Het zaad moet sterven
„Wie daar? " buldert een Zuidkoreaanse soldaat. Hij springt uit een legertruck het donker in met de vlag van de Koreaanse republiek in zijn hand.
„Ik ben onderwijzer op de school van de melaatsen. Wij hebben gehoord dat twee zonen van onze dominee bi j de opstand in de stad zijn omgekomen. Ik ben hierheen gekomen om uit tc zoeken of het waar is, en zo ja. om dan hun lichamen mee terug te nemen.”
„Waar is die school van de melaatsen? "
„In de bergen." De onderwijzer Hong wijst links achter zich naar boven.
De soldaat neemt de onderwijzer scherper op en ziet aan zijn gezicht dat ook hij door melaatsheid is aangetast.
„Wat hebt u bij u? " De stem van de soldaat klinkt iets milder.
„Niets dan een Bijbel", antwoordt Hong. en laat zijn Bijbel zien.
„Ga verder", zegt de soldaat en adviseert om op te schieten omdat het gevaarlijk is op de weg.
Het is 24 oktober 1948 als onderwijzer Hong op weg is naar de stad Soon. Al vier dagen leeft men in de melaatsenkolonie in de grootste spanning. Allerlei geruchten zijn binnengekomen. Kommunistische oproerkraaiers zijn per trein in de stad Soon aangekomen. Een groot deel van de plaatselijke politie is vermoord. Ook veel rijken van wie bekend is dat zij niet bij de kommunistische partij behoren, zijn neergeschoten. De lijken laten ze rustig op straat liggen. En in deze stad zitten de vier oudste kinderen van dominee Son op school. Zij hebben onderdak bij hun oom en zijn soms veertien dagen van huis.
Dominee Son. die in de melaatsenkolonie werkt, is erg ongerust. Vooral over zijn oudste twee zonen van wie bekend is dat ze spoedig naar de Verenigde Staten zullen gaan voor verdere studie tot predikant. En nu is de boodschap binnengekomen dat zij ook zijn opgepakt en vermoord.
Mevrouw Son wil niet langer wachten maar op onderzoek uit. Reizen is echter verboden en het is levensgevaarlijk om de stad Soon binnen te gaan. De jonge onderwijzer Hong biedt aan om in plaats van mevrouw Son te gaan.
„Leven en dood zijn in Gods hand." Met deze overtuiging durft hij de 16 kilometer lange wandeling naar dc stad aan.
Hong heeft slechts zijn Bijbel bij zich. Zo trekt hij door de bergen naar hel dal. De oogst is reeds van de velden gemaaid.
Het groen van de dennebomen steekt af tegen de stralende hemel. Op de verlaten velden pikken dc vogels naar verloren graankorrels. De stilte wordt verbroken wanneer trucks, tanks en artillerie beneden hem over de weg voorbij ratelen. De weg naar de stad is lang, en het gerommel van een hevig vuurgevecht dat door de bergen echoot, vervult Hong met vrees. Zal het lukken om zonder kleerscheuren de stad te bereiken?
25 oktober. Een gejaagde stem verstoort de middag in de melaatsenkolonie. „Mevrouw Son. meneer Hong komt eraan!”
Op de + 12 bondsdagen in Zeist, Kampen en Capelle aan den IJssel is het verhaal verteld „het zaad moet sterven”, naar aanleiding van een boek met de gelijktuidende tel geschreven door Yong Choon Ahn. uitg. De Vuurbaak. Groningen. 1968. De heer Karels herschreef het verhaal voor Daniël.
Met een kreet haast zij zich naar het erf. Ze ziet dat een melaatse het pad opkomt dal naar haar huis leidt. „Waar is hij dan? ", roept mevrouw Son.
„Daarginds", roept de melaatse, terwijl ze wijst naar de hoofdweg die zich om de voet van de bergen slingert.
