Vrij
Een koude, gure novemberdag. Anton van Rijn voelt de kou niet. Met een glimlach om zijn mond fietst hij door de vrij stille straten van Rotterdam. Nellekc. een van zijn kinderen, is vandaag jarig. Wat was ze blij met de jurk die moeder gemaakt had van ccn oud gordijn! Maar de grootste verrassing was een schaal met oliebollen geweest. Kleine Arie had rond de tafel gesprongen: ..Nou isse feest hè. nou isse echt feest! Mag ikke nou al oliebol? ", had hij gevleid.
Maar moeder had ze allemaal de keuken uitgestuurd. ..Vanavond, dan is het feest. Tot zo lang zullen jullie geduld moeten hebben". Er waren zorgen, veel zorgen. De tweede wereldoorlog duurde al ruim viereneenhalf jaar. Meer dan eens gingen de kinderen met hongerige magen naar bed. Toch had hij dat alles even van zich af kunnen zetten die ochtend. Al hobbelend fietst hij verder, zo in gedachten, dat hij opschrikt als hij opeens een waarschuwende stem hoort: „Op het Noordplein worden alle mannen opgepakt". |
Anton schrikt geweldig, kijkt wat verdwaasd om zich heen. Waar is hij eigenljk precies? O. de Koninginnekerk. Gejaagd stapt hij af. Kalm blijven, vermaant hij zichzelf, geen paniek. Z'n fiets, wat moet hij daarmee? Wacht, die geeft hij af bij Klaas, de schoenmaker. En hijzelf? Bakker Buyten, flitst het opeens door hem heen. Binnen enkele minuten is alles geregeld. Buyten is een man van weinig woorden. Anton wordt tussen de meelbalen gestopt en met een: „Als de kust veilig is. geef ik wel een seintje", verdwijnt de bakker.
De uren duren lang. De glimlach is van Antons gezicht verdwenen en heeft plaats gemaakt voor een grimmige verbetenheid. Vrij wil hij zijn. vrij! Om elf uur steekt de bakker zijn hoofd om 't hoekje van de deur: „Hier in dc buurt is het nu rustig, maar 'k weet niet hoe het in andere wijken is". Stijf van het zitten en verlangend naar vrouw cn kinderen, staat Anton op. „Ik ga. ja. ik doe wel voorzichtig. Bedankt voor alles".
Diep de buitenlucht inademend. loopt hij even later door de verlaten straten. De bakker kijkt hem hoofdschuddend na. Hij had beter nog even kunnen wachten. Anton kijkt niet meer om. Zijn hart hamert met zware slagen. Het is stil op straat, beangstigend stil. Gelukkig, nog een paar straten en hij is thuis. Zijn fiets haalt hij later wel op. Een felle windvlaag doet hem even wankelen. Om de hoek van de straat zal hij meer beschut lopen. Beschut? Hij loopt regelrecht in de armen van een Duitse soldaat. Vluchten heeft geen zin. de soldaat houdt het geweer in de aanslag.
Binnen een halfuur staat er een rij van honderdvijftig mannen. Van sommige gezichten zijn de emoties af te lezen, anderen staren somber voor zich uit. ook Anton. Opeens een stem: „Anton. pak aan en..." Dc rest van de woorden gaat verloren door het laarzengcstamp van een soldaat die een vrouw. Antons vrouw, ruw wegduwt. Anton kijkt haar na. niet in staat om iets te zeggen of te doen. Dan is ze de hoek van dc straat om cn ziet hij haar niet meer. Pas na enkele minuten heeft hij er erg in dat hij iets in zijn hand houdt: Een zak met oliebollen. Nelleke! Geen feest vanavond. Hij is een gevangene! Even bewegen z'n kaken krampachtig.
Er klinken bevelen. De rij zet zich in beweging. Waar naar toe? Naar de militaire kazerne, wordt er gefluisterd. Zc blijven er maar een paar uur. 's Middags gaat de groep weer op pad. Richting Coolhavcn en dan per schip naar Duitsland, is dc bedoeling. Dc gezichten staan grimmig of verslagen.
Van tegenovergestelde richting nadert ook een groep mannen. Nieuwe slachtoffers van de razzia. Nieuwsgierige blikken gaan over en weer. Is cr soms ccn bekende bij? Plotseling schokt Anton op. Tussen die mannen loopt zijn broer! Denken en doen is één. De groep passeert elkaar rakelings. Anton doet een stap naar links, draait zich een slag om en marcheert met de andere groep... richting kazerne. Na enkele dagen worden ze overgebracht naar het concentratiekamp in Amersfoort.
Leven als een gevangene. Een mensonwaardige behandeling, want waar geen liefde heerst, daar zoekt men tevergeefs naar gerechtigheid. De hele dag moet er hard gewerkt worden. Op de Oud Leusdense hei worden bunkers gebouwd en loopgraven gemaakt. Slagen, schoppen, scheldpartijen.
Het eten? Een bord waterige, beschimmelde soep. Anton walgt ervan. Zijn buurman merkt het.
