JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Israëls ondankbaarheid verdient Gods oordeel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Israëls ondankbaarheid verdient Gods oordeel

Bijbelstudie over Hosea 11: 1 - 7

10 minuten leestijd

Lees ook Deut. 21: 18 - 23 en Ezech. 16: 1 - 16! 

"God is liefde", zegt de apostel Johannes (1 Joh. 4: 8, 16). Hetzelfde zouden we kunnen zeggen als we Hosea 11 in een heel klein zinnetje moesten samenvatten. Bij Hosea is alleen Israël nog deelgenoot van die reddende liefde, maar in het evangelie van het Nieuwe Testament is die begrenzing doorbroken: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe" (Joh. 3: 16). En zo wordt de boodschap, die Hosea bracht aan Israël opnieuw actueel voor ons. Let maar eens op of je misschien jezelf tegen komt in deze bijbelstudie.

Vaderliefde (vs. 1a)

Hosea 11 maakt ons duidelijk, dat het omgaan van God met Israël alles te maken heeft met Zijn verbond. In elke vorm en in elk opzicht is Gods handelen een optreden in liefde. De Heere legt hier in hoofdstuk 11 als het ware Zijn hart bloot voor Zijn volk door middel van de profeet. God laat Zichzelf in Zijn hart kijken. Wat een wonder! In Hosea 2 en 3 hebben we dat ook gezien. Daar werd de verhouding van Israëls ontrouw en Gods overwinnende liefde beschreven onder het beeld van man en vrouw. Daar was God de Echtgenoot. Hier in Hosea 11 gebeurt dat met het beeld van vader en zoon. Hier is God de Vader. Die alle ondank en versmading overtreft door Zijn vaderlijke liefde. En die liefde is gegrond in Zijn heilig wezen. Daarom kan Hij die liefde niet verloochenen, en kan het laatste woord niet zijn aan Gods toorn over de trouweloosheid van Israël.
Vader ziet Zijn zoon helemaal de verkeerde kant op gaan en doet nog eenmaal een appèl op het hart van die jongen door hem te herinneren aan het verleden: de prille begintijd, de geboortegeschiedenis van Israël. Nog verder dan in de voorafgaande beelden, grijpt Hosea terug in de geschiedenis van Israël. Hij herinnert hier niet aan de woestijntijd (2: 13 en 9: 10), maar aan de periode van de verdrukking in Egypte. Hij vertelt Zijn kind hoe blij Hij met hem was, toen hij geboren werd. Hij vertelt over de jeugdjaren, over Zijn liefde en zorg voor Zijn zoon, maar ook hoe Hij teleurgesteld is in Zijn zoon. Wat erg! Die vaderliefde heeft Israël beantwoord met ontrouw en afkerigheid (2b, 3b, 5b) en daarom hebben ze de doodstraf, die over hen als een weerbarstige zoon wordt uitgesproken ook dubbel en dwars verdiend (vs. 5 e.v.).
Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad. Hier hebben we het begin van Israëls bestaan als volk. De liefde van God uitte zich niet alleen hierin, dat Hij Israël redde uit de slavernij van Egypte, maar vooral ook daarin, dat Hij Israël als zoon heeft geadopteerd. Via Mozes heeft Hij tot Farao gezegd: Israël is Mijn eerstgeboren zoon. Laat Mijn Zoon trekken, dat hij Mij diene. Eigenlijk kunnen we vier perioden onderscheiden in het leven van Israël: de geboorte, de kindertalen, de puberteit en de volwassenheid. De wieg van Israël als volk stond in Egypte. En het is aan deze prille jeugd, dat Hosea herinnert. Toen Israël een kind was... toen heb Ik hem liefgehad. De kinderjaren worden in de woestijn doorgebracht. Daar moet Efraïm leren lopen (vs. 3a) en als hij niet verder kan, draagt God hem op de armen. En dan groeit dit woestijnkind op tot een jongeling, wiens sieraad zijn kracht is, als hij in Kanaän de vijanden voor zich uitdrijft. En nu in Hosea's tijd is deze jongeling gerijpt tot een man. Efraïm is groot geworden, een grote mogendheid onder de voorspoedige regering van Jerobeam de tweede.
Maar.... nu zijn ze van de Heere afgeweken. Nu hebben ze de Heere niet meer nodig. Ze hebben zich laten inpalmen door de kanaänitische vruchtbaarheidscultus van de Baäldienst en ze hebben het verbond met de Heere, hun Vader, verbroken. En wat doet Vader nu? Door de mond van Zijn knecht Hosea zegt Hij: Weet u niet meer van vroeger? Weet u nog van die vaderlijke zorg, waarmee Ik u omringd heb? Weet u niet meer, hoe Ik u als kind heb uitverkoren en liefgekregen? Wat u nu bent, hebt u aan "Vader" te danken.
De Heere gaat hier terug naar Zijn verkiezende liefde, waar Israël zijn bestaan als volk aan te danken heeft. En die vaderliefde is geen vanzelfsprekende zaak, waar Israël recht op had. Dat blijkt ook uit de tweede helft van vers 1, waar de profeet wijst op de verdrukking van Israël in Egypte. De tichelovens rookten en de slavenzweep striemde de ruggen van de Israëlieten. Ze moesten stenen sjouwen, steden bouwen, hun ruggen kromden zich onder de zware lasten en hun lieve kleine jongetjes werden gevoerd aan de krokodillen in de Nijl. En dat volk heeft God nu verkoren tot het voorwerp van Zijn liefde. Dat volk heeft Hij geroepen.

Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen (vs. 1b)

Al dat rukken aan de slavenketenen hielp Israël niets, maar een machtswoord van "Vader" was voldoende om de boeien te breken. Zo simpel staat het er: uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. En wat is dat een verlossing geweest, wat een glorieuze uittocht. En waar had Israël dat aan te danken? Waarom heeft God deze zoon liefgehad en vertroeteld? Waren ze zo lieftallig? Nee, dat is alleen te danken aan Jezus. Daarom zegt Paulus in Efeze 1 dat God Zijn volk verkoren heeft in Christus!
Dit tweede deel van vers 1 wordt immers in het Nieuwe Testament aangehaald door Mattheüs in hoofdstuk 2: 15. Daar ziet de evangelist deze woorden in vervulling gaan, als het Kind Jezus, Dat met Zijn ouders naar Egypte gevlucht was vanwege koning Herodes, terug mag keren naar Israël. Dus om Christus. Die uit Israël geboren zou worden, heeft God Zijn volk uit Egypte geroepen. Om Zijnentwil heeft God Israël als zoon aangenomen en hem bevrijd uit de slavernij van Egypte. Toen God Israël wegriep uit Egypte was dus Christus nog in de lendenen van Efraïm. Daarom mislukte ook iedere aanval op dit volk. Omdat Christus in hen verborgen lag. God kan toch Zijn heilig Kind Jezus niet laten verdrinken in de Nijl? God waakte over Zijn Kind! En zo moest Christus, nog in de lendenen van de vaderen, uit Egypte weg. Of liever: dat Kind trok Zijn vaderen mee weg uit Egypte. Daarom verloste Hij Zijn volk bij de Schelfzee. En zo is Jezus al uit Egypte geroepen reeds lang voor Hij met Jozef en Maria terug keerde naar Zijn land.
Mattheüs past deze tekst regelrecht toe op Christus, want hij zegt: "opdat vervuld zou worden hetgeen door de Heere gesproken is door de profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen." Die Zoon is dus eigenlijk Christus. En terwille van Hem kan God Israël adopteren als zoon en roepen uit de slavernij van Egypte.

Van wie ben jij een slaaf?