„Kom gauw mee", roept ze. Mevrouw Son volgt, de Bijbel waarin ze had zitten lezen nog in de hand geklemd. Modder klontert aan haar schoenen, maar snel loopt ze door. Haar hart bonst van hoop cn vrees. Dan ziet ze meneer Hong met haar twee jongste kinderen. Even slaat een golf van vreugde door haar heen. dan wordt ze aangegrepen door vrees.
„Mijn jongens, mijn jongens!", huilt ze in zichzelf. Vragend roept ze haar zoon en dochter al vanuit de verte of hun broers er ook aankomen. Ze krijgt geen antwoord. Harder loopt mevrouw Son en roept tegen haar dochter: „Vertel me toch. zijn je broers dood? Zeg toch. dat het niet waar is!”
Haar dochtertje zwijgt, terwijl haar zoontje snikt.
„Beiden zijn ze dus dood? " Niemand antwoordt. De ogen van mevrouw Son staan onnatuurlijk wijd. Geen traan perst zich naar buiten. Ze wordt aangegrepen door een verpletterend en verstikkend gevoeld. Dan wordt alles zwart om haar heen. Enkele mannen brengen haar voorzichtig naar haar woning.
Zwijgend staat de jonge onderwijzer tussen de melaatsen die naar buiten komen om hem te begroeten.
„Daar komt dominee Son aan", roept iemand. Het hart klopt Hong in zijn keel.
„Heb je een goede reis gehad? ”
Dominee Son spreekt kalm.
Hong kijkt niet op.
„Onze jongens zijn zeker dood, hè? ", vraagt dominee Son, terwijl hij tegen alle verwachting in het tegendeel hoopt te horen.
„Ja", begint Hong. Verder komt hij niet. want nu komen bij hem de tranen.
„Laten we laten we samen bidden", zegt dominee Son. Het is maar een kort gebed, maar het duurt erg lang. Steeds wordt het gebed onderbroken door het huilen van de melaatsen die het aanhoren en door de hevige vlagen van verdriet die dominee Son niet kan bedwingen. Hoe kan hij bidden? ! Wat kan hij zeggen tegen de Heere, die zijn oudste twee zonen van hem heefl weggenomen?
En toch cr komt geen woord van verwijt over zijn lippen. Integendeel. Gods Geest vervult zijn verslagen hart en hij bidt: „Lieve Heere. wij danken U dat zij stierven als martelaars. Al weten wij niet wie het zijn geweest, we vergeven hen. die mijn zoons hebben vermoord. Heere. o Heere". roept hij uit, „schenk ons Uw liefde. Liefde die ook vergeving kan schenken. Vergeef ons onze zonden. We vragen het U wil...." om Jezus’ Wil...”
Klokgelui roept de melaatsen naar de kerk. Na gezang en gebed vraagt één van de ouderlingen meneer Hong of hij een nauwkeurig verslag wil geven van zijn reis.
De jonge onderwijzer gaat staan met kloppend hart. maar hij weet dat wat hij te vertellen heeft, tot eer van God zal zijn. „U weet dat ik gisteren ben vertrokken. Vele malen ben ik aangehouden en gefouilleerd. Als ik mijn Bijbel liet zien en vertelde waarom ik naar de stad ging. werd ik doorgelaten.
In de stad werd nog druk geschoten. Gelukkig ontmoette ik een vriend van me. een politieagent. Hij vertelde mij dal de opstand was neergeslagen. Onderweg had ik hier en daar al lijken op de weg zien liggen, maar wat ik bij het station zag was onbeschrijfelijk. Dc lijken waren daar gewoon op grote hopen gegooid.”
Meneer Hong zwijgt even. Hij probeert dc walging uit zijn herinnering weg te dringen. „Zo snel ik kon, ging ik naar hel huis waar de kinderen van onze dominee wonen. Het huis was hermetisch gesloten. Zo luid ik kon, riep ik: „Is er iemand binnen? Ik kom van dc melaatsenkolonie. Hoort u mij? " Eindelijk werd de deur geopend en kwam er een mevrouw naar buiten, gevolgd door uw dochtertje. Hun ogen waren rood en gezwollen van het huilen. „Mijn broers zijn dood!", snikte ze.... Ik vroeg waar hun lichamen waren. Die waren al gevonden, en toen hoorde ik wat er gebeurd was."