„Zal ik... mag ik...'? ", vraagt hij wat aarzelend. Anton knikt onverschillig. Buurman grist het bord weg. „Jij bent hier nog niet lang genoeg om tc weten wat honger is", mompelt hij cn daarna slurpt hij de soep gretig op. Geen honger? Antons maag schreeuwt om voedsel, 's Avonds sluipt hij heel voorzichtig richting paardestal. Op de tast zoekt hij zijn weg. Een snelle greep. Ja, hij heeft het, een flinke homp brood. Niet schrokken, maant hij zichzelf, kauwen, langzaam en goed kauwen. Teruggekomen bij de anderen, komt hem een benauwde lucht tegemoet. Het schijnt de andere mannen niet te deren. Er klinkt ruw gelach, er wordt gevloekt. Die mannen veroordelen? Anton voelt de wens in zich opkomen om er bij te gaan zitten, om mee tc doen, om alle ellende om zich heen te vergeten. Een lichtend licht hoort hij te zijn, maar hij weet dat de duisternis in zijn hart overheerst. Hij zucht onder het juk van de Duitse overheersing. Vrij, wanneer zal hij vrij komen'? Zal dat ooit gebeuren? Zijn hart bruist van opstand.
Die nacht droomt hij. Het is zondagmorgen. Met zijn vrouw cn kinderen gaat hij naar dc kerk. Hij wordt wakker. De werkelijkheid is ontnuchterend. Het is wel zondag, maar hij is in het kamp. Zijn buurman port hem in zijn zij: „Hé, word eens wakker, góéd wakker!" Anton kijkt hem aan: „Man, ik droomde. Ik ging met vrouw en kinderen naar de kerk. Vrij om te gaan en te staan waar je zelf wilt. Moet je je eens indenken!" Er klinkt zoveel niet te onderdrukken verlangen door in zijn stem, dat de ander hem aandachtig aankijkt. Ontvluchtingsplannen, gaat het door hem heen. „Bidt dat uw vlucht niet op de sabbat geschiede", voegt hij Anton toe.
Deze springt verontwaardigd op. „Schei uit! Ga jij dan maar bunkers bouwen, als ik dc kans krijg, probeer ik hier weg tc komen, ook al is het zondag". Ontsnappen? Zo ver was hij eigenlijk nog niet, maar het lijkt wel of zijn kameraad hem net het duwtje gegeven heeft dat hij nodig had. En niet op de „sabbat" vluchten? Juist dan!
”s Zondags is het meestal druk buiten de afrastering van het kamp. Familieleden van de gevangenen en ook wel anderen, proberen de mannen vaak iets toe te stoppen. Dc bewakers laten het oogluikend toe. Op ontvluchting staat de kogel. Gaat men ervan uit dat deze bedreiging, die men ook in de daad omzet zoals al diverse keren is gebleken, de meeste mannen toch voldoende afschrikt? Ontvluchten en de kogel, die twee dingen horen bij elkaar. Anton schuift het eerste naar voren, het tweede schuift hij zover mogelijk weg. Als het begint te schemeren, loopt hij zogenaamd wat doelloos langs het hek. Toch heeft hij heel bewust een bepaalde plaats uitgezocht. Al honderden keren heeft hij daar in gedachten z'n voeten op het prikkeldraad gezet. Binnen een minuut kan hij over de afrastering heen zijn. Het kan, het móét kunnen! Hij knoopt een praatje aan met een vrouw die Langsloopt. Als cr niemand dicht in de buurt is, stoot hij eruit: „Help me. Hou die linkse soldaat in de gaten. Als hij de andere kant opkijkt, zeg dan alleen maar „ja”.
Een flits van begrijpen én angst. Zal ze weigeren? Een moment van haast ondraaglijke spanning, „Het is goed", antwoordt ze tot zijn grote opluchting. Zelf houdt hij de tweede soldaat in de gaten die geïnteresseerd twee meisjes naoogt. Tot het uiterste gespannen wacht hij. „Ja", klinkt het opeens. Nü, snél! Binnen enkele sekonden is hij over de afrastering heen. Over z'n been loopt een diepe bloedige schram, maar hij merkt het niet. Weg moet hij, wég. Niet omkijken, doorlopen. Daar, achter die struiken, iets het veld in, is hij uit het gezicht. Hij dwingt zichzelf om rustig te lopen.
Nog een paar stappen... Een plotselinge schrikbeweging als hij achter dc struiken iets ziet bewegen. Hij begint wat zenuwachtig te lachen als hij bemerkt dat het een jongen en een meisje zijn die alleen maar oog hebben voor elkaar. De jongen, meer verwonderd dan verschrikt, vraagt hem: „Wat gaat u doen? " „Vluchten, wat zou je anders denken? ", stoot Anton uit. Zijn gevangeniskleding verraadt hem.
„Nog een paar meter en u stapt op een mijnenveld", zegt de jongen. Even neemt hij Anton goed op, vervolgt dan: „Komt u maar mee. maar kijk uit".
