De weg terug
„Het zegt me niets meer. Het zegt me niets meer." Een gedachte die steeds terugkeert, opgeroepen door het eentonige geluid van de motor van de bus. „Het-zegt-meniets-meer."
„Niets”, zegt ze half hardop, als om zichzelf te overtuigen. Het is zondagmorgen, een uur of tien. Ze realiseert zich dat cr de laatste drie jaar niet één zondag geweest is. dat ze rond deze tijd niet aan thuis gedacht heeft.
Thuis. Een woord dat ccn wereld van warmte en geborgenheid in zich houdt. Voor haar is het de laatste jaren echter een synoniem geworden voor onbegrip en verwijdering.
Thuis. Een woord ook dat een wereld van herinneringen oproept. Het gezellige, oude huis met zijn vele geheimzinnige plekjes. Uren heeft ze als kind zitten spelen in haar eigen hoekje, haar fantasie de vrije loop latend.
Ze denkt aan de koude wintermiddagen dat ze uit school kwam. Niets was er heerlijker dan met een kop warme chocolademelk bij de gloeiende kachel te zitten en te vertellen over alles wat je die dag had meegemaakt.
Ze denkt aan het kleine dorp dat haar ondanks alles nog lief is. Op dit moment zal een enkele laatkomer zich daar nog naar dc kerk spoeden. Vele, vele keren heeft ze zelf in het kleine kerkgebouwtje gezeten. Eerst als kind, eerbiedig en onder de indruk. Later als puber, opstandig en vol twijfels. Sinds zc in de stad woont, is ze er niet één keer meer geweest.
Hel speelt al jaren. Eigenlijk al vanaf dat ze een jaar of dertien was. Al maar meer vragen kwamen er in die tijd bij haar op. Wat was nu werkelijk geloven? Wie was God? Hoe kwam het dat er zoveel vreselijke dingen gebeurden? Wat moest jc met al die mensen die zich christen noemden, maar bij wie je in hun dagelijks leven niets van waarachtig christenzijn herkende?
Vragen die ze af en toe ook hardop stelde, thuis en op catechisatie. Soms op een wal uitdagende manier. Kwam het wellicht daardoor dat ze vrijwel nooit een antwoord kreeg waar ze iets mee kon? Steeds verder raakte zc innerlijk verwijderd van het kerkgenootschap waarbinnen ze was opgegroeid. Toen zc voor haar opleiding van woonplaats moest veranderen, achtte ze dan ook de tijd gekomen om de kerk vaarwel te zeggen. De relatie met thuis, die toch al niet optimaal was, verslechterde nog meer door dit besluit. Ze had het idee dat ze haar niet wilden begrijpen. Ze kónden haar misschien ook niet begrijpen. Hoe zou je vragen beantwoorden die jc zelf nooit gesteld had? Hoe moest je omgaan met twijfels die je nooit gekend had? De laatste jaren komt zc heel weinig thuis en nooit blijft ze een zondag over.
Het is gaan regenen. De ruiten van de bus beslaan. Met haar vinger veegt zc een plekje schoon. Zc tuurt naar buiten. Er is weinig te zien. Een groepje opgeschoten jongens bij een videotheek.
Een oude dame die haar hond uitlaat. Reclameborden voor drank en sigaretten. Ook één waarop de AIDS-problematick op een afstotende manier aan de orde wordt gesteld. Zc walgt er plotseling van. van heel dit wereldje waarin goedkoop genot de boventoon voert. Een wereld waarin normen vervagen en waarin voor God geen plaats is.
Thuis wordt op dit moment de heilige Wet van God gelezen. Geboden die in tegenspraak zijn met alles wat zij hier op dit moment ziet. In tegenspraak ook met het leven dat zij de laatste jaren heeft geleid.
Sommige van de eenmaal overbekende woorden komen zomaar in haar gedachten. Een schril kontrast met de werkelijkheid van deze dag. „Gij zult niet echtbreken", tegenover dc AlDS-poster en heel haar leven van de laatste jaren. „Gij zult de Naam van de Heere. uw God. niet ijdel gebruiken". Haar vriend vloekt vaak en zij zegt er bijna nooit iets van.
Nog andere woorden komen in haar herinnering terug: „Gedenk de sabbathdag, dat gij die heiligt". Ze huivert ervan,
O. het lijkt wel of het nooit ophoudt. Vooral 's zondags komen de herinneringen heel vaak boven.
Het geluid van de motor is nog even monotoon. Het is nu echtcr een andere
gedachte die haar denken beheerst: „Het laai me nooit los. Het laat me nooit los". „Nooit" staat er op de beslagen ruit als ze uitstapt. Ze weet zelf niet eens bewust dat ze het erop geschreven heeft.
Haar vriend woont in een verwaarloosd studentenhuis. Er zitten wel zeven bellen boven elkaar naast dc felrode voordeur. Ze heeft zelf een sleutel. Haar handen beven licht als ze die in het slol steekt. Vreemd dat deze manier van leven na al die jaren nog zo'n spanning bij haar oproept. Ze sluit de deur achter zich en loopl de Irap op.
Het gevoel van onbehagen dat haar in de bus al overviel, wordt nog sterker. Even lijkt het alsof ze alles als een vreemde waarneemt. De verveloze trap. De lege Hessen op de overloop. De posters van popsterren aan dc muur. Dc tophit van één van de afgebeelde zangers, die op dil moment door het huis davert.
Ze Ireft Richard in een landerige stemming. Zijn humeur is ver beneden peil. „Snertweer, hè? ", begroet hij haar. „Dat mag je niet zeggen", reageert ze, zonder er echt bij na te denken. Haar gedachten volgen nog hun eigen loop.
„Dat mag je niet zeggen", bauwt hij haar verbaasd na. „Wat zullen we nou beleven?
