JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Vraaggesprek met oud-Indiëgangers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vraaggesprek met oud-Indiëgangers

18 minuten leestijd

Op 4 oktober j.1. hadden we in het Centraal Bureau te Woerden een vraaggesprek met vier oud-lndiëgangers. Het was 40 jaar geleden dat zij als jongens van 19 en 20 jaar in Indië waren, maar al pratend beleefden ze die tijd als het ware opnieuw. We hadden met elkaar een fijne middag, waarop het goed was bij elkaar te zijn.

We willen eerst de deelnemers aan het gesprek voorstellen. Het zijn:

L.G. de Deugd tc Dordrecht, geboren 19 juli 1927. De heer De Deugd moest november 1946 in Bergen op Zoom opkomen. Hij was ingedeeld bij 4-III R.I. (4e Bataljon, 3e Regiment Infanterie) en vertrok in maart 1947 (als gevolg van de strenge winter een maand later dan de bedoeling was) met de „Sloterdijk" naar Indië. Hij werd in Bandoeng op West-Java gestationeerd en was brenschutter. Een bren was een lichte mitrailleur, in die tijd een belangrijk wapen. J. Guiljam te Woerden, geboren 24 januari 1927. De heer Guiljam ging ook met de „Sloterdijk" naar Indië en kwam op 31 december 1947 in Palembang op Zuid-Sumatra aan. Hij maakte deel uit van 5-III R.I. en verbleef eerst op het vliegveld Talang Betoetoe: daarna in Mangundjaja.

Joh. Janse te Middelburg, geboren 15 december 1926. Dc heer Janse vertrok in mei 1947 met de „Johan de Witt" cn kwam in de marinehaven Soerabaja aan land. Hij verbleef eerst enkele maanden in dc Kromhoutkazerne en moest vervolgens met zijn bataljon (een bataljon bestaat uit 850 man) in samenwerking met de mariniers Madoera bevrijden. Daarna hebben ze nog ccn paar maanden op Oost-Java rond gezworven in de strijd tegen de guerilla's. Hij hoorde bij het 4c Bataljon Garde Regiment Jagers.

T. van Welie te Rhoon, geboren 10 december 1925. De heer Van Welie vertrok oktober 1946 met dc „Bloemfontein" naar West-Java, waar hij eerst in Buitenzorg werd gelegerd en later in Tjipiijocng. Hij was ingedeeld bij het 3e Bataljon Garde Regiment Jagers. We stelden hen de volgende vragen:

Waarom moest u naar Indië? Om als dienstplichtig militair de orde en vrede tc herstellen cn te handhaven. Luitenantgeneraal S.H. Spoor schreef ons in een brief: „Wapenbroeder! Gij rukt niet op om aan dit land de oorlog te brengen, maar om het de vrede te hergeven. Gij komt niet als veroveraar, maar als bevrijder. Gij komt niet om te straffen, maar om te beschermen." Zo hebben we het over het algemeen ook ervaren. Op veel plaatsen is dc rust hersteld en hebben we de bevolking geholpen bij dc wederopbouw van het land.

Wie werden aangewezen om te gaan?

Alle jongens die in die tijd goedgekeurd werden voor militaire dienst moesten naar Indië. Sommigen wilden niet en doken onder, maar de meesten hadden wel zin om te gaan. We hadden de oorlogsjaren pas meegemaakt. We waren gezagstrouw en gingen met een zekere moed onze vaderlandse plicht vervullen. Bovendien was zo'n reis naar Indië vlak na de oorlog, toen we helemaal niets gewend waren, ook iets heel bijzonders.

Hoe werd u op de uitzending voorbereid?

We kregen eerst allemaal een infanterietraining van zes weken, van welk onderdeel je ook was. Infanteristen zijn de ..zandhazen", het voetvolk. Na die eerste weken kreeg je bij je eigen onderdeel nog een speciale opleiding voor een tropenoorlog (soms in de sneeuw...). We moesten veel oefenmarsen lopen en alvast Maleis leren. Verder kregen we land-cn volkenkunde over Indië en werd aandacht besteed aan hygiëne. Het aankweken van kameraadschap hoorde ook tot de voorbereiding.

Hoe verliep de zeereis naar Indië?

De Deugd: In de Golf van Biscaye hebben we storm gehad. Bij een zware golfslag gleden alle borden van de tafels en kwamen we zelf in het eten terecht. Heel bijzonder vond ik het dat we op zondag tijdens de kerkdienst precies over de plaats voeren waar het volk Israël door dc Rode Zee is getrokken.

Van Wèlie: We waren met ongeveer 2000 man aan boord en de reis zou vier weken duren. Daarom werd er voorzichtig aan gedaan met de etensvoorraden. We kregen eerst niet zoveel en toen werd cr in koor „Honger, honger" geroepen. Guiljam: Bij ons is er bijna opstand geweest aan boord omdat het eten niet goed was. Daarna werd het gelukkig beter. De ventilatie was ook niet best. maar we waren jong cn vonden het toch wel een avontuur.

Janse: In het begin hebben we veel last van zeeziekte gehad. Later voeren we in dc Indische Oceaan over een gladde zee. Toen was het prachtig weer. Wc zagen vliegende vissen en dolfijnen en sliepen 's nachts op het dek. Het eten was goed bij ons. Wc hebben eigenlijk een plezierige heenreis gehad. We waren meer idealistisch dan realistisch en veel opgewekter dan op de terugreis.

Van Wel ie: Toen waren we volwassen geworden en verschillende van onze kameraden waren gesneuveld.

Hoe was bij aankomst de toestand in Indië?

Janse: Voor de kust van Batavia is de „Johan de Witt" over een wrak heengevaren. Er sloeg een gat in de romp. maar we zijn toch doorgegaan naar Soerabaja. Daar lag de haven ook vol wrakken. We kwamen op zaterdag aan en 's zondags ben ik meteen m'n werk als kok begonnen.

De Deugd: Wij kwamen in de haven van Tandjong Priok bij Batavia aan. De meeste indruk maakte op mij de grote armoede waarin de bevolking verkeerde. De arbeiders (koelies) aten etensafval op en langs de weg zagen we lijken van mensen die van honger gestorven waren.

De gewone bevolking zag naar onze komst uit. Er trokken peloppers en rampokkers rond; dat waren benden die zich uitgaven voor vrijheidsstrijders, maar ook burgers beroofden en doodden. Ze opereerden op zichzelf en stonden niet onder een bepaald gezag. Het Indonesische leger vormde ook geen eenheid. Alleen de Siliwangi-divisie op Oost-Java was gedisciplineerd en goed opgeleid.

Van Wel ie: We werden door de kinderen in de kampong met gejuich begroet.

Guiljam: Op oudejaarsavond van 1947 kwamen we op Sumatra aan. Om nooit te vergeten! In de Straat van Malakka waren we overgestapt op een grote landingsboot. die ons over de Musi naar Palembang bracht. Daar werden we ontscheept en 's nachts meteen met vrachtwagens naar het vliegveld Talang Betoetoe vervoerd.

Kunt u iets vertellen over uw verblijf in Indië?

Van Wet ie: We zaten eerst in verwaarloosde huizen in Buitenzorg en daarna in een rubberfabriek. We waren er pas een week toen in een kort vuurgevecht de eerste dode al viel. Er werd elke nacht wel geschoten. Na drie maanden werd de toestand beter. Toen heerste er weer orde cn rust en kon je van 's morgens zes tot 's avonds zes zonder wapen lopen.

De Deugd: Dat was in Bandocng ook zo.

