JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Het gevecht in de grot

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het gevecht in de grot

naar een oud verhaal

15 minuten leestijd

Over het voetpad langs de wild-schui mende rivier de Riese gaan vier kinderen. Zij zijn bepakt en beladen. Op hun vermoeide gezichten ligt een gejaagde, bijna bange uitdrukking.

Sophie, het kleinste meisje, blijft staan. Zc trekt haar hand uit die van haar broer en klaagt: ..Ik ben moe. Frangois... laten we even rusten." ..Dat kan niet, Sophie. We moeten verder. Kom!"

Bijna ruw trekt de jongen haar mee. De tranen springen het kind in de ogen. maar ze zegt niets meer.

Zwijgend ploeteren ze voort. Het pad is bezaaid met stenen en is daardoor moeilijk begaanbaar. Bovendien stijgt het steeds.

Om de mond van Francois ligt een koppige trek. Hij heeft zich vast voorgenomen le volbrengen wat zijn vader hem opgedragen heeft: ..Breng je zusjes veilig in de grot. Frangois. Jij moet nu voor hen zorgen... ik trek met mijn mannen vooruit."

De rivier maakt een bocht en het pad slingert er langs. Nu kunnen ze heel in de verte het doel van hun tocht ontwaren.

„Laten we hier rusten dan - even", zegt Frangois. De kleine meisjes, Cecile en Sophie. laten zich direkt in het gras vallen. Louise. de oudste, wast hun vuile snoetjes af met fris water uit de rivier. Haar hele manier van doen heeft iets zorgelijks, dat een beetje zonderling aandoet. Met haar elf jaar ziet ze eruit als een oud kind. Frangois heeft zich intussen omgekeerd en staart somber over de lieflijke vallei, die nu beneden hem ligt.

De rivier slingert er doorheen als een zilveren lint. Dichte bossen worden afgewisseld door akkers en wijngaarden. Er ligt ook een dorpje: Mas d' Asile.

Verder weg, diep in het woud. geven rookpluimen de plaats aan waar nog een gehucht te vinden is. Daar staat het huisje, dat zij achter gelaten hebben en waar hun moeder twee jaar geleden gestorven is.

Met zijn ogen neemt hij van dit alles afscheid en dat doel pijn. „Kom, we gaan", zegt hij kort. Ze gaan weer op weg. het lopen gaat nu wat gemakkelijker. Voor hen uit zien ze nog meer mensen, die zich net als zij voortreppen.

De kinderen kunnen nu duidelijk het eindpunt van hun voetreis zien: een door de natuur gevormde rotsengalerij, waarlangs de rivier zich bruisend een weg zoekt. Achter die galerij zijn enorme grotten, doorlopend tot hoog in de bergen. In dal uitgebreide holenstelsel vinden vele Hugenoten een schuilplaats.

Een hele tijd is het in deze uithoek van de Ariège Pyreneeën rustig geweest. Door hel Edict van Nantes was er godsdienstvrijheid voor hen gekomen.

Frangois weet dat dat verbond de laatste tijd steeds meer veronachtzaamd wordt. En hij weet ook wie daar de schuld van is: kardinaal Richelieu. de eerste minister.

De kardinaal kan het niet zetten dat zij. Hugenoten, steeds meer macht krijgen. En hij is bang dat ze in oorlogstijd de zijde van de vijand zullen kiezen. De jongen snuift minachtend. Alsof dat ooit zou gebeuren....

De wreedheid van kardinaal Richelieu moet geen grenzen kennen. Hij is het ook die maarschalk Thémines de opdracht gegeven heeft de

vijfduizend Hugenoten, die in het departement Ariège wonen, uit de weg te ruimen.

Toen dit ontstellende bericht hun dorpjes bereikte, hebben de protestantse inwoners niet lang geaarzeld. Er bleef maar één ding over - vluchten naar de spelonken, die al velen in de loop der eeuwen tot een schuilplaats hebben gediend. Franco is geeft een schop tegen een grote kei op het bergpad. ..We zijn er nu bijna. hè", vraagt Sophie.

..Ja.... we zijn er bijna", zegt Frangois. En hij zucht.