Via een smal paadje, een loopplank over een sloot, wat dichte begroeiing van kreupelhout, komen ze eindelijk op de verharde weg. 't Is inmiddels bijna helemaal donker geworden. De jongen heeft verteld dat hij de zoon van de kampkok is en dit paadje tussen de mijnenvelden ontdekt heeft. „Blijf hier wachten, ik zorg voor andere kleding", belooft hij. Toch niet helemaal gerust wacht Anton af. maar de jongen komt terug en geeft hem nog wat aanwijzigingen. Anton knijpt zijn hand bijna fijn.
Uren later, na diverse angstige belevenissen, komt hij aan op een onderduikadres. Daar blijft hij tot hij ccn nieuw persoonsbewijs krijgt. De weken rijgen zich aaneen, worden maanden. Anton beleeft die maanden niet. hij ondergaat ze. Hij is weer vrij, maar wat is
vrijheid? Die vraag kwelt hem. Hij zoekt, maar komt niet tot klaarheid. Vrij zal hij pas zijn als dc Duitsers uit Nederland verdreven zijn. En die dag komt! De geruchten worden steeds sterker. Dc dag breekt aan dat vliegtuigen boven het gehavende, geschonden. uitgemergelde Rotterdam voedselpakketten droppen. boven het Kralingse bos. De mensen steken begerig hun handen omhoog. Men juicht.
Anton schreeuwt ook mee, hij schreeuwt zijn keel schor. Er komen nog meer vliegtuigen. Opnieuw laten ze hun kostbare last vallen. Voedselpakketten in plaats van bommen! Anton ziet het met een ongelovige verbazing. Even later schreeuwt en juicht hij weer mee met de massa. Vrij, zullen ze nu eindelijk vrij zijn? Zullen ze eindelijk verlost worden van het slavenjuk?
En dan... opeens ziet hij dat een van de zware pakketten neerkomt op de nek van een man die gebogen staat over een half geopend pak. De man valt, zijn hoofd knakt opzij. Anton hoort een doordringende gil: „Hij is dood!" Even staat hij roerloos. Die man kent hij! Enkele weken tevoren had hij een gesprek met hem. Hij had gescholden op de Duitsers met niet mis te verstane woorden. „Pas als al die moffen het land uit zijn, dan zullen we echt vrede hebben, dan zullen we echt vrij zijn. Daar kijk ik al jaren naar uit". Op die wijze had Anton zijn hart gelucht.
De man had hem onderzoekend aangekeken. Hij peilde iets van de haat en opstand in Antons hart. „Vrijheid, vrede, jc hebt gelijk, daar kijken we allemaal naar uit. Maar het belangrijkste is om vrede bij God te hebben. Smeek daérom vooral”.
Nóg hoort Anton het hem zeggen. En nu ligt hij daar... dood! Ook hij zag uit naar vrijheid, naar vrede. Zou hij dé vrede gekregen hebben? Dc vrede bij God? Anton vlucht weg. met achterlating van het kostbare voedsel.
En als op 5 mei 1945 Nederland feest viert, de mensen door de straten hossen en hun vreugde uilen in losbandigheid, ligt Anton geknield voor zijn bed. Voor het eerst sinds die razzia in november 1944 druppen tranen uit zijn ogen. Na lange tijd staat hij op. Als hij dc kamer in komt. ziet hij de opgewonden gezichten van de kinderen, luistert naar hun verhalen. Toch merken ze iets aan hem. iets ongewoons. Kleine Arie is de spreekbuis van allen als hij vraagt: „Is papa niet blij? Nu zijn we vrij, papa!”
Anton legt zijn hand op het hoofd van dc kleine jongen. „Papa is heel blij, Arie". Dan volgt er nog meer dat Arie niet goed begrijpen kan. Hij leunt tegen zijn vader aan. duim in de mond. En Antons stem klinkt wal onvast als hij zegt: „Vandaag vieren we de bevrijding. Vrij van de Duitse overheersing. Daar mogen, daar moeten we de Heere dank voor zeggen. Er liggen moeilijke jaren achter ons. vooral het laatste halfjaar. Ik werd gevangen genomen, kwam in opstand, zweeg als 's Heeren naam gelasterd werd, stapelde schuld op schuld. Ik ontvluchtte het concentratiekamp en dacht toen vrij te zijn. Ik had maar één uitzien. De voedselpakketten kwamen. Ik juichte mee. Nu zouden we écht vrij zijn. Een man kwam om. Ik kende hem oppervlakkig. Eens had ik een gesprek met hem. Over de ware vrede cn vrijheid. M'n ogen werden geopend. Nu zijn we vrij, echt vrij. Maar pas als Jezus Christus ons vrijgemaakt zal hebben, dan zullen we waarlijk vrij zijn. Laten we de Heere danken voor Zijn weldaden. Hem danken voor de geschonken vrijheid, maar Hem óók smeken om de ware vrijheid”.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1990
Daniel | 32 Pagina's