„In één woord: we moeten ons diep schamen”
Vraaggesprek met ds. C.G. Vreugdenhil over het tekort aan zendingswerkers en de roeping daartoe
De Heere Jezus heeft het tijdens Zijn omwandeling op de aarde gezegd: „De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige". Dit zei Hij ziende op de vele. vele mensen die vermoeid en verstrooid waren net zoals schapen die geen herder hebben (Matth. 9). Ook voor de zending binnen onze gemeenten geldt dal er weinig arbeiders zijn, dat er een groot tekort is aan zendingswerkers. In een vraaggesprek met de vroegere zendingspredikant ds. C.G. Vreugdenhil proberen we de achterliggende oorzaken en vragen in kaan te brengen: Hoe komt het dat er zo weinig gedrevenheid is? Wat is roeping? Wanneer weet je of de Heere je wil gebruiken in het zendingswerk?
Onlangs verscheen het boek „Zie. Ik zend u" naar aanleiding van 25 jaar zending Gereformeerde Gemeenten. In het woord vooraf schrijft ds. D. Hakkenberg: .. Verontrustend is de geringe aanmelding voor hel werk op de zendingsvelden". Hoe komt her volgens u dat er weinig aanmeldingen zijn? Is dat iets van de laatste jaren?
Ik denk dat dit tc maken heeft met verschillende faktoren. In de eerste plaats het gesettled zijn hier in Nederland. Velen geven toch niet zo gauw een vaste betrekking op in ruil voor een toch altijd wat onzekere situatie op het zendingsvcld. Je moet dus wel een sterk roepingsbesef hebben om die stap aan te durven.
In de tweede plaats zijn de eisen, die aan aanstaande zendingswerkers worden gesteld nogal hoog. zeker ook wat het niveau van hun opleiding betreft. En ik weet uit de praktijk dat het niet anders kan. omdat de meeste landen alleen nog maar specialisten toelaten.
In de derde plaats denk ik dat er bij sommigen een zekere huiver is vanwege de onbekendheid met de situatie waarin men terecht komt.
Misschien zou er op dit punt ook wat meer konkrete voorlichting moeten komen. Hoewel ik daarbij eerlijk
zeggen kan dat hier de laatste jaren door de zending ook wel naar gestreeld wordt. Wel denk ik dat het goed zou zijn als deze nood van een tekort aan zendingswerkers meer in de gemeente zou leven. De predikanten zouden er eens wat meer aandacht aan moeten geven in de prediking en op de catechisatie. Ik denk ook aan een vingerwijzing bij bepaalde studiekeuzes.
In de loop van de 16 jaar. die ik nu bij het zendingswerk betrokken ben, merk ik inderdaad een afname van de belangstelling voor dit werk. Dat kan te maken hebben met het feit dat je nu. na een eventuele terugkeer uit het zendingswerk, moeilijker aan ccn baan komt dan toen. Het kan ook tc maken hebben met ccn afnemend gehalte in het geestelijk leven en het gemotiveerd zijn voor dit werk. Steeds meer komt de tendens van het egoïsme op in onze tijd. De bereidheid tot zelfverloochening en het brengen van offers wordt minder. En die algemene tendens zie je ook in ons kerkelijk leven. Uiteraard de goede niet te na gesproken! Ik ben dus inderdaad van mening, dat de genoemde tendens de laatste jaren toeneemt.
Overigens betreft dat niet alleen de „ z e n d i ngs wf rA: ers'', maar evenzeer de „zendingspredikanten". Enkele jaren geleden hadden we als Gereformeerde Gemeenten vij f zend ings p redika nten. Eerst ben ik teruggekeerd voor mijn gezin, daarna kwam ds. Huisman terug, ook ds. Sonnevelt is inmiddels voorgoed gerepatrieerd en in juni gaat ds. Kuijt met emeritaat. Dan hebben we nog één zendingspredikant. Waar zijn de jonge predikanten. die Christus willen volgen door de „onbezaaide wegen”?
Als het goed is moet een kerk zich gedrongen voelen het evangelie te verkondigen aan mensen die er nog nooit van gehoord hebben. Is het niet triest dat er zo weinig animo is om te arbeiden in Gods wijngaard?