In de kerk kun je speld horen vallen. Stil en gespannen zit iedereen te luisteren.
„Op de dag van de opstand gingen dc jongens gewoon naar school. Ze waren vroeger terug dan anders. In dc stad broeide iets. Bij het station hadden ze tot hun verbazing een treinlading soldaten zien aankomen in plaats van de gebruikelijke passagiers. Er ontstond een gevecht tussen kommunistische studenten en de soldaten. Dc mensen waren in alle richtingen uiteengestoven om aan rondvliegende kogels te ontkomen. Het geluid van het schieten werd steeds luider en verplaatste zich naar de buurt waar de jongens woonden. Zij verborgen zich in een kelder van een naburig huis.
De volgende dag waren de jongens al vroeg wakker, al hadden ze maar weinig geslapen. Na het ontbijt trokken de beide broers zich temg in één van de kamers om te bidden. Op het advies van hun oom om zo snel mogelijk naar de melaatsenkolonie te vluchten, antwoordden ze: „Jezus is onze enige toevlucht." Ze weigerden. Om tien uur werd hun woning door een groep kommunistische studenten omsingeld. Na een geweldige herrie kwam de groep het huis binnen en uw oudste zoon kreeg een aframmeling.
„Waar heb ik dit aan verdiend? ", vroeg hij. „Ik heb toch niets verkeerds gedaan? ”
„Wat. niets verkeerds! Bèn je dan geen Yankee-vriendje? En héb je soms niet gezegd dat je in Amerika studeren wil? " „Ik ben christen, en ik wil geen ander etiket dragen", antwoordde Dong-in.
„Vlieg op kerel! Dus je bent nog altijd bezeten van dat christelijk gedoe? ”
„Wat bedoel je daarmee? Wat iser verkeerd aan het christenzijn en aan het christelijk geloof? Ook al zou je me het hoofd afslaan, mijn geloof kun je niet afnemen!"
„Geef hem op zijn falie!" schreeuwde iemand en een ander kwam aandragen met een plank vol spijkers, waarmee ze hem te lijf gingen. Dong-sin probeerde zijn broer te verdedigen. Allen keerden zich tegen de beide jongens.
Het bloed stroomde van hun gezichten. Dikke striemen verschenen op hun lichaam. Na de geseling werden ze met touwen vastgebonden en meegenomen. Enkele studenten bleven achter om dc boeken en andere bezittingen in te pikken.
De jongens werden weggevoerd naar het kommunistische hoofdkwartier bij het belastingkantoor. Daar werden ze verder gemarteld. Ze werden geschopt en met knuppels en geweren geslagen. Bloed stroomde van hun gezichten. Onder dit alles spraken de beide jongens dc studenten op ernstige en indringende wijze toe. Ze drongen er bij hen op aan zich te bekeren en te geloven in Jezus. Om op te houden met tegen hun landgenoten te vechten en de geest van het christelijk geloof te zoeken. Alleen daardoor konden ze tot zegen van hun land zijn. Ze werden naar buiten gesleurd naar een plein waar de lichamen van anderen rondom lagen opgestapeld. Daar daagden de studenten hen opnieuw uit: „Hoe is het, blijven jullie trouw aan je christelijk geloof? Als jc bereid bent om die christelijke overtuigingen van je op te geven en met ons mee te doen.
zullen we jullie vrijlaten." tJw oudste zoon bleef onbewogen staan en sprak: „Ook al zouden jullie mij het leven afnemen, mijn geloof kun je niet afnemen. Het is belangrijker dat jullie je geweld en goddeloosheid opgeeft en in Jezus gelooft.”