Guiljam: Op Zuid-Sumatra is het steeds vrij rustig geweest. We zaten op het vliegveld en eigenlijk gebeurde er nooit wat. Ik heb maar één echt

patrouille meegemaakt waarbij geschoten werd. Er zijn van ons hele bataljon zes soldaten gesneuveld en twee zijn aan een ziekte overleden. We moesten wel veel op wacht en na dc politionele aktie van eind 1948 werd er intensief patrouille gelopen. Er stonden bij ons in de buurt 90 boortorens van de BPM (Bataafse Petroleum Maatschappij), die bewaakt moesten worden. Als we in onze vrije tijd weggingen waren we nooit gewapend. Janse: Wij hebben alleen op het bevrijde Madoera rust gehad. Daar liepen wc later ook zonder wapens. Maar op Java werd er bijna elke nacht geschoten. We hebben anderhalfjaar nooit echt nachtrust gekend.

Wat waren de politionele akties?

Dat waren akties van onze troepen om het republikeinse leger uit de schakelen en meer gebied onder kontrole te krijgen. De Nederlandse regering wilde daardoor de onderhandelingen met Indonesië over de souvereinitcitsoverdracht vergemakkelijken. De dcmarkatielijn, die van Batavia naar Bandoeng liep cn de scheiding aangaf tussen de gebieden die door Nederland en Indonesië waren bezet, werd door onze troepen overschreden. De eerste politionele aktie begon op 21 juli 1947. maar moest onder druk van Amerika al op 4 augustus worden beëindigd. De tweede aktie was in december 1948. Toen werd Jogja bezet, waar dc republikeinse regering zetelde cn verschillende leiders werden gevangen genomen. Ook deze aktie moest onder dwang van de Verenigde Staten worden beëindigd.

Hebt u aan gevechtshandelingen deelgenomen?

Van Welie: Na drie maanden in Buitenzorg te zijn geweest, moesten we 40 km verder dc binnenlanden in. Wc hebben daar tot aan dc eerste politionele aktie steeds patrouille gelopen, 't Was net of er al iets „in dc lucht hing". Dat klopte ook wel. want op zondag 20 juli kregen we orders om ons gereed te maken. Om negen uur moesten we verzamelen in de kantine, waar de

kapitein ons uitlegde wat er ging gebeuren. Om twaalf uur moesten we de demarkatielijn overschreden hebben. Dat is ook gebeurd. Met twee pelotons hebben we de hele nacht doorgelopen. Nadat we ongeveer vier km opgerukt waren, vielen we in een hinderlaag en kregen wc een stoot vuur. We konden ons gelukkig in hel hoge struikgewas laten vallen, maar er werden toch twee jongens geraakt. De ene was m'n slapie; hij stierf op de brancard. Dan gaat er heel wat door je heen.

Na de eerste politionele aktie hebben we nogal gezworven. Er werden zo hier en daar ook zuiveringsaktics uitgevoerd. Eén ervan is het vermelden zeker waard. Het was een grootscheepse aktie. Volgens de inlichtingen bevonden zich goed gewapende stellingen van het Indonesische leger (TNI) in de omgeving van Soekaboemi. 's Morgens vroeg gingen we op pad. We moesten ccn groot dal doortrekken waar een flinke mistbank lag. Deze mistbank nu was onze dekking. Dit hebben we met onze vriend Nijsink uit Rijssen als een duidelijke bewaring gezien. De stellingen werden totaal overrompeld en de bestorming van de berghellingen was maar kinderspel. Zo kon het na vele gespannen uren ook wonderlijk meevallen. Ik wil ook nog melding maken van het sterven van Adrie van de Krccke uit Wolphaartsdijk. Hij was ook van het 3e Bataljon Jagers. Hij sneuvelde in oktober 1947 bij een beschieting, terwijl hij een auto bestuurde. Ik heb later in Nederland zijn familie nog opgezocht. Ik zal nooit vergeten hoe zijn moeder me bij het weggaan bedroefd nawuifde.

De Deugd: Bij de eerste aktie zelf waren er bij ons geen doden, maar daarna zijn nog heel wat jongens door mijnen omgekomen. Er lagen ook veel trekbommen.

Dc meest gevaarlijke situatie hebben we meegemaakt toen er ccn groep van ongeveer 300 peloppers op ons afkwam. We waren bang voor insluiting cn toen hebben we zelf het vuur geopend. Dat was heel moeilijk, maar er waren fanatieke groepen bij. die dachten dat zij onkwetsbaar waren. Ze bleven doorgaan cn wilden zich niet terugtrekken. Toen liep ons eigen leven gevaar.

Maar er zijn ook omstandigheden geweest waarin wc - op hoger bevel - een grote schuld op ons geladen hebben ten opzichte van de burgerbevolking. Dat had nooit mogen gebeuren. Janse: Ik ben altijd kok gebleven: daarom ben ik niet veel meegcwcest op patrouille.

Maar ik maakte alle gevechtshandelingen toch wel van dichtbij mee. Dikwijls waren er de nachtelijke aanvallen en beschietingen.

Zo gebeurde het in Kertosono op Java. dat een mortiergranaat op het dak van ons huisje tot ontploffing kwam en m'n slapie en ik onder het puin terecht kwamen. M'n vriend had ccn scherf in de rug en werd na de aanval afgevoerd naar het hospitaal. Zelf kon ik enkele uren bijna niets zien vanwege stof en gruis in m'n ogen. Toen hebben we zo de wonderlijke bewaring des Heeren ondervonden. Want sommige granaten ontploften pas als ze door het dak op de grond kwamen. Deze ontplofte gelukkig eerder. Ik schreef aan m'n meisje: als ik terug mag komen, zal ik wel heel m'n leven dankbaar zijn. Wat is daarvan terecht gekomen. Bij ons is de beschaamdheid des aangczichts. Ouderling De Priester wees me later op het woord van de apostel: „Laat ons dan altijd door Hem Gode opofferen een offerande des lofs, dat is de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden."

Na de bevrijding van Madoera hebben we daar enkele maanden rust gehad. Maar er is daar iets gebeurd

dat onuitwisbare indruk op me heeft gemaakt. Bij ons bataljon hoorde ook Henk van Aalst, met wie ik op de boot al kennis had gemaakt. Hij was een ernstige jongen die zich niet schaamde om voor zijn overtuiging uit te komen. Hij was Gereformeerd en afkomstig uit Pijnacker. maar hij voelde zich één met ons.

Toen het op Madoera al rustig was. maar er toch nog regelmatig patrouille werd gelopen, maakte het peloton van Henk zich gereed om naar de omgeving van Arosbaja te gaan. Voordat ze op weg gingen, zei hij tegen zijn vrienden: ..Jullie moeten dat naar m'n thuis sturen en het overige mogen jullie onder elkaar verdelen, want ik zal niet meer terug komen." Iedereen vond dal vreemd en verschillenden zeiden: ..Joh. hoe kom je daar nu bij? F.r gebeurt in deze omgeving nooit meer iets." Toch gingen ze bedrukt op pad.

Na enkele uren werd het peloton in de buurt van Arosbaja vanuit een hinderlaag beschoten. Iedereen zocht dekking en er heerste grote verwarring. Na de schietpartij werd Henk van Aalst vermist. Al het zoeken in de omgeving leverde geen resultaat op: ook de volgende dag toen met versterking werd gezocht, vond men geen spoor van Henk. De dag daarop kregen we via de inlichtingendienst het bericht dat hij gevangen was genomen en op beestachtige wijze vermoord en daarna in de rivier geworpen. Ik moet nog dikwijls aan deze gebeurtenis denken.

Op Madoera zijn drie doden gevallen, maar toen wc weer naar Oost-Java terug gingen zijn daar nog 41 manschappen omgekomen. Eens moest met een gepantserde masterjeep de weg die we zouden gaan van tevoren bekeken worden. De jeep zat te vol cn Henk Haase uit Rijssen moest overstappen in een andere, niet gepantserde wagen, wat hij eigenlijk niet wilde. Na een paar km reed de jeep op een mijn en vonden alle zeven inzittenden de dood. Henk Haase, die in de volgende auto zat. bleef leven.

We hebben verschrikkelijke dingen meegemaakt en waren eigenlijk steeds in doodsgevaar. Ik heb lange tijd nergens over kunnen praten, maar dat is de laatste jaren gelukkig veranderd. Nu mag ik er iets van aan jongeren doorgeven.

De Deugd: Mijn ervaring is precies hetzelfde. Ik heb er ook jarenlang nooit over gesproken, maar twee jaar geleden en ook dit jaar heb ik er op mijn werk, een scholengemeenschap, over verteld aan de examenkandidaten.

Was u hel ermee eens dar Indië een zelfstandige slaat werd?

De Deugd: Toen niet. nu wel. Guiljam: Je dacht alleen maar aan de macht die we uit handen moesten geven.

Janse: Het was heel deprimerend om te zien dat de Nederlandse vlag werd neergehaald en de Indonesische gehesen. We moesten ook onze wapens en het materieel overdragen. Toch had het land ook recht op zelfstandigheid. In 1942. na de bezetting door Japan, hield Koningin Wilhelmina in Londen een rede, waarin zij beloofde dat Indië een zelfstandige staat zou worden. Dat was 40 jaar te laat! Ik kan me helemaal vinden in de gedachten van ds. A. Vergunst toen hij op 4 mei 1973 op het ercveld „Pandu" te Bandoeng bij het graf van zijn vriend Aad Rijsdam stond.

Van Welie: Ik ook.

Hebt u kunnen merken dat er veel voor de jongens in Indië werd gedaan?

Ja. zeker! We kregen altijd „Daniël" toegestuurd en regelmatig kwamen er pakketten met boeken, preken en allerlei dingen in natura. Ook kregen we brieven van predikanten. We hebben al dat meeleven als heel positief ervaren.

Had u kontakten met gelijkgezinden ?

De Deugd: Er was bij ons van godsdienst weinig te merken; niemand had er eigenlijk belangstelling voor. Ik was al blij als ik in een grotere plaats eens een kerkdienst kon bijwonen.

Guiljam: Wij hadden eigen leesdiensten. maar ook door het leger werd veel aan de geestelijke verzorging gedaan. Van Welie: In de tijd kort voor ons vertrek werd in Batavia

in ccn zaaltje door adjudant Van der Meer preek gelezen. Hij was beroeps cn diende bij het KNIL.

Janse: Bij ons in Soerabaja was er onderlinge verbondenheid rond Schrift en belijdenis tussen jongens van verschillende kerken. Met de dood voor ogen en in het licht van de eeuwigheid valt er veel weg dat geen wezenlijke waarde heeft. We hebben daar iets van dc werkelijke eenheid mogen ervaren, die zingt: „Ik ben een vriend, ik ben een metgezel, van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen".

Van de jongens van onze gemeenten waren er velen niet gevaccineerd. Hebt u daar problemen mee gehad?

Guiljam: Dat viel eigenlijk erg mee. Op de heenreis werden ons wat beperkingen opgelegd. Ook op Zuid-Sumatra heeft er tijdens ons verblijf een pokkenepidemie geheerst. Dit was voor mij persoonlijk een bange tijd. vooral toen deze vreselijke ziekte zich bij een vriend openbaarde. Deze jongen is heel erg ziek geweest; het is een wonder dat hij mocht herstellen. Na de souvereiniteitsoverdracht werden dc nictgcvaccineerden uit de gehele Archipel met vliegtuigen overgebracht naar het toenmalige Batavia.

We konden niet met ons eigen onderdeel naar Holland terug. Dit was in verband met internationale voorschriften, omdat wij uit besmet gebied kwamen.

Na twee weken quarantaine in een hospitaal werden we apart met auto's aan boord gebracht. We waren met 178 man en gingen als „detachement vaccinatie-weigeraars" de terugreis aanvaarden. Wc hadden een goede tijd. De Deugd: Ik heb er nooit enige hinder van ondervonden dat ik niet was ingeënt. Ik ben door een ongeval gewond geraakt en al in april 1948 met een hospitaalschip, de „Grote Beer", met andere zieken en gewonden gerepatrieerd. Van Welie: Wij hebben al een jaar voor ons vertrek uit Indië met een groepje van zes enkele maanden in afzondering moeten doorbrengen. Eén van ons. Maarten Kortleven, is toen ziek geworden cn overleden. Dat gaf voor mij een aangebonden leven aan dc troon der genade.

Janse: Ik heb een tijd van vertwijfeling gehad toen mijn bataljon vertrok en ik moest

achterblijven. We hadden eerder in Soerabaja al zes weken achter prikkeldraad gezeten. Een kommandant daar had gezegd dal we nooit meer naar Nederland terug mochten en naar Nieuw-Guinea zouden worden gebracht. En ik wilde na drie jaar zo graag terug naar m'n meisje, met wie ik al verkering had toen ik naar Indië ging.

In mijn vrouw wil ik alle vrouwen en meisjes hulde bieden die zo trouw op hun mannen en verloofden hebben gewacht. Naast Gods zorg over ons heeft ook hun steun ons voor veel kwaad bewaard, want dc verleiding was erg groot.

Uiteindelijk mochten alle 178 niet-gevaccineerden in april 1950 met dc „Zuiderkruis" naar huis. We moesten bij elkaar in "t voorschip, maar waren verder helemaal vrij. We kwamen 9 mei in Rotterdam aan. Wat een weerzien was dat daar!

Hoe hebt u de terugreis en aankomst in Nederland ervaren?

Guiljam: Er heerste een gedeprimeerde stemming aan boord. Het afscheid van Indië greep ons toch aan. Wc waren van het land en zijn bevolking gaan houden. Met veel weemoed hoorden we bij ons vertrek het „Wilhelmus" spelen.

Thuis moesten we erg wennen; alles was hier zo klein. We waren de ruimte gewend en je was zelf erg onrustig.

Janse: Ik miste de jongens en heb hen gauw weer opgezocht. Heel fijn was de bijeenkomst in dc kerk aan de Boothstraat te Utrecht op 25 mei 1950. We waren op uitnodiging van de Synodale Commissie met familie en vrienden bij elkaar. Dat was een onvergetelijk samenzijn.

Hebt u nog een slotopmerking? Guiljam: "t Is ondanks alles een goede tijd geweest, maar laten we hopen en bidden dat onze jongens van nu zo'n oorlog nooit mee hoeven te maken.

De Deugd: We hebben in korte tijd ontzettend veel beleefd wat je nooit meer vergeet. Toch had ik hel niet graag willen missen. Ik zie het als Gods leiding in mijn leven.

Van Welie: Het is een wonder dal wij gezond terug mochten komen. Het zijn de goeder-! tierenheden des Heeren dat we niet vernield zijn. Ik hoop dat de Heere door Zijn Geest krachtig zal werken op ons i zendingsveld in Nicuw-Guinea en in heel Indonesië. , Janse: We moeten spreken I over Gods trouw en goedheid

Die ons heeft bewaard. Daar hebben we op die bijeenkomst in Utrecht ook van gezongen uit Psalm 85:3. Ik denk met heimwee terug aan de eenheid die wc in Soerabaja rondom Gods Woord mochten ervaren. Het is mijn hartelijke wens dat ook in ons land gezien mag worden wat we destijds in Indië in werkelijkheid hebben beleefd. In wezen is al Gods volk toch één!

We danken u allen hartelijk voor uw bereidheid iets te vertellen over deze ingrijpende periode uit uw leven. We zijn ervan overtuigd dat onze jongeren er met belangstelling kennis van zullen nemen. En bij ouderen die deze tijd hebben meegemaakt zal het zeker vee! herinneringen oproepen. De Heere stelle hel tot zegen.

Zeist, H. de Deugd

Geldermalsen,

Z. Crum-Nieuwland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1989

Daniel | 32 Pagina's

Vraaggesprek met oud-Indiëgangers

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1989

Daniel | 32 Pagina's