Aansluitend bij wat ik zei als antwoord op de vorige vraag wil ik onderstrepen wat jc hier zegt: het is in-en intriest dat er zo weinig animo is om te arbeiden in Gods Koninkrijk buiten onze landsgrenzen. Daarmee is veel gezegd over het „innerlijke gehalte" van onze godsdienstigheid.
Als de deputaten jarenlang zoeken naar vervulling van ontstane vakatures cn in nieuwe gebieden kan nog niet begonnen worden omdat cr geen mensen zijn. dan is dat momenteel wel dc grootste nood van onze kerk. De jonge zendingskerken, die ik ken op Irian Jaya zijn ons tot een voorbeeld.
Zodra Pass Valley het Woord had aangenomen, werd Landikma geopend. Daarna opende de jonge kerk Nipsan. En ook in het „Oostelijk Bergland" gebeurde het dat Langda nog maar nauwelijks het evangelie had aangenomen of ze gingen werken in Bommela en Seradela. Het is juist een van de kenmerken van een ..levende" kerk, dat ze aktief zending bedrijft en dat het werk niet stagneert door gebrek aan arbeiders. Binnen de geloofszendingen komt het wel voor dat per gemeente een of meer zendingen gesponsord worden. In ccn woord: wc moeten ons diep schamen!
Om als zendingswerker uitgezonden te worden zijn in ieder geval twee dingen onmisbaar: bekering en roeping. Kunt u daar in het kort iets over zeggen? Waar zou u onder andere op letten bij deze twee zaken?
Bekering en roeping, zeg jc. Daar zou ik heel sterk de nadruk op willen leggen. Je vraagt „in het kort" iets daarover te zeggen. Graag wil ik op de noodzaak van wat je hier noemt „iets langer" de nadruk leggen voor ik op het tweede deel van de vraag inga.
Eerst wil ik waarschuwen voor een al te gemakkelijke houding ten opzichte van die roeping door de Heere. Er zijn wel eens jonge mensen, die vol enthousiasme naar het zendingsveld vertrekken omdat ze het hier in Nederland in het kerkelijk leven maar „zo-zo" vinden. De onbekende situatie in de „verre wereld" lokt hen. De warme tropenzon en de wuivende palmbladeren lachen hen toe. Vol romantische idealen beginnen ze in die verre vreemde wereld met de „grote opdracht". Dat is nog eens wat anders dan in Nederland. Hier zijn tenminste mensen, die in al hun armoede en onwetendheid je hulp echt nodig hebben. Wat ccn fijn werk! Je staat zelf helemaal in het middelpunt!
Totdat.... de romantiek er wat afgaat en heel langzamerhand de harde werkelijkheid zich laat gelden. Op die wuivende palmen en die kristalheldere bergbeekjes ben jc tenslotte ook een keer uitgekeken. En die „onwetende arme heidenen" blijken ook mensen te zijn met zondige gewoonten.
De „grote honger naar het Woord" blijkt nogal eens een handig aanloopje te zijn om aan wat geld of wat spullen te komen. De mensen daar blijken uiteindelijk toch niet zoveel te verschillen van de mensen hier in Nederland.
Adamskinderen zijn ten diepste overal hetzelfde! Op wie moet jc dan terugvallen? Dc realiteit blijkt zo anders le zijn dan hel romantische beeld, dat men voor ogen had. Niet zelden keren enthousiast begonnen mensen soms na enkele jaren weer naar huis terug, ontmoedigd, gedesillusioneerd, gefrustreerd soms.
Wal is er dan nodig om vol te
kunnen houden? Daarvoor is nodig dat je je geroepen weet door de Heere om dit werk te gaan doen. Dc werkelijkheid is immers niet zo romantisch, soms zelfs keihard. Als ik terugdenk aan het eerste jaar toen wij op het zendingsveld waren, loen ik de taal nog niet sprak en iedere dag vulde met het timmeren van mijn huis. heb ik ook wel eens gedacht: ben ik hier nu voor naar het zendingsveld gekomen? Toch mocht ik in die tijd terugvallen op het feit dat dc Heere mij geroepen had en dat ik dat zeker wist.
Dan val je ten diepste terug op God Zelf. En die roeping is een zielsworsteling als de Heere jc door Zijn Woord onderwijst en je hart overbuigt tot de weg achter Hem aan. Dat kan jc staande houden als jc in moeilijke omstandigheden komt. Inmiddels ben ik al beland in het tweede deel van je vraag: Waarop te letten bij bekering en roeping? Ik zou zeggen vooral op de „echtheid" ervan. Kan iemand spreken vanuit de echte kinderlijke vreze Gods? Wordt die ware honger en dorst naar de gerechtigheid gekend? Is er ook verdieping in de boetvaardigheid? Dc bekering is toch een „hartelijke droefheid, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben". Maar vergeet dan ook het tweede stuk niet: „Een hartelijke vreugde in God door Christus!" Als je over het werk van Gods genade gaat spreken, kun je dat toch moeilijk doen als een blinde, die over kleuren spreekt. Je moet het dus zelf bevindelijk kennen.
Ik vind het een goede zaak als in de gemeente jongeren worden gestimuleerd om uit te gaan voor het zendingswerk. In Antiochië was dat ook het geval, maar daar ging het ook duidelijk onder de leiding van de Heilige Geest (Hand. 13). Zendingswerkers moeten zich toch echt wel door God geroepen weten. En dat is toch nog iets meer dan dat dc nood van de verre naaste je aanspreekt. Je moet voor jezelf daarin wel tot klaarheid gekomen zijn. vooral ook wat betreft je eigen geloofsleven, je bekering dus. Er zijn op het zendingsveld vaak al genoeg problemen. Paulus kon zeggen: „Ik weet in Wie ik geloofd heb!" En ais je dat nog niet weet. dan kun je toch moeilijk anderen helpen om tot die wetenschap te komen. Daarom is voor het zendingswerk niet alleen een zekere levenswijsheid en levenservaring nodig, maar ook een zekere geloofsrijpheid. En daarbij dc wetenschap dat het dc Heere Zeifis. Die ertoe roept. De Heere geve veel van zulke mensen!
U noemde onder andere Antiochië. Wal heeft de geschiedenis uit Hand. 13 ons nu nog re zeggen in verband met het verwenen van zend ingswerk ers?
Heel veel! In de eerste plaats dat we het gebrek aan zendingswerkers niet alleen oplossen door planning en berekening. In Hand. 13 wordt gesproken over een geestelijker weg. Dat sluit natuurlijk planning, berekening en werving niet uit. maar we leren eruit dat het van wezensbelang is om ..de Heere te dienen, te vasten en te bidden". Dus waar dat gebeurt, ook het vasten, niet als een verdienstelijke prestatie, maar als een wezenlijk middel om ons voor te
bereiden op ons spreken met God en Gods spreken tot ons en waar zo gebeden wordt, waar iets van die geestelijke atmosfeer bij ons gevonden wordt, die de gemeente van Anliochië kenmerkte, daar roept de Heilige Geest mensen en zendt ze uit naar de heidenen. Lees Hand. 13:2 en 3 maar eens!
De Heilige Geest roept dus mensen om uit te gaan naar het zendingsveld. Dat is een innerlijke persoonlijke roeping. En als die roeping gestalte gaat krijgen via de kerk (gemeente) is dat een bevestiging van die roeping. Ten diepste zendt ook de Geest uit (vs. 4). uiteraard wel middellijk. Hier wordt de gemeente van Antioehië gebruikt. Dat is de bijbelse lijn van bekering, roeping en zending. Er is genade verheerlijkt want Paulus en Barnabas behoren tot die profeten en leraars (vs. 1). Ze worden innerlijk geroepen door dc Heilige Geest (vs. 2) en daarna met Antioehië als zendende gemeente uitgezonden naar het zendingsveld (vs. 4).
Is bekering en roeping voldoende of zijn er ook andere dingen waarover een toekomstig zendingswerker moet beschikken zoals bepaalde karaktereigenschappen ?
Die vraag kan ik kort beantwoorden. Naast bekering en roeping is er verder voor ccn zendingswerker niets bijzonders nodig. Die bekering houdt immers al in dat je de vruchten van de Geest kent: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid. goedheid, geloof, zachtmoedigheid en matigheid.
Mozes was van karakter ccn driftig man. maar na ontvangen genade wordt hij een mens waarvan de Schrift zegt: er was geen zachtmoediger man als Mozes. Een christen weet wat geduld en zelfverloochening is. Dat moet iedere zendingswerker ook weten.
Er zijn misschien wel jongeren die zich aangetrokken voelen tot het zendingswerk. Maar volgens hen is er meer voor nodig. Ze wachten als het ware op een konkrete aanwijzing van de Heere (bij voorbeeld een tekst of bijzondere omstandigheid) dat ze moeten gaan. Wat zou u tegen deze jongeren willen zeggen.
Ik zei zostraks al dat het zich aangetrokken voelen tot het zendingswerk niet genoeg is. Daar is inderdaad meer voor nodig. In de eerste plaats dus: dat je de Heere oprecht vreest en liefhebt. Maar ook een aanwijzing van de Heere (noem dat dan maar roeping). Nu krijg je wel geen brietje uit de hemel, maar in feite hebben we die brief uit dc hemel al ontvangen in het Woord. En de Heere spreekt altijd door Zijn Woord.
Zeker, de omstandigheden waarin je geleid wordt, staan niet buiten Gods voorzienigheid in je leven, maar als het je ernst is vraag je toch:
„Heere wat wilt Gij dat ik doen zal"? Je kunt je ertoe aangetrokken voelen, je kunt
het graag willen, maar je moet toch voor jezelf weten of dc Heere het van je vraagt. En als jc daarmee worstelend cn biddend bezig bent voor Gods aangezicht, zal Hij zeker op Zijn tijd een aanwijzing geven vanuit Zijn Woord, onder de prediking, of als je persoonlijk je Bijbel leest, of iemand anders maakt je er attent op. Het gaat er echter om dat je voor jezelf geloven mag dat de Heere dit werk van je vraagt. Waar moet je anders op terug vallen als het moeilijk wordt?
En dat wordt het onherroepelijk, meestal na een jaar op het veld gewerkt te hebben. Dan denk je wel eens: waar ben ik toch aan begonnen? Wel, je gelooft toch wel dat het dan tot steun kan zijn als je voor jezelf zeker mag weten dat je in de weg van de Heere bent? Wie dichtbij dc Heere leeft, zal Zijn stem zeker opmerken. Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft. Nu nog!
Wordt in de beoordeling van een eventueel toekomstig zendingswerker ook de echtgenote betrokken?
De houding en de instelling van de echtgenote is van groot belang. Je moet toch wel allebei goed gemotiveerd zijn voor dit soort werk. waarin je in situaties komt. die totaal anders zijn dan hier in Nederland. Als je al van te voren weet dat jc echtgenote op geen enkel punt bereid is om bij te springen in bepaalde werksituaties. kun je er beter samen niet aan beginnen.
Aan de andere kant zeg ik eerlijk dat ik meer brokstukken verwacht als het net andersom is. Ik bedoel dat soort geëmancipeerde echtgenotes, die met hun man een afspraak hebben dat zc om de beurt de baby een luier om doen en het huishouden doen en ook het werk. waar de man voor uitgezonden is snmen willen ilelcn D; it uppft niet alleen spanningen binnen het huwelijk maar ook veel frustraties. Het zou wel goed zijn als de deputaten voor de zending ook op dit punt letten voor ze iemand aannemen.
Iemand redeneert als volgt: ik heb belangstelling voor het zendingswerk. Daarom schrijf ik een brief naar het deputaatschap en laat de uitkomst aan de Heere over. Als Hij wil dat ik aangenomen wordt, gebeurt het. Hij zat de deuren openen of sluiten. Wordt de deur geopend dan is dat een teken dat de Heere mij roept. Wat vindt u van deze redenering?
Uit hetgeen ik al eerder zei. zal duidelijk zijn dat ik het met deze gedachtengang niet eens kan zijn. Zo solliciteer je ook naar een andere baan. En ik zeg niet dat de Heere je leven daarin niet zou leiden, maar ik vind het „belangstelling hebben voor" te zwak. Dat het daarmee begint, okay! Maar als daar in jc persoonlijk leven geen vervolg op is. zou ik de vrijmoedigheid niet hebben om me aan te melden. Overigens zal het deputaatschap toch ook onderzoek doen naar dc motivatie, cn graag horen dal er meer is dan alleen maar belangstelling. Ik geloof dat de Heere antwoordl. als je hiermee worstelt. Denk nog eens aan dat „dienen, vasten en bidden" uit Hand. 13!
Dominee, we willen u hartelijk bedanken voor dit gesprek. We onderschrijven uw wens ..dat de Heere veel van zulke mensen geve" opdat het werk van God ook onder de heidenen Zijn voortgang mag hebben.
Apeldoorn W.C. Polinder
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1990
Daniel | 32 Pagina's