„Verspil toch geen tijd meer aan hen", schreeuwde iemand. „Schiet hem toch neer!”
Een blinddoek werd Dong-in voorgedaan. Nog éénmaal riep hij de studenten toe: „Jullie moeten je bekeren en in Jezus geloven. Als ik nu sterf, zal ik naar dc hemel gaan, maar hoe zullen jullie ooit aan de verschrikkelijke straf van de hel ontkomen? ”
De opstandelingen werden wit van woede. Brullend en met gebalde vuisten gaven ze opdracht om te schieten. „Vader", riep Dong-in nog. „ontvang mijn geest. Vergeef hun " Zijn stem brak af. Zijn lichaam zakte ineen. De studenten vloekten en tierden.
Als een tijger sprong Dong-sin weg uit de handen van hen die hem vasthielden en omklemde het lichaam van zijn broer. Hij riep de opstandelingen toe: „Jullie hebben mijn broer gedood hoewel hij onschuldig was. Hoe zullen jullie ooit jezelf kunnen vrijpraten van het vergieten van onschuldig bloed? Alleen door je te bekeren en in Jezus te geloven. Zelfs nu is het daarvoor nog niet tc laat.”
„Knal hém toch ook neer!" Dong-sin antwoordde: „Ook ik zal dan naar de hemel gaan. waar mijn broer reeds is. Mijn geloof is gelijk aan het zijne." Toen spreidde hij zijn armen wijd uit en zei: „Op deze wijze is mijn Heere gestorven toen Hij aan het kruis hing, en zo wil ik jullie kogels ontvangen." Een bevel klonk. Ook nu een gebed. „Vader, vergeef deze mensen hun zonde. Ontvang mijn ziel en zorg voor mijn vader en.”
De volgende dag gelukte het de soldaten de kommunistische opstand te onderdrukken. De slachtoffers van de opstand waren op een groot veld neergelegd. Met behulp van een diaken uit de kerk van de stad mochten we de lichamen meenemen en hebben we ze voorlopig begraven.”
Meneer Hong is aan het einde van zijn verslag, en besluit: ..Hun dood was als de dood van Stelanus.”
Dominee Son staat op en gaat voor zijn gemeente staan. Hij wist de tranen uit zijn ogen. „Gemeente", begint hij. „ik heb het verslag van meneer Hong aangehoord. Ik geloof vast dat mijn zonen naar de hemel zijn gegaan, maar zullen zij die hen gedood hebben, naar de hel gaan? Ik kan die gedachte niet van mij afzetten. Kan ik. die het evangelie verkondig om de mensen van de hel te redden, nu gewoon mijn weg vervolgen, terwijl zij, die mijn zoons hebben gedood, als onbekeerden zullen sterven? Laat er direkt één van u naar dominee Ra in de stad gaan en hem zeggen, dat zij die mijn zoons hebben vermoord, als ze gevonden worden, niet worden geslagen of ter dood gebracht. Ik wil hen aannemen als mijn eigen zonen en proberen hen te leiden tot Jezus. Verder wil ik graag dat mijn zonen hierheen worden gebracht om begraven te worden. Deze twee wensen leg ik voor u en voor Gods aangezicht neer.”
De volgende dag is dominee Son erg moedeloos. „Deze grote zorgen die anderen bespaard blijven, komen over mij vanwege mijn grote zonden", zegt hij. Ook mevrouw Son is verdoofd cn teruggetrokken. Dominee vraagt een ouderling om te bidden.
Zelf kan hij niet meer. De geloofskracht van de vorige dag is verdwenen.
De ouderling hapert. Hoe moet hij bidden? „Heere. wij danken U dat U in Uw raad alle dingen laat medewerken ten goede voor hen die U liefhebben. Twee levens hebt U weggenomen. Het „waarom" is voor ons verborgen, maar wij weten dat U er Uw bedoeling mee hebt. Wc vragen van U; wil toch Uw bedoeling bekend maken aan ons, en leer ons naar Uw wil te leven. We bidden het U om Jezus, Uws Zoons wil.”
