JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Drie profetieën in verband met Israëls zonde (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Drie profetieën in verband met Israëls zonde (1)

Bijbelstudie over Hosea 10: 9 - 15

10 minuten leestijd

Lees ook Richteren 19!

Heb jij er wel eens last van, dat de zonde zo hardnekkig is in je leven, dat je ze maar niet uitgeroeid krijgt? En komt daar soms ook nog bij dat je je hart niet mee kunt krijgen? Is datje dagelijkse strijd? Dan moet je al je aandacht eens richten op deze bijbelstudie! Over die dingen gaat het hier.

In de vorige bijbelstudie zagen we hoe de Heere over het misbruik van Zijn gaven door Israël een zware straf heeft aangekondigd. Datzelfde thema vinden we hier weer. In de eerste profetie (vs. 9 - 10) tekent God de hardnekkigheid van Israëls zonde, door terug te wijzen naar het verleden. In de tweede profetie (vs. 11 - 13a) gebruikt de profeet allerlei beelden uit de landbouw om aan te geven hoe Israël tot zedelijk verval gekomen is en heeft gefaald in haar roeping om God te dienen. In de derde profetie (vs. 13b-15) wordt Israël beschuldigd van een ijdel vertrouwen op haar militaire trots. Hier gaat het meer over het politieke karakter van de zonde. De straf zal echter komen: vijandige legers zullen vreselijke verwoestingen aanrichten.

De zonde van Gibea werkt door (vs. 9a)

Opnieuw herinnert Hosea aan de zonde van de Benjaminieten in Gibea (Richt. 19). Het behoeft ons niet te verwonderen, dat Hosea deze parallel trekt tussen zijn dagen en die van Gibea. Wat zich daar afspeelde was nog erger dan wat zich afspeelde in Sodom en Gomorra. Hoe wordt de vrouw van die Leviet onteerd en dan nog eens in stukken gesneden! Seks en geweld! Typisch voor de tijd van de Richteren, toen er geen koning was in Israël en ieder deed wat goed was in zijn eigen ogen. Met name de stam van Benjamin heeft zich aan die schandelijke daad schuldig gemaakt. Dat had Jakob wel goed gezien, dat er iets dierlijks zat in die jongen, toen hij profeteerde: Benjamin zal als een wolf verscheuren (Gen. 49: 27).
Had Benjamin de inwoners van Kanaän, die zedelijk op zo'n laag peil stonden, op Gods bevel maar verdreven, dan zou het misschien zo ver niet gekomen zijn. Ze zijn echter nalatig geweest, net als de andere stammen trouwens. En nu zijn de gevolgen niet te overzien. Ze worden gestraft in overeenstemming met hun gruweldaad. In de strijd, waarin Benjamin toen met de andere stammen gewikkeld werd, werd deze kleine stam zo verpletterd, dat het niet veel gescheeld had, of hij was totaal uitgeroeid. Slechts zeshonderd man weet het vege lijf nog te redden in de rotsen van Rimmon. Dat was de geschiedenis van Gibea!
En die geschiedenis brengt Hosea hier opnieuw (vgl. 9: 9) bij zijn tijdgenoten in herinnering. Sinds de dagen van Gibea hebt gij gezondigd o Israël. Daar zijn zij staande gebleven! Daarmee wordt onomwonden gezegd dat ze er, sinds de gruwelen die toen plaatsvonden, geen haar beter op geworden zijn. Nee, ze zijn daar blijven staan, ze zijn gelijk gebleven, dezelfde gebleven. Ze volharden in hetzelfde kwaad. Hun moreel is nog net zo verdorven aIs toen. Door zijn afgoderij heeft Israël zijn huwelijksband met de Heere verbroken. Ze zijn van Hem afgehoereerd en hebben Hem de trotse nek toegekeerd. En zo tekent Hosea in die gruweldaad van Gibea heel de religieuze en ethische ingezonkenheid van het volk: "Sinds de dagen van Gibea hebt gij gezondigd o Israël!"

