Stelt uw hart op uw wegen!
Bijbelstudie over de profeet Haggaï
De tempelbouw laten liggen
Hel is 29 augustus 520 vóór Christus. De Joden zijn samengestroomd op het tempelplein te Jeruzalem.
Tempelplein? Nou ja, wal dan vroeger het tempelplein was. Koning Nebukadnezar had een kleine 60 jaar geleden Jeruzalem en het land geplunderd en verwoest. De tempel was verbrand en in een puinhoop veranderd. Israël was weggevoerd.
Zo was het gegaan! Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen. Israël is niet ongewaarsehuwd weggevoerd. De Verbondsjehova had hen zo vaak laten vermanen, waarschuwen cn nodigen tot bekering. ..Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stem horen. Israël verliet Mij cn Mijn geboón en heeft zich andere goön tot haar lust verkoren". Al Gods goedheid versmaad en Zijn liefde beledigd. God kon en wilde niet anders dan Zijn recht handhaven. Daar is Hij God voor. nog! Let daar op jonge vrienden: Hij zal de schuldige geenszins onschuldig houden.
Maar. hoe komen die Joden daar nu op die augustusdag in Jeruzalem? Och. dat is een wonder. God dacht in Zijn toorn aan Zijn ontfermen. Niet omdat Israël dat verdiend heeft, dat is duidelijk. Maar om Zijn grote
Naam. Die zal dwars door de zonde heen verheerlijkt worden. Israël is een Messiaans volk. Uit haar zou toch de Messias, de Christus, voortkomen. En, heeft God beloofd, dat een overblijfsel naar de verkiezing van zijn genade, behouden zal worden? Behouden worden in die Messias, die de zondeschuld zal voldoen. Hij zal de heerlijkheid en de vervulling van dc tweede tempel (2:10) en dé Knecht des Heeren zijn (2:24).
De HEERE beschikte het zo, dat in het jaar 539 vóór Christus, de Perzische koning Cyrus (ook wel Kores) Babylonië overwon en daarna de Israëlieten (die vanaf die tijd Joden werden genoemd) toestemming gaf naar hun land terug te keren. Die Joden hadden alle reden om te stamelen met een gebroken hart: „Het zijn de goedertierenheden des Heeren dat wij niet vernield zijn en dat zijn barmhartigheden geen einde over ons genomen hebben". Ik zou zeggen: die reden ligt er in ieders leven, zeker als wij onder Gods waarheid opgegroeid zijn en alles verzondigen!
Opmerkelijk: oals de Heere eens Israël met schatten liet optrekken, zo ook nu uit Babel. Bovendien zegde koning Kores hen financiële steun toe (Ezra 6:4).
Spoedig na hun terugkeer hebben de Joden het brandofferaltaar herbouwd en legden zij de eerste steen voor de nieuwe tempel. Zou er een geestelijk zielsverlangen geweest zijn? Zou er een doodschuldig en onwaardig zondaarsvoJk zijn geweest dat uitzag naar wat de HEERE had gesproken: „Daar zal Ik tot u komen en spreken van het verzoendeksel af? " Zouden er onder onze jonge mensen zijn, die zo verlangen naar het huis des Heeren? De Heere Zelf verwekt door wederbarende genade in het hart van Zijn uitverkorenen de smart over de zonde, de droefheid naar God. het zieleheimwcc naar God. Mocht Hij Zich in Zijn woning over mij ontfermen cn mocht ik Hem vrezen.
De Joden aan de slag:
God Zelf heeft deze berg begeerd Ter woning om, aldaar geëerd. Zijn heerlijkheid te tonen. De Heer', die hem verkoren heeft, Die trouwe houdt en eeuwig leeft. Zal hier ook eeuwig wonen.
Maar....
Na die eerste steenlegging was er niets meer gebeurd!
Al spoedig deden zich moeilijkheden voor. Vijandschap en tegenwerking van verwante, half-heidense volksstammen, met name de Samaritanen. Ook was in Perzië (Iran) de politieke wind gedraaid: er kwam geen subsidie meer.