Elet is avond. Flakkerende flambouwen verlichten spaarzamelijk de donkere grot. waar Francois cn zijn zusjes een plaatsje hebben gevonden. Sophie en Cecile slapen op geïmproviseerde bedden. Hun nieuwe onderkomen had hen in het begin verbijsterd. Sophie had stijf de hand van haar broer vastgehouden, toen ze door de duistere tunnels en de spookachtige gewelven werden geleid.

„'t Lijkt wel een gevangenis", had ze gefluisterd.

„Welnee", had Francois gebromd, norser dan hij bedoelde. Haar vraag had hem getroffen, er zat immers een kern van waarheid in. Louise ligt naast haar zusjes en tuurt met samengeknepen ogen in het dansende licht van een fakkel, die vlakbij haar aan de rotswand is bevestigd.

Naast Francois zit zijn vader, dc houthakker Le Coq. Direkt had hij zijn kinderen opgezocht. toen hij hoorde dat ze gearriveerd waren.

„Hoeveel vluchtelingen zijn er wel, vader? ", vraagt Francois. „Het moeten er bijna vierduizend zijn. En nog is er plaats."

„Maar wie zal al die mensen eten geven? "

„Dat is allemaal geregeld, er is een grote voorraad. De rijken delen alles met de armen." „En als de vijand komt... wat dan? "

„De ingangen zijn versterkt en overal zijn wachtposten. Er is een eenvoudig, maar doeltreffend krijgsplan opgesteld. En.... we moeten vertrouwen op de geestelijke Rotssteen, zoals onze predikant zegt."

Franqois wordt stil. Met zijn blik volgt hij een fladderende vleermuis, die een goed heenkomen zoekt in het veilige duister. Dan kijkt hij zijn vader aan en Le Coq ziet zijn ogen sterk glanzen in het onzekere licht.

„Als dat gebeurt, vader - mag ik dan meehelpen? "

„Nee Francois". antwoordt de houthakker. „Jij moet op je zusjes passen. Als... als mij iets overkomt - zijn jullie wezen. Dan moet jij er nog zijn om voor hen te zorgen."

De jongen wordt bleek. Toch zegt hij: „Ik ben geen kind meer, vader. Ik ben al bijna veertien!"

„Nee.... helaas ben je geen kind meer. En Louise ook niet...." De omfloerste ogen van Le Coq zoeken de stille gestalte van zijn oudste dochter. Het meisje is in slaap gevallen met haar rechterarm om Cecile heen. Haar gezichtje is nu jong en ontspannen.

„Ik had jullie zo graag een onbezorgde jeugd willen geven", zegt hij verdrietig. „Maar het heeft niet zo mogen zijn. Louise heeft al te vroeg de taak van haar moeder over moeten nemen. En jij hebt van je vroegste jaren hard moeten aanpakken...."

Francois geeft geen antwoord. De verzuchting van zijn vader spreekt hem niet zo aan. Wat hem betreft - hij wil liefst zo snel mogelijk tot de mannen gerekend worden....

De dagen die volgen zijn bijna onwerkelijk voor Francois en zijn zusjes. Buiten straalt de herfstzon, maar zij zitten in de onderaardse spelonken en wachten met een bang hart op de dingen die komen.

Louise doet haar best om haar zusjes zo goed mogelijk bezig te houden. Frangois verricht allerlei karweitjes, die uiteenlopen van water halen voor de vrouwen tot kogels gieten voor de mannen. Dat laatste doet hij het liefst, want clan heeft hij de kans iets te weten te komen over de toestand in de vallei. Nog steeds komen er nieuwe vluchtelingen binnen. De berichten die zij meebrengen zijn niet gunstig. De koninklijke troepen hebben Ariège al bereikt. Verkenners vertellen dat de soldaten zich in het dal verzamelen.

In de grotten worden nu de laatste voorbereidingen getroffen. Sommigen zijn vol hoop, anderen zijn alleen maar bang. Predikanten gaan dooide gewelven om te troosten en moed in te spreken. Ze wijzen op het gebed, dat het sterkste wapen is.

Houthakker Le Coq. die één van de aanvoerders is, brengt zijn kinderen naar de hoger gelegen grotten. Daar zullen de oude mensen, de vrouwen en de kinderen het verloop van de strijd afwachten.

Hij drukt hen op het hart bij elkaar te blijven en kust hen. Tegen Francois zegt hij: „Zorg voor hen. Alleen als ik je nodig heb. zal ik je laten roepen, " De jonge kinderen kijken hun vader na tot het donker van een nauwe tunnel hem opslokt. De meisjes barsten in snikken uit. Francois veegt tersluiks zijn ogen af.

Ook de andere mannen nemen afscheid en zoeken de hun toegewezen plaatsen op. Dan wordt het stil in de grotten.

De volgende morgen - het is dan 12 september 1625 - klimt de eerste soldaat over het pad langs de rivier naar boven. Een eindeloze rij mannen in kleurige uniformen volgt.

Lichte kanonnen worden, schokkend en stotend, voortgetrokken door kleine, zwarte bergpaarden. Het is een mooie dag. de wapens schitteren in de zon.

Maarschalk Thémines voert het bevel. Het duurt een hele tijd voor de eersten boven zijn. Bij de bocht in de rivier wordt halt gehouden. In overleg met de gidsen verdelen de troepen zich.

Thémines trekt met zijn afdeling verder. Het weer is niet meer zo stralend. Wolkenflarden drijven voor de zon en er komt meer wind.

Bij de rotsengalerij is alles vredig en stil. Het lijkt haast onmogelijk dat duizenden Hugenoten zich hier in dc buurt verborgen houden. Ze komen nu zo dichtbij dat de soldaten de grote bronzen deuren kunnen zien. die de ingang afsluiten.

Opeens overstemt een wonderlijk geluid het eentonig bruisen van de rivier. Door de kieren van de rotsen klinkt gezang, plechtig en eerbiedig. „Ze zingen....", zegt één van de soldaten.

„Ja.... in een graf", vult een ander aan.

De voorsten houden hun pas iets in. Dat de Hugenoten, die ketterse rebellen, zingen in het aangezicht van de dood bevreemdt hen en ze aarzelen. Het duurt niet lang. Anderen dringen op en ze moeten verder. Een ruwe stem roept: „Er ontsnapt er niet écn. ze zitten als ratten in dc val!" De kanonnen worden in stelling gebracht en de ingang wordt onder vuur genomen. Een donderend geraas doet de zingende Hugenoten opschrikken.

„Ze hebben kanonnen", fluistert Frangois tegen zijn oudste zusje.

Louise kijkt hem met grote ogen aan. Ze zegt niets. De kleine meisjes houden hun handen tegen hun oren, alsof ze zo het gevaar buiten kunnen sluiten.

De vrouwen zitten met hun kinderen dicht tegen zich aan. Velen van hen houden de ogen gesloten en bidden. Het zingen is gestaakt.

Frangois bijt op zijn knokkels. Hij weet waar zijn vader zich bevindt: in een enorme koepelvormige ruimte, niet ver van de ingang. De helft van die ruimte wordt ingenomen door hogere rotsen. En daar. op een groot plateau, is zijn vader. Het is zijn taak te voorkomen dat de vijand die rotsen beklimt want daar bevinden zich ingangen naar de grotten waar de vrouwen en kinderen zijn.

Plotseling klinkt er een geweldig gedreun, als van een aardbeving. Er wordt geschreeuwd en geschoten. Door de donkere grotten gaat de huiveringwekkende mare: de deuren zijn bezweken, ze komen binnen.... Achter Frangois en zijn zusjes staat een grijsaard op. Hij verheft zijn stem en begint uit zijn hoofd het eerste gedeelte van Psalm 91 op te zeggen: „Celui que demeure sous 1'abri du Très-Haut. repose a 1'ombre du Tout-Puissant...."

Het is inderdaad waar, de deuren zijn bezweken. Met brandende fakkels dringen de soldaten van Thémines de grotten binnen. De Hugenoten moeten, ondanks verwoede tegenstand wijken. Zij. die nog kunnen, vluchten naar de koepelvormige ruimte waar Le Coq zich bevindt.

Nu zijn de Hugenoten echter in het voordeel. Zij zijn gewend aan het duister en kennen de situatie ter plaatse. De aanvoerder geeft zelfs opdracht nog enkele fakkels te doven.

Bij dat schaarse licht proberen dc soldaten de rotsen te bestormen. Twee keer mislukt het. De derde aanval is zo hevig, dat de Hugenoten genoodzaakt zijn enorme rotsblokken van de rand te duwen, die in hun meedogenloze vaart de aanvallers meesleuren en verpletteren.

Opnieuw moeten ze wijken en Thémines geeft het bevel terug te trekken. Langzamerhand wordt het stiller. De vrouwen in de andere grotten merken het ook. Een oude man gaat op onderzoek uit en komt terug met de verheugende mededeling: „Zij staken de strijd!" Nog maar net is hij uitgesproken of er dringt luid gejuich tot hen door. Opnieuw wordt er geschoten. Een jonge man, ook een houthakker, komt hijgend de grot binnen rennen: „Hulp! Er moet hulp komen! De andere ingang is ook in handen van de vijand. Ze komen nu van twee kanten, want Thémines komt ook weer terug!"

Jongens en oude mannen komen naar voren.

„En ik? ", vraag Frangois. „Moet ik ook komen? "

De houthaker kijkt hem aan. „Ja. natuurlijk.... je vader wil het."

Frangois pakt zijn bijl. Zijn handen trillen. De mannen hebben hem nodig - waar is nu de vreugde? Hij voelt alleen maar angst. Toch gaat hij achter de anderen aan, hij is vastbesloten.

Dc zusjes kijken met strakke ogen nu Frangois na. als hij verdwijnt in de donkere gang. Ze huilen niet meer.

De geur van kruit komt Frangois tegemoet als hij afdaalt naar het koepelvormige gewelf. In een zijgang ligt een rij gewonden. Hij wendt snel zijn hoofd af.

De jongen kan nu de bevelen van de vijandelijke aanvoerders letterlijk verstaan. En even later ziet hij hen ook. als ze het einde van de gang bereikt hebben.

De mannen van Languedoc. aangevoerd door De Ranzy. gaan nu voorop. Zij zien er kletsnat en verfomfaaid uit. Toen ze langs de berg trokken naar de andere ingang van de grot zijn ze overvallen door een hevige onweersbui. Maar ze zijn vastberaden en goed geoefend.

Geschoten wordt er weinig, het is een gevecht van man tegen man. Toch suist een kogel in de

richting van Francois en voor hem wankelt iemand cn valt. Het is de jonge houthakker. Hij is getroffen in zijn bovenbeen en Francois schrikt van het bloed dat zijn broek direkt donkerrood kleurt.

„Breng hem weg!", schreeuwt iemand tegen hem.

Met uiterste krachtsinspanning probeert dc houthakker te gaan staan. Het lukt en hij slaat zijn arm om dc hals van Francois. Wankelend bereiken ze de zijgang. Daar staan een ziekenverzorger klaar. Francois ziet dat de rij gewonden al weer langer is geworden. Ook liggen er. achteraan, enkele verstilde gestalten, bedekt door dekens.

Hij loopt struikelend terug naar de hoofdgang. Ineens heeft hij een hevig verlangen naar lucht en licht. Hij rukt aan zijn kleren, snakkend naar adem. ..Geef me kracht, o God", bidt hij hardop.

Als hij het grote gewelf weer binnenkomt, hoort hij iemand roepen: „Francois! Francois!" Het is zijn vader. Le Coq staat aan de rand van een hoge rots en kijkt een moment om.

Achter hem duikt een gepluimde muts op. armen zoeken naar steun en trekken zich op.

„Vader, kijk uit!", gilt Frangois. De houthakker haalt uit met zijn zware bijl. Francois wil hem te hulp komen, woedend opeens, als hij nog een paar handen aan dc rotsrand ziet verschijnen. Even aarzelt hij. Maar dan ziet hij een mes blinken en hij kan niet anders doen dan met zijn bijl op die zich vastklemmende vingers slaan. De ene hand laat los, ook de andere verdwijnt.

Hel is alsof er opeens een vloedgolf van soldaten oprijst uit de diepte. Francois heeft geen tijd meer om bang te zijn. Er is een sterke wil in hem opgestaan: te vechten voor zijn leven en voor dat van de anderen.

Le Coq, die tegen zijn zoon had willen zeggen zich wat op de achtergrond tc houden, moet zijn hulp nu wel aanvaarden. Wel springt hij zoveel mogelijk voor hem in dc bres en beschermt hem met zijn eigen lichaam.

Eén keer kijkt hij opzij en hij schrikt als hij het verbeten jongensgezicht naast zich ziet. Dc ogen hebben het kinderlijke verloren, het zijn de ogen van een man.

Met vernieuwde ijver valt de houthakker aan op zijn vijanden, hoewel hij weet dat ze deze strijd niet lang meer vol zullen kunnen houden. Zc raken vermoeid en de overmacht is te groot. Eigenlijk is dc toestand hopeloos.

Boven, in de hoger gelegen grotten, bidden dc vrouwen. En dan blijkt, dat het gebed inderdaad het sterkste wapen is.

Wat de Hugenoten niet weten is, dat de regen nog steeds in stromen neervalt. De lucht is donker geworden en het onweert hevig. Af en toe verlicht de bliksem de grauwe rotsen en de onstuimig bruisende rivier.

De beekjes, die gevuld worden door regenwater dat van dc rotsen afloopt, lozen grote hoeveelheden water in de Riese. Hierdoor stijgt het rivierwater zo hoog. dat het tenslotte een uitweg moet zoeken. En wat wel vaker gebeurd is. gebeurt ook nu: het overtollige water stroomt de lager gelegen grotten in.

In het begin letten de soldaten niel op het kleine laagje water, dat op de bodem van de grot komt te staan. Als het echter snel stijgt, staken ze de strijd en proberen wadend de uitgang tc bereiken.

Kolkend stroomt het water nu naar binnen. Sommigen weten zich zwemmend te redden,

maar anderen vinden de dood in hel nietsontziende water. Thémines klemt zich met nog enkele getrouwen vast aan een rotsrichel en hij weet zich. dankzij de hulp van een paar edelmoedige Hugenoten, nog in veiligheid te brengen.

Buiten verzamelt hij dc trieste resten van zijn leger en begint aan de afdaling.

Als de avond daalt en de maan lussen de jagende wolken tevoorschijn komt. is er bij de rotsengalerij niet één soldaat meer te zien.

Francois is intussen, net als vele anderen, van uitputting neergevallen op de rotsbodem. Van het water hebben zij geen last gehad.

Le Coq blijft nog op zijn post. Al snel brengen verkenners echter het bericht binnen van de smadelijke aftocht van Thémines. Dan zoekt hij zijn zoon op.

Francois ligt heel stil. zijn ogen zijn gesloten. Over zijn gezicht gaan vreemde trillingen.

De houthakker slaat zijn arm om hem heen. „Franqois!" De jongen krimpt ineen onder die aanraking en zijn schouders schokken. Krampachtig bijl hij op zijn lig om een plotseling opkomende huilbui tc bedwingen, maar het lukt niet en hij huilt, dicht tegen zijn vader aan.

„Ga nu naar dc meisjes en vertel hen. dat God ons beider leven gespaard heeft. Je hebt je gedragen als - cn maan. Franqois". zegt Le Coq na een poosje en hij trekt hem overeind.

Ineens verlangt Francois hevig naar zijn zusjes en hij gaat direkt de nauwe tunnel in.

Terwijl hij zich voorlrept. hoort hij achter zich een krachtige stem. die nog weerkaatst wordt door dc hoge gewelven.

Het is één van hun voorgangers en hij roept: „Broeders, laat ons nu zingen als Mozes en Mirjam aan de oever van de Rode Zee - tot eer van onze Redder...."

Francois blijft staan en luistert met gebogen hoofd naar het gezang, dat het geklots van het water overstemt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1990

Daniel | 32 Pagina's

Het gevecht in de grot

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 1990

Daniel | 32 Pagina's