Door het gebed tilt God dominee Son uit boven alle zelfbeschuldigingen. Zo groot is dc kracht die hij ontvangt, dat hij zelf de stoet ontvangt die de lichamen van zijn zonen later op de dag thuisbrengt. Een vader gebukt onder groot verdriet, maar staande gehouden door Gods eeuwig-sterke Vader-armen. Een smart die diep pijn doet, maar ontdaan is van de dodelijke angel.
Boven de heuvels waar de lichamen worden begraven drijven traag enkele wolken in de heldere lucht. Een koele wind doet de herfstbladeren ritselen. De begrafenisdienst begint. Er wordt gebeden en gezongen en een gedeelte uit de Bijbel voorgelezen. Een ouderling spreekt over een tekst uit het boek Openbaring. Een kort overzicht wordt gegeven van het leven van beide jongens. Dan is het woord aan dominee Son.
„Ik wil afwijken van de gewoonte om op alles wat gezegd is te antwoorden. In plaats daarvan zal ik een opsomming geven van de vele zegeningen die ik van God ontvangen heb, en Hem daarvoor dank brengen. In de eerste plaats dank ik God voor de geboorte van martelaren uit zulk zondaarsbloed als het mijne. Ten tweede dank ik God dat Hij uit Zijn vele discipelen juist mij heeft uitverkoren om deze beide kostbare schatten onder mijn hoede te nemen. Ten derde dank ik God, dat Hij mij het voorrecht heeft geschonken mijn beide oudste zonen weer af te staan.”
Zijn stem beefde. Tevergeefs knepen dc omstanders hun ogen dicht om dc opkomende tranen te bedwingen. Ze wisten dat hij berusting had gevonden in het verlies, maar ze vroegen zich toch af: „Zou hij nu werkelijk vervuld zijn van dankbaarheid? ”
„Verder dank ik God dat Hij de liefde in mij gewekt heeft om de vijand, die mijn geliefde zonen heeft vermoord, op tc zoeken om hem tot bekering op te roepen en hem als mijn zoon aan te nemen.”
Er heerste een intense stilte. Het was alles zo uitermate onnatuurlijk. Enkelen wisten
dat er al een boodschapper was uitgezonden om zijn wens ten uitvoer te brengen.
Op de zeven – 16 bondsdagen is een kollekte gehouden ter bestrijding van de onkosten. Deze bracht bij elkaar ƒ 6861.50 op. Iedereen heel hartelijke dank.
„Aangezien ik vast geloof dat het martelaarschap van mijn twee zonen het middel zal zijn waardoor vele zonen het koninkrijk Gods zullen binnengaan. dank ik God menigvuldig. En tenslotte breng ik dank en eer aan U voor de grote zegeningen, die U over mij hebt willen uitstorten. Maar ik weet dat de reden waarom ik ze ontving niet bij mijzelf ligt. Ik geloof en belijd dat ze vruchten zijn van de gebeden die mijn vader en moeder iedere morgen, vijfendertig jaar lang voor mij en mijn gezin hebben opgezonden. Ik dank u allen.”
Al vrij snel is de hoofddader van de moord op de twee broers opgepakt in de stad Choon. Met de grootste moeite is de moordenaar vrijgekomen op verzoek van dominee Son. Veel moest gesproken worden voordat hij gratie ontving.
Dominee Son zocht hem op in zijn woning.
„Kom eens bij me", zei dominee Son. „Ben jij Chaisun? ”
Dominee Son kijkt hem onderzoekend aan. Dan grijpt hij zijn hand cn zegt met bewogen stem: „Wees niet bang. ik heb je al vergeven. Bidt tot God of Hij je zonden wil vergeven.”
Ruim een halfjaar na de opstand deed de moordenaar van dc twee broers, Chai-sun, belijdenis van zijn geloof. Soms reