Ik zag een visje
Ik zag een visje op het strand, het was in doodsnood, op de rand van 't water, van zijn levensbron maar waar het zélf niet komen kon.
Het hapte en het sprong omhoog, maar ach, het was dl lucht, at droog, en 't scherpe zand heeft het verwond bij ied're landing op de grond.
Toen kwam een grote golf der zee en nam dat visje met zich mee, het werd nog net op tijd gered, de zee genas en voedde het.
Toen ik dat visje daar zo zag, zo worstelend, toen dacht ik: „Ach, zo is het met een mensenkind vóór dat de Heere God het vindt.
Een mens, gevallen builen God, blijft vechten om te teven, tot hij uit zijn onmacht wordt getild en God zijn hunkeringen stilt,
en hij, gewassen van het vuil, genezing vindt voor wond en buil, en zwemt in 't blij geheimenis: God, Die een zee van geven is."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1990
Daniel | 32 Pagina's