8). God neemt de roeping en aanneming van Israël niet meer terug. Hij moge Zijn volk tuchtigen, zoals een vader zijn zoon straft, maar die tuchtiging zal niet de definitieve vernietiging van het volk betekenen. God blijft getrouw aan Zijn eens geschonken liefde, ook al is die liefde door Israël telkens teleurgesteld en met ongehoorzaamheid beantwoord.
En waarom ziet God nu toch af van de uitroeiing van Zijn volk? Komt dat omdat bij Hem de ene keer Zijn toorn overheerst en de andere keer Zijn liefde? Nee! Zo is God niet. Al Zijn deugden zijn één in Hem. Het gaat hier. als er gesproken wordt over het berouw van God. niet om een onbestendige opwelling, die in strijd zou zijn met Gods heiligheid. Een dergelijke verkeerde gedachte, die zou kunnen opkomen, neemt de Heere Zelf weg door direkt aan het spreken over Zijn berouw en Zijn „omgekeerde hart" als een soort argument toe te voegen: ..want ik ben God en geen mens. de Heilige in het midden van u".
God is heilig in Zijn liefde. Daarom laat Hij Zijn toorn varen, niet hoewel, maar omdat Hij de Heilige is. Daarom zegt Hij ook: Ik ben God en geen mens. Een mens zou bij al die ontrouw al lang gezegd hebben: Ik geef mijn liefde op en ik trek mijn beloften in. Maar daar is nu Jehova God voor. de Heilige, die juist als de Heilige Zijn liefde vasthoudt en aan Zijn verbond gedenkt.
De kanttekenaar bij de Statenvertaling tekent hier zo mooi aan bij de woorden „Ik ben God en geen mens": Ik ben waarachtig en onveranderlijk in Mijn beloften. Daarom vervolgt vs. 9 ook met de woorden: „en Ik zal in de stad niet komen", namelijk zoals God eertijds kwam in de stad Sodom om haar totaal te vernietigen.
Ik moet hier stoppen in verband met de lengte van deze studie. Volgende keer pakken we hier de draad weer op bij die heiligheid van God. We mogen echter nu alvast weten, dat het hier gaat om een machtig evangelie, namelijk dat God wel toornt over de zonde, maar dat Hij tegelijk in Christus barmhartigheid wil bewijzen. En daarom is er aan de voeten van deze heilige God toch nog plaats, ook voor jou!
Vragen
1. Waaruit kun je duidelijk merken dat er een grote overgang is tussen de verzen 1-7 enerzijds en de venen 8-11 anderzijds'.' Let onder andere op de direkte rede. die in vs. 8 begint. Waaraan geeft dat uitdrukking?
2. In vs. 8 lezen u'< ? dat „Gods berouw ontstoken is". Wat wil liet zeggen dal God berouw kent? Vgl. ook Gen. 6:6. Is God dan niet onveranderlijk? Je hebt Jer. 18:5-10 gelezen. Welke les kun je daaniit halen mei betrekking lot het berouw van God.?
3. Moei je nu vlgs. va 9 schrikken voor Gods heiligheid, of is hel hier vertroostend bedoeld? Hoe zit hel nu mei die deugden van Gods heiligheid en loom enerzijds en Zijn liefde en barmhartigheid anderzijds? Klopt dal wel mei elkaar?
4. Wal bedoell de Heere le zeggen in v.s. 9 mei de woorden: „Ik ben God en geen mens”?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1990
Daniel | 32 Pagina's