Zijn dat soms de vruchten van jc vrome opvoeding? "
„Waarom moet mijn opvoeding daar gelijk weer bij gehaald worden? ", vraagt Janneke geërgerd. „Ik vind het gewoon een beetje tc ver gaan om na zoveel mooie dagen bij het eerste het beste buitje van snertweer te spreken. Het ruikt juist zo heerlijk buiten nu."
„Nou. ’t zal dan wel", zegt Richard. Hij heelt duidelijk geen behoefte om verder op het onderwerp in te gaan. „'t Lijkt me beter dat je eerst eens koffie zet. Daar kon ik nou gewoon de moed niet voor opbrengen vanmorgen."
„Ik ook niet”, zegt Janneke. Het lijkt wel of er een ander voor haar spreekt, maar ze weet plotseling heel zeker dat ze dit niet langer wil. Dit is de zoveelste keer dat Richard misbruik maakt van haar bereidheid om gauw even wat te redderen in de keuken als ze komt.
In de korte stilte die er valt na haar onverwachte opmerking, neemt een vreemd verlangen bezit van haar. Een hunker naar geborgenheid en zekerheid. Ze denkt aan de plaats waar ze die gevoelens eenmaal gekend heeft. Beelden van thuis, de kerk. het dorp komen haar voor de geest. Ze weel ook dat ze het gevoel van geborgenheid daar lange tijd gemist heeft, maar iets in haar drijft haar terug.
De hoop om iets tc vinden dat verloren scheen. Het verlangen dingen te ontdekken die onveranderlijk stand houden in een wereld waarin alles wankelt. En ze weet dat als ze nu niet gaat. ze misschien nooit meer gaan zal.
Richard vindt niet anders dan een langgerekt „Zo", als weerwoord op haar ongewone manier van doen. Ze weet dat ze veel op hel spel zet. maar ze zegt het toch: „Ik blijf hier vandaag niet."
„En we zouden...." begint Richard.
„Nee”, onderbreekt ze hem snel, alsof ze bang is in de verleiding te komen om te blijven, „ik kan het nu niet uitleggen allemaal. Volgende week kom ik nog wel eens langs. Ik ga naar mijn ouders." Na een korte
aarzeling voegt ze er nog aan loc: „Naar huis.”
Als ze terugloopt naar de bushalte. weet ze dat dit het einde van haar relatie met Richard betekent.
De trein zit tamelijk vol. Ze heeft nog juist een plaatsje bij het raam kunnen bemachtigen. In gedachten verzonken staart ze naar buiten. Dc lucht is loodgrijs. Koeien schuilen dicht bij elkaar in een hoekje van een weiland. Ze bedenkt dat ze wel vreemd zullen opkijken thuis, als ze straks aan komt lopen. Wat zullen ze wel niet zeggen? Nog maar niet te veel aan denken nu.
Ze staat op om haar tas uit het bagagerek tc pakken. Ze zoekt een boek op en leest een paar bladzijden. Het dringt cchler nauwelijks tol haar door wat ze leest. Ze verlangt naar het einde van dc reis. Tegelijkertijd is ze beducht voor wat haar te wachten staat. Slel jc voor dat ze haar niet binnenlaten. Waarom reist ze eigenlijk op zondag? Morgen en dinsdag is ze toch ook nog vrij?
Ze weet het antwoord wel. Thuis is voor haar onveranderlijk verbonden met het kleine kerkje. Daar wil ze vanmiddag nog naar toe.
Omdat ze het gevoel heeft dat daar iets te vinden moet zijn. dat ze elders tevergeefs gezocht heeft. Iets dat ze dacht losgelaten te hebben, maar dat haar niet losgelaten heeft.
Het regent nog steeds als ze het huis nadert. Haar ouders cn haar broer zitten gezellig bij elkaar. Er branden reeds een paar schemerlampen.
Haar moeder ziet haar het eerst. Ze kijkt juist op van haar boek als Janneke het paadje oploopt. Er komt een ongelovige, verraste blik in haar ogen.
Even later gaat de voordeur open. Ze wordt verwelkomd met een hartelijke zoen. Er zijn momenten in het leven dat mensen intuïtief het enige juiste doen. Geen vragen, gelukkig geen vragen. Ze zou ze nu onmogelijk kunnen beantwoorden.
„Ik kom een paar dagen thuis, als het goed is", zegt ze alleen.
Haar vader hangt haar natte jas op. Haar moeder is al in de keuken. „Wil jc thee of koffie? ", vraagt ze.
„Chocolademelk graag", zegt ze. „maar ik ga me eerst even omkleden voor de kerk."
Er is weinig veranderd in het oude kerkje. De stem van de ouderling klinkt nog steeds vertrouwd. De mensen die om haar heen zitten, zijn haar ook altijd nog vertrouwd. Ze heeft hun verbaasde blikken over zich heen laten gaan. Haar hart is te vol om zich eraan te storen.
Ook het Woord is vertrouwd, maar altijd weer nieuw voor wie werkelijk horen mag. In haar hart is een stil gebed.
„Heere. ik heb U in de wereld niet gevonden. Wilt U me Zelf opzoeken en zou ik U hier mogen vinden? "
‘s Avonds ligt ze in haar eigen, vertrouwde bed. Was het pas vanmorgen dat ze in de bus zal op weg naar Richard? Een dag vol kontrasten. Tegenstrijdige gedachten zijn er geweest; niet overdachte besluiten zijn genomen.
Maar er was ook de onverwachte goedheid van het thuiskomen en een kostbaar uur in een kleine kerk. Een uur waarin zonde cn genade werden voorgesteld.
Ze weet voor zichzelf dat ze in jaren niet zo'n goede zondag heeft gehad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 september 1989
Daniel | 32 Pagina's