De zonde in haar hardnekkig karakter

De Heere klaagt hier dat ze in die vreselijke zonde zijn staande gebleven! Ze leefden in die zonde. Als de profeet in de perikoop van deze bijbelstudie opnieuw zijn felle zoeklicht richt op Israëls zonde, komt het hardnekkige karakter ervan zo duidelijk aan het licht. De zonde is een ingeworteld kwaad geworden, een doorgaande lijn. Hier is geen sprake van "een somtijds uit zwakheid in de zonde vallen", zoals het doopsformulier zegt en daar vertroostend aan toevoegd: "dat wij aan Gods genade niet moeten vertwijfelen". Nee, zij waren juist in hun zonde blijven liggen. De profeet zegt het nog erger: U bent daarin staande gebleven. U bent op uw standpunt blijven staan. En nu kan het op zich wel een goede eigenschap zijn om pal te staan voor je beginselen, maar hier gaat het om de onverzettelijkheid in de zonde, en die is vervloekt. Ze zijn niet maar blijven liggen in de zonde, maar er in blijven staan. Ze hebben zich schrap gezet, toen God ze tot bekering riep. Ze hebben niet willen buigen. Ze hebben tegen beter weten in vastgehouden aan de zonde.
En nu eerlijk! Aan welke kant sta jij? Heb jij al gebogen onder God? Of leef je nog steeds met plezier in de zonde. Terwijl de Heere zo duidelijk roept tot bekering. "Verlaat uw slechtigheid en leef...! Bekeert u, want waarom zoudt ge sterven?" Israël wilde met dat ingeroeste kwaad niet breken. Het was hen veel plezieriger zo maar door te leven. Maar jongelui, dat is het ergste dat er is. Zondigen tegen God is erg, maar onbekeerlijkheid daaronder is het ergste, want dat eindigt in de eeuwige dood. Het „blijven in de zonde" is het ergste! Misschien zeg je: „Hoe kom ik er dan van verlost?" Zou je dat willen? Ben je bedroefd over je zonden? De Heere vergeeft menigvuldig en graag. En het bloed van de Heere Jezus wast niet alleen de schuld weg, maar dat breekt ook de kracht en de macht van de zonde. Dan gaan er totaal andere en nieuwe krachten in je werken. Dan word je een geheel ander mens. Net als Zacheüs, die kon ook zijn oude leven van leugen en bedrog niet langer meer voortzetten. En dat kan ook nog voor jou, want de Heilige Geest vernieuwt nog steeds mensen, zodat ze in hun hart een andere gezindheid krijgen. Dan word je spreken anders, je denken wordt anders, je doen en laten wordt anders, kortom, ze herkennen je niet meer zoals vroeger, wanneer Christus in je leven komt en je naar Zijn beeld wordt vernieuwd.

Op gelijke wijze wordt de zonde gestraft (vs. 9b-10)

Het tweede deel van vs. 9 wordt duidelijker als je het leest als een vraag: al de strijd te Gibea, tegen de kinderen der verkeerdheid ze niet aangrijpen? Zoals de Benjaminieten toentertijd door de andere Israëlieten in een bloedige strijd werden gedood, zo zullen nu, naar Gods wil, de goddeloze Israëlieten ook in de strijd omkomen, maar nu door het zwaard van „de volken". De Heere zal ze tuchtigen. Als Koning, die de geschiedenis regeert, zal Hij de Assyrische legers, die uit verschillende volken waren gerecruteerd (2 Kon. 17: 24) inschakelen om hen te straffen. Het "binden in twee voren" schijnt te wijzen op twee ossen, die samengebonden onder hetzelfde juk al ploegend de voren trekken. Zo gaat hier het beeld al over in dat van de landbouw uit de tweede profetie, Zoals Efraïm en Juda gelijke tred gehouden hebben in hun van de Heere afgeweken en afgodische leven, zo zullen ze ook beide de straf daarom ontvangen en onder een vreemd juk moeten ploegen. De straf wijst in ieder geval op de ballingschap. Andere verklaringen laten dit gedeelte slaan op de kalverendienst in Dan en Bethel. Weer anderen zien in die „dubbele schuld", zoals het ook wel vertaald wordt enerzijds het verworden koningschap en anderzijds de afgodendienst. Hoe het ook zij, Israël ging in het spoor van de zonde. En wie daarin volhardt zal het loon op de zonde ontvangen: de eeuwige straf. Laat het ons maar brengen aan de voeten van de Heere, want wie spijt heeft van zijn zondige leven en roept om genade zal zeker verhoord worden.

En de boer, hij ploegde voort....! (vs. 12a en 13a)

Dat Israël gefaald heeft in zijn roeping om God te dienen en tot afgoderij is vervallen en daarom gestraft zal worden, maakt Hosea ons nu duidelijk met een paar beelden uit het boerenbestaan, de landbouw, waarmee Israël zo vertrouwd is. We horen over dorsen, inspannen, ploegen, eggen, zaaien, maaien, akkerland, regen en het eten van de vruchten. Ga het maar eens na in de hierboven aangegeven verzen. Voor de duidelijkheid beginnen we bij vs. 13a: Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid en de vrucht van de leugen gegeten. Wat een aanklacht! Dat was het tegenovergestelde van hun roeping. Zoals het leven van een landbouwer vrijwel geheel in beslag genomen wordt door ploegen en oogsten (en alles wat daartussen ligt) zo is Efraïms leven geheel opgevuld met goddeloosheid en verkeerdheid. Hun ploegen, dat wil zeggen het bereiden van hun levensakker, was goddeloosheid en daarom konden ze ook alleen maar verkeerdheid (slechtheid) maaien. Wie wind zaait, zal storm oogsten. En wat doen ze dan vervolgens? Zonder blikken of blozen eten ze smakelijk van de bedorven vruchten: de leugen. Zo was heel Israëls volksleven verziekt en tot in de grond toe bedorven. Goddeloosheid en verkeerdheid in plaats van liefdevolle toewijding tegenover God en de naaste. En tegenover de trouw van Gods verbond, stelde Israël die leugenachtige houding, waardoor men nog beweerde de Heere te dienen, maar in wezen de heidense vruchtbaarheidsgoden vereerde en de machthebbers van deze wereld naar de ogen zag. Geen wonder dat Hosea nu de oproep Iaat horen tot algehele levensvernieuwing. We lezen dat in vs. 12: ze moeten voortaan geen goddeloosheid meer zaaien, maar gerechtigheid, en geen verkeerdheid meer maaien maar weldadigheid. Gerechtigheid zaaien, dat wil zeggen de grondslagen leggen voor een leven overeenkomstig Gods rechtsorde, die Hij in Zijn geboden gegeven heeft voor de verhouding met Hem en de medemens. En weldadigheid maaien betekent: in liefdevolle verbondenheid met God en de naaste leven op die grondslag van de gerechtigheid. Om daartoe te kunnen komen moest Israël eerst een braakland braken, dat wil zeggen nieuw land ontginnen en daarop een nieuw leven beginnen. Een totaal nieuwe akker is nodig, want als je "zaait tussen de doornen", zoals Jeremia dat uitdrukt (Jer. 4: 3), als je zaait op een land waar het onkruid niet uitgeroeid is, dan zal de goede vrucht spoedig weer door het onkruid worden overwoekerd. Vandaar het advies om naar een geheel nieuwe akker om te zien, een reeds lang braakliggend terrein, waarvan men, na ontginning, grote vruchtbaarheid mag verwachten. Er moet dus niet alleen verandering komen in het zaaien en oogsten, maar ook in de bodem. Met de oude levenswandel moet radicaal gebroken worden. In de waarachtige bekering moet de gehele mens veranderen. Niet alleen zijn daden, maar ook zijn gezindheid, niet alleen zijn uiterlijk levensgedrag, maar ook de innerlijke gestalte van zijn hart. Dat hart nu is de bodem, de akker, het „braakland", waar Hosea over spreekt. Op dat hart komt het aan. Uit het hart zijn de uitgangen des levens. Vandaar dat Hosea zijn volk niet alleen op het zaaien en ploegen wijst, maar ook op de akker. Een nieuw hart is nodig, anders komt er van die bekering niets terecht.

Vragen

1. Als je de "zonde uit de dagen van Gibea" vergelijkt met wat er nu in de wereld te koop is, zijn we er dan op vooruit gegaan of achteruit?
2. Welke verzen uit deze perikoop hebben te maken met het landbouwleven? Waarom zou de profeet juist in deze beelden laten weten wat er fout zit?
3. Wat is de betekenis van vs. 12 voor ons en de tijd waarin we leven? Ligt hier nog een verbindingslijn met het conciliair proces?

Vlissingen ds. C.G. Vreugdenhil

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1990

Daniel | 32 Pagina's

Drie profetieën in verband met Israëls zonde (1)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1990

Daniel | 32 Pagina's