Bovendien waren er onderlinge geschillen. Toenemende moedeloosheid en onverschilligheid lieten zich gelden. Het geld waarover men beschikte bij terugkeer was hard nodig voor herbouw van steden en dorpen en het opnieuw inplanten van akkers en wijngaarden. Toen kwamen er misoogsten (1:6). Ze verarmden.
Alles bij elkaar: oor dc herbouw van de tempel geen geld. geen tijd. geen gelegenheid. De HEERE hoorde het dc Joden zeggen: .De tijd is niet gekomen, de tijd. dat des HEEREN huis gebouwd worde" (1:2). De Heere werd door de Joden opzij gezet.
Zo begon dat al in het paradijs, in de zondeval: als God willen zijn. De mens zal willen uitmaken of hij God dienen zal of niet. God afhankelijk van de mens.
Nog. jonge vrienden, nietwaar?
Eerst mezelf dienen en dan God! Eerst huizen en landerijen herstellen en dan de tempel. Eerst alles voor mezelf en wat er over blijft is voor de Heere.
Alleen hartvernieuwende genade brengt tot de onderweqiing: ..Heere. wat wilt Gij dat ik doen zal? ". Alleen als de onverdiende genade Gods ons hart vervult, zal gehoord worden: ..U al
mijn liefde waardig schatten, omdat Gij mijn rechterhand woudt vatten".
Maar daar was bij Saulus van Tarzen een harde hand voor nodig. En bij Asaf ook. En bij de Joden toen ook. En bij ons ook! We zijn niet zo lief voor de Heere.
Opwekking tot de tempelbouw
Daarom nu Gods woord tol Haggaï. En Haggaï zal Gods mond tot het volk zijn. Hij zal het moeten zeggen: mijn volk, de Heere heeft recht op Zijn huis, op u en op uw bezittingen.
„Stelt uw hart op uw wegen" (1:5).
Haggaï. de feesteling, die op een feestdag geboren is, dat is de betekenis van zijn naam. Is hij nog een jonge man? Of misschien al oud? Hij spreekt in hoofdstuk 2 van de heerlijkheid van de oude, nu verwoeste tempel. Heeft hij die zelf nog gezien? Dan moet hij een oud man zijn.
Van zijn afkomst weten wij niets. Alleen dat hij tegelijkertijd met de profeten Zacharia en Maleachi leefde en profeteerde na de Babylonische ballingschap.
De Heere gaf hem de nodige vrijmoedigheid om het volk aan te spreken, toen op die dag in augustus in het jaar 520 vóór Christus. En op de 21e september opnieuw. Op 18 oktober en 18 december weer.
Met vrijmoedigheid sprak Haggaï de stadhouder aan. daar op dat tempelplein, waar slechts het brandofferaltaar was hersteld en de eerste steen lag.
Dit aanvankelijk herstel had alweer zo'n 18 jaar geleden plaats gevonden. Zerubbabel heette die stadhouder. Hij is aangesteld door de Perzische koning over Juda. Haggaï spreekt ook Josua aan. Die is de hogepriester.
Dus in beide personen: overheid en kerk. In deze voorgangers wordt het gehele volk aangesproken. Het is juist de feestdag van de nieuwe maan. waarop meestal een feestgave voor dc dienst des Heeren werd geofferd. Veel zal het wel niet geweest zijn.
Haggaï moet hen in de Naam des Heeren vermanen cn juist op deze dag opwekken tot grotere offervaardigheid en inspanning om Gods huis te herbouwen.
De vermaning is niet mis! Gods Woord is altijd ontdekkend en het gaat in de hand van dc Heilige Geest „door tot de verdeling der ziel en des geestes en der samenvoegselen. en des mergs, en het is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten" (Hebr. 4:12). Dan ook zal het dc zondaar doen vrezen met diep ontzag en schulderkentenis voor Gods
heilig aangezicht en hongerig maken naar de gerechtigheid, naar dc verzoening en vernieuwing door de Middelaar Jezus Christus.
Hoor Haggaï eens spreken. Hij spreekt Gods Woord. „Dit volk", zei de HEERE. Niet: Mijn volk, maar dit. De HEERE heeft verdriet van Zijn volk. Het volk beledigde Hem. Daarom: „dit volk".
Toch wil Hij uit vrije genade zo'n volk nog tot Zijn volk aannemen. Daartoe dienen juist de bestraffingen.
„De tijd is niet gekomen, dat des HEEREN huis gebouwd worde". Dat had het volk gezegd!
Maar „is het voor ulieden wel de tijd. dat gij woont in uw gewelfde (houten) huizen cn zal dit huis (Gods huis) woest zijn? Nu dan. alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen".
God vermaant het volk hun zondige weg te overdenken en zich tot Hem te bekeren. Hij wist wel, zij zorgden eerst voor hun eigen huis en dan later pas voor Gods huis. Eerst het tijdelijke en dan het geestelijke. Eerst „ik", dan God. Het is afgoderij!
Ik moest u wel straffen, zegt de Heere. Ik heb recht op u en al wat u bezit, want Ik gaf het u. Daarom heb Ik een droogte uitgeroepen over het land (1:11). Zo zal het volk kreunen van ellende cn tot zichzelf komen en tot God wederkeren.
„Toen hoorde Zerubbabel. dc zoon van Sealthiël. en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van de HEERE. hun God. en naar de woorden van de profeet Haggaï. gelijk als hem de HEERE, hun God gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN". (1:12).
En zie dan nu Gods onverdiende ontferming: Ik ben met ulieden. spreekt de HEERE" (1:13).
En het volk kwam en maakte hel huis van de HEERE der heirscharen. hun God (1:14). Een nadere uitwerking van de verzen 12 t/m 14 vinden jullie in de bestudering van de bijgevoegde vijf diskussievragen.
De nieuwe tempel minder mooi?
Andermaal spreekt de HEERE door Zijn profeet Haggaï tot het volk. Zijn er soms ouderen onder het volk. die klagen dat de nieuwe tempel lang zo mooi niet is als die van Salomo?
Let op. zegt de HEERE, Ik zal Mijn Geest in het midden doen zijn. Net als toen ik u uit Egypte verloste en een verbond met u maakte. De heerlijkheid van die nieuwe tempel zal zo groot zijn. dat de heidenen zullen komen tot dit huis. Denkt gc geen geld genoeg te hebben voor de herbouw van de tempel? Ik beschik er over: Mijn is het zilver, en Mijn is het goud" (2:9).
De heerlijkheid van de nieuwe tempel zal veel groter zijn dan van dc eerste.
Waarom? De Wens der heidenen (2:8) zal daar zijn. dat is dc grote vervulling en inhoud van de tempel, namelijk Jezus Christus, de Zoon van God. In Hem zal God Zelf tegenwoordig zijn. Hij is het afschijnsel van des Vaders heerlijkheid cn het uitgedrukte beeld der Goddelijke zelfstandigheid (Hebr. 1:3).
Hij is dc Zaligmaker der wereld. Die in de volheid des tijds komen zal in deze nieuwe tempel en Jood en heiden zullen tot Hem komen en Hem aanbidden. Dat zal die Geest doen, krachtdadig en onwederstandclijk (2:6-I 10).
Wat een genade en vertroosting voor een schuldig volk. In deze plaats zal Ik vrede geven (2:10). Vrede door het bloed des kruises. Lieflijk woord, jonge vrienden, als je moet uitroepen: ust noch vrede wordt gevonden, om mijn zonden, in mijn beenderen, dag noch nacht. En als de Heere dat toepast aan je ziel in Gods huis: in deze plaats zal Ik vrede geven".
Stelt er toch uw hart op
Het is intussen 18 december van het jaar 520 vóór Christus.
Opnieuw zal de HEERE door Zijn profeet Haggaï het volk aanspreken.
De profeet moet de priesters ondervragen inzake de Wet van Mozes (2:12-14).
Men weet het wel: niet het reine is
besmettelijk, maar het onreine. Wat wil de profeet Haggaï nu?
Wel, het is alweer zo'n drie maanden geleden, dat het volk zei: wij gaan de tempel nu echt opbouwen. En dan kijkt de profeet nog eens even terug.
Hoe kwam het toch, dat die tempel niet eerder herbouwd werd?
Wel. omdat het volk niet goed stond tegenover God. Ze zochten eigen voordeel en vergaten hun God. Daardoor waren zij onrein voor God. En alles wat zij aanraakten, was daardoor ook onrein. Ook hun offers (2:15). Dat is ook dc reden, dat de HEERE de zegen achter moest houden. Misoogsten en armoede. Naar Gods rechtvaardig oordeel ook tijdelijke straffen onderworpen, zo leert ons de catechismus.
Verzoening en reiniging is nodig in de weg van schuldbelijdenis en buigen onder Gods recht. Verzoening in de enige offerande van de Heere Jezus Christus, aan het hart toegepast door de Heilige Geest.
Vernieuwing is nodig door diezelfde Geest. De bekering tot God, de heiliging van hart en leven.
Een nieuwe geboorte is ons allen nodig!
Dan ook zal dc HEERE Zijn volk zegenen met goedertierenheid en zelfs het kwade kan Hij dan ten beste keren (2:20).
Daarom, Mijn volk Israël, zo zegt de HEERE: ..Stelt er toch ulieder hart op. van deze dag af en opwaarts, eer cr steen op steen gelegd werd aan dc tempel des HEEREN"'.
Overdenk uw zondige weg. Ik sloeg u, zegt God, maar gij keerde u niet tot Mij (2:16, 18). Er was dus verharding geweest.
Daarom opnieuw: telt er toch uw hart op. vanaf het moment van de eerste steenlegging van de tempel, overdenk uw weg; keert u tot Mij. En opnieuw: telt er uw hart op (2 x in 2:19). Het is dc HEERE ernst!
Ook nu, jonge vrienden! De Hccrc zoekt ons heil. dat moge toch eens een wonder worden. Maar Hij laat niet met Zich spotten.
Nog éénmaal spreekt de HEERE door Haggaï.
Het is nog op diezelfde dag.
Het is een woord voor Zerubbabel.
Die heeft de leiding over de tempelbouw.
Haggaï mag hem gaan bemoedigen. Ondanks alle tegenstand en aanvechting zal de HEERE het doen gelukken.
De tempel zal herbouwd worden. ..Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden" (Zach. 4:6). En Haggaï mag in de Naam des HEEREN zeggen: e HEERE zal de hemelen cn de aarde bewegen.
God zal het doen gelukken.
Zerubbabel zal Gods knecht zijn. Hij is door de HEERE tot dit leiderschap verkoren. Hij zal als Gods zegelring zijn. Met de zegelring worden opdrachten en kontrakten verzegeld. Die ring is teken van koninklijke macht. Die zegelring is de eigenaar of koning alles waard. Welnu, zo zal de HEERE Zerubbabel bewaren en zegenen. De tempel zal herbouwd worden. Zo spreekt de HEERE (2:22-24).
In dit woord heeft Gods Kerk altijd een profetie mogen lezen van de Messias. Zerubbabel was uit het koninklijk geslacht van Juda. Welnu, de Heere Jezus Christus is de grote Davidszoon, de Zoon van God en Hij zal des HEEREN tempel bouwen (Zach. 6:12). Hij is in het bijzonder de Knecht des Vaders. Dat geestelijk Godsgebouw zal naar Gods gemaakt bestek in eeuwigheid verrijzen. Alle vijandschap zal Hij overwinnen. Die lempel wordt gebouwd op Zijn „zoen-en kruisverdiensten". De Heilige Geesl houwt stenen uit de oude en harde rots Adam en legt die als levende stenen op dat énige fundament. Smeek de Heere. of hij ook jou door Zijn Geest en door wederbarende genade als een levende steen wil bouwen tot dat Gods gebouw (1 Petr. 2:5).
Slel er loch jc hart op. Stel er toch je hart op!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1989
Daniel | 32 Pagina's