Drie profetieën in verband met Israëls zonde (2)
Bijbelstudie over Hosea 10: 9 - 15
Lees ook 2 Koningen 17!
In de vorige studie zagen we hoe de zonde van Gibea doorwerkte in Israëls volksleven. In die zonde zijn ze zelfs "staande gebleven". Zo tekende Hosea het hardnekkige karakter van Israëls zonde. Ook kondigde hij de straf aan. Hij bracht zijn boodschap in beelden, die ontleend zijn aan het landbouwleven. Israël krijgt een opdracht om gerechtigheid te zaaien en weldadigheid te maaien. Zullen ze dat kunnen? Zeker niet in eigen kracht. Daarom spoort Hosea aan om het van de Heere te vragen. Hij wil geven wat Hij vraagt. Daar waren ze gebleven.
Het is tijd om de Heere te zoeken (vs. 12b)
Is dat je hartevraag? Hoe kom ik tot bekering? Hoe zal ik de Heere vinden? Waar moet ik dat nieuwe leven vandaag halen? Dat nieuwe leven kan een mens ook nooit uit zichzelf opbrengen. En dat zeg ik nu niet als dooddoener, maar om je de goede weg te wijzen. Hosea zegt immers dat "het tijd is om de Heere te zoeken". Daar moet je zijn. Bij de Heere moet je zijn. Bij de Heere moet je het zoeken. Bij Hem dat nieuwe hart zoeken. Anders komt het met die vruchten ook nooit goed. Een onvernieuwd hart kan nooit goede vruchten voortbrengen. En dat is geen hard woord, maar een bijzonder vertroostend woord. Want aan dat zoeken is een rijke belofte verbonden. Hosea zegt: "totdat Hij kome en over u de gerechtigheid regene". Als een regen zal de Heere dat zoeken van Hem beantwoorden met gerechtigheid. En dat hebben we nu juist nodig. Om in overeenstemming te zijn met Zijn recht. Uit het Nieuwe Testament weten we dat dit alleen kan in Christus. Het Oude Testament sprak trouwens al van "de Heere onze Gerechtigheid". In Hem is vergeving voor al je zonden. In Hem is kracht in de hevige strijd. In Hem is rust voor je opgejaagde hart en vrede voor je verontruste geweten. Jongelui, het is tijd om de Heere te zoeken! De hoogste tijd!
Het einde van het tienstammenrijk is nabij. Toch horen we hier nog dat laatste appèl, die laatste oproep tot bekering. Het is nog genadetijd, tijd om de Heere te zoeken. Tijd voor die hartelijke bekering tot God in oprechte droefheid over je zonden. Heden, zo gij Zijn stem hoort....! En het grote wonder is dat de Heere geen bidder laat staan. Zoekers worden vinders.Wie het waarachtig om God en om Christus te doen geworden is, die zal het ervaren dat Hij gerechtigheid regent! Zie je wel, het komt van boven. Het is alles genade. De Heere wil Zelf geven wat Hij van ons vraagt. In het begin van vs. 12 vraagt Hij van ons om gerechtigheid te zaaien. Hier in het slot belooft Hij die gerechtigheid te schenken, Dat is nu het wonder van genade. Daarom kan het nog. Kom, het is de hoogste tijd om de Heere te zoeken. "Totdat Hij kome". Dat wil zeggen zoeken totdat God verhoort! Net als Jakob: Heere, ik laat U niet los, tenzij dat Gij mij zegent.
Een dorsende os...! (vs. 11)
We kennen dit spreekwoord allemaal: een dorsende os mag je niet muilbanden. Efraïm wordt in vers 11 vergeleken met een "vaars, die gewend is gaarne te dorsen". Dat dorsen behoorde om zo te zeggen bij het lichtere werk. De dorsende os behoefde geen juk te dragen en bovendien, hij kon eten zoveel hij wilde. De Mozaïsche wet verbood immers zo'n dier te muilbanden. Al dorsend moest dat beest met zijn poten de korrels uit de korenaren treden. Hij liep dus vrij rond en kon naar hartelust eten. Een beeld dus van prettige arbeid en overvloed aan voedsel. Vergeleken bij het zware werk dat ossen later moesten doen, als ze groter en sterker werden, namelijk de zware ploeg door de voren trekken, en het dragen van het juk op de nek, was het dorsen dus een plezierig leventje. Daarom klinkt het een beetje ironisch als Hosea zegt dat Efraïm is als zo'n vaars, die graag en gewillig dorst. Dat weeldeleven onder de voorspoedige regering van Jerobeam II stond Israël wel aan. Ze hadden wel andere tijden gekend, daarover spreekt ook het volgende hoofdstuk. In Egypte lagen ze gebukt onder tichelstenen neer, toen ze het zware juk van de dienstbaarheid moesten dragen. Maar dat was gelukkig voorbij. De "knecht" van vroeger was nu "meneer" geworden. En dat weeldeleven beviel Israël wel. Anders was dat met het "zware werk", namelijk de ware bekering! Dat lieten ze na.
En wij? Is er in dat opzicht eigenlijk wel zoveel veranderd? De lichtere karweitjes van onze actietjes in het koninkrijk liggen ons wel. We zamelen geld in en lopen met handtekeningen voor het goede doel en zo. En we worden voor onze ijver en trouw geprezen. Ja, dat is wel vol te houden. Maar nu het zwaardere werk, de waarachtige bekering, het navolgen van Christus en het dragen van het kruis en het verloochenen van onszelf. Doen we dat ook zo graag? Laten we nooit denken dat uitwendige bloei in de kerk (financiën en organisaties en dergelijke) een garantie is voor geestelijke welvaart. In rijkdom schuilt een groot gevaar. Weelde brengt zo gemakkelijk van God af. Eerder gaat een kameel door het oog van een naald weet je wel! Voor Efraïm was die weeldetijd zeer slecht. Israël veruitwendigde en verwereldlijkte. En dat staat er allemaal ter waarschuwing voor ons! Hosea kondigde de straf aan: op die weelderige schouders werd het juk gelegd om haar zodoende "in te spannen" om te berijden, te ploegen en te eggen. De straf is hier weer in overeenstemming met de zonde. Ze zullen nu gedwongen het zware werk moeten doen: het ploegen en eggen. Efraïm wordt ingespannen. Juda moet ploegen en Jakob eggen. Na die weeldetijd, toen ze de vrijheid hebben misbruikt tot losbandigheid, kwamen de kwade dagen, de ballingschap. Misschien dat zij, die telkens niet horen wilden zo door het voelen, toch nog een keer gehoorzaamheid zullen leren. Wat is een mens toch hardleers. Waarom kiest hij toch zo zelf voor dat harde juk der dienstbaarheid, terwijl de Heere Jezus zegt: Mijn juk is zacht en Mijn last is licht? Ken je het? Zijn geboden zijn niet zwaar. Zijn dienst is een liefdedienst.
Het vertrouwen op de krijgsmacht blijkt ijdel (vs. 13b-15)
De twee voorafgaande profetieën gingen voornamelijk over het persoonlijke en godsdienstige leven. In deze derde profetie gaat het duidelijk om de ongeloofspolitiek van Israël. Israël vertrouwde op zijn wagens en de menigte van zijn helden, zijn eigen kracht en zijn "eigen weg", dat is zijn leefwijze en de kracht van zijn oorlogspotentieel. Deze perikoop van onze bijbelstudie begint en eindigt met de aankondiging van een oorlog (vs. 9 en vs. 14). Met het eigenmachtig vertrouwen van Israël op de wapenen, heeft zij haar eigen bestaansgrond (vertrouwen op God) verspeeld. Hosea veroordeelt hier dat vertrouwen op de krijgsmacht als een overtreding van het eerste gebod. Het vertrouwen op God heeft plaats gemaakt voor het vertrouwen op eigen nationale kracht. De straf, die wordt aangekondigd, is weer evenredig met de begane zonde. Een ander leger, nog veel sterker dan dat van Israël zal met "groot gedruis" (geweldig krijgsrumoer) tegen Israël komen opzetten en al zijn vestingen, waarin Israël zich zo veilig waande, verwoesten. Hosea vergelijkt de wreedheid van die strijd met de verwoesting van Beth-Arbel door Salman, een vreselijk bloedbad, waarvan wij niet veel weten, maar dat op de tijdgenoten van Hosea ongetwijfeld een diepe indruk moet hebben gemaakt vanwege de wreedheden, waarmee toen moeders samen met hun kinderen verpletterd werden. In vs. 15 vat Hosea tenslotte de oordeelsprofetie samen: Alzo zal Hij u doen, huis van Israël (de Septuaginta heeft hier Israël in plaats van Bethel) vanwege de boosheid uwer boosheid, dat wil zeggen uw diepe verdorvenheid. En dat zware oordeel is in overeenstemming met hun zware schuld: het vertrouwen op hun eigen krijgsmacht en het opzij zetten van God. Israëls koning zal worden uitgeroeid. Dat gebeurde nog voor het beleg van Samaria (ca. 725 v. Chr.), door Salmanasser, de koning van Assyrië, die Israëls laatste koning Hosea gevangen nam (2 Kon. 17: 4). Dat gebeurde "in de dageraad", ofwel in de vroege ochtend, een aanduiding voor het plotselinge, onverwachte ingrijpen van God, dat de profeet hier reeds voor zich ziet alsof het al gebeurd is. Zo zal nu Israëls koning, en daarmee heel het rijk ten onder gaan. Drie profetieën in verband met Israëls zonde, zo heet de titel van deze studie. Intussen is wel duidelijk geworden dat het hier niet alleen over Israël gaat. Als we het geheel actualiseren gaat het in de eerste profetie over seks en geweld, in de tweede over ongehoorzaamheid en in de derde over eigenwaan en vertrouwen op eigen kracht. Zijn we er vrij van? Laat ik aan het slot nog een keer dat vertroostende woord herhalen, dat midden in onze schuld en hardnekkigheid uitzicht biedt op ontkoming van het naderende oordeel: het is nog de tijd om de Heere te zoeken!
Vragen
1. Geef eens een paar andere voorbeelden uit de Bijbel dat de Heere Zelf schenken wil wat Hij van ons vraagt (vs. 12)! Waarom zou Hij het dan toch vragen?
2. Heeft "gerechtigheid" in de Bijbel alleen te maken met onze verhouding tot God?
3. Op welke manier kan een rustige "weeldetijd" voor de kerk een verzoeking betekenen (vs. 11)?
4. Wat heeft de derde profetie van deze perikoop te maken met het eerste gebod?
5. Israël wordt veroordeeld vanwege haar vertrouwen op de krijgsmacht. Houdt dat een veroordeling in van het leger? Is dit een aanwijzing voor het pacifisme? Betrek hierin ook Matth. 26: 52.
Vlissingen ds. C.G. Vreugdenhil
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1990
Daniel | 32 Pagina's