Die uittocht uit Egypte betekende voor Israël de vrijheid! Ze werden van het slavenrijk ontheven. Ze hoefden geen schatsteden meer te bouwen. Alle bitterheid en dienstbaarheid behoorde tot het verleden. Maar terwijl die roeping uit Egypte voor Israël de vrijheid betekende, betekende die roeping van Christus uit Egypte het begin van Zijn dienstknechtsgestalte om zondeslaven te komen verlossen uit de dienstbaarheid van de zonde en hen te leiden tot de echte vrijheid, die bestaat in het dienen van God. De roeping uit Egypte is een roeping tot dienst, dienst aan de Heere. Dienst uit vrijwillige wederliefde tot God. En voor Jezus betekende die roeping uit Egypte Zijn plaatsbekleding! Hij treedt in de plaats van de ongehoorzame zoon, het trouweloze volk, om de geschiedenis van Israël in Zijn leven heilig over te doen en daarmee de schuld van de ongehoorzaamheid en ontrouw aan den lijve te dragen, en Zelf gehoorzaamheid en trouw te bewijzen. En in dat offer van Christus om zondaren te behouden van de toorn, heeft Gods liefde voor Zijn volk eens en voorgoed getriumfeerd. Mag ik eens vragen: van wie ben jij een slaaf? Satan is een tiran en zondaren zijn slaven. Zij weten dat niet en geloven dat niet. Kijk maar naar jezelf! Je denkt misschien heerlijk vrij te zijn. Je behoeft niemand naar de ogen te zien. Je bent eigen heer en meester. Maar.... jonge vrienden, dat is een tragische vergissing. Want die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde, een slaaf!
Je bent wellicht geneigd om dit te ontkennen. Nee, zeg je, ik ben vrij! Ik kan gaan en staan waar ik wil. Ik een slaaf? Hoe komt u erbij? Ja, dat is nu juist het verraderlijke. De duivel spiegelt ons voor dat we vrij zijn, maar dat is een leugen. We doen als slaven alleen maar wat hij zegt. Maar weet je waar ten diepste de bevrijding al begint? Daar, waar we gaan inzien en erkennen dat de zondedienst een slavendienst is.
Is de zonde je nog zoet? Waan je jezelf nog vrij? Wat een vergissing. Als de Heere Jezus in je leeft, dan ken je pas de echte vrijheid! Die ligt alleen in de gebondenheid aan Christus en Zijn Woord. Paulus noemt zichzelf altijd "een slaaf van Jezus Christus"! Dat is een eretitel! En nu heeft God Zijn Zoon uit Egypte geroepen om zondeslaven te bevrijden. En zo komt Hij nu naar je toe in deze bijbelstudie en zegt: Ik wil je bevrijden. Ik wil je in de ruimte stellen. In al je gebondenheid door je zondige aard wil Ik je bevrijden uit die macht van de boze en je stellen in de ware vrijheid. Dan wordt Jezus alles voor je. Dan voel je de knellende band van de zondedienst en je zucht eronder. Dan voel je je in dat Egypte van de slavendienst niet meer thuis. Dan wil je daar weg. Weg uit de heerschappij van satan.
En daarin is God al bezig je te roepen uit Egypte. Door genade alleen kun je een nieuw mens worden, bevrijd om de Heere te dienen. Kom, wat vind je van die Bevrijder? Hij wil niet dat je de eeuwige ondergang tegemoet gaat. Verhardt u niet, maar laat u leiden!

Vragen

1. Lees Deut. 21: 10 - 21! Wat moest er gebeuren met een weerspannige zoon? Wat betekende dat eigenlijk voor Israël? Geldt die wet nu nog voor ons? Welke betekenis heeft dit voorschrift nu nog voor ons?
2. Wat heeft het gedeelte uit Ezech. 16 te maken met deze bijbelstudie? Vergelijk de fasen in Israëls geschiedenis uit Hosea 11 eens met Ezech. 16. Let daarbij vooral op Ezech. 16: 4, 8 en 14! Bij welk vers uit Hosea 11 past Ezech. 15: 15?
3. Geef eens concreet de betekenis van Hosea 11: 1 aan voor jezelf. Zijn er in jouw levensgeschiedenis ook "fasen" aan te wijzen?
4. Vers 1b heeft een "dubbele bodem". Welke? Ken je meer dergelijke teksten in de Bijbel? Noem eens een paar voorbeelden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1990

Daniel | 32 Pagina's

Israëls ondankbaarheid verdient Gods oordeel

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1990

Daniel | 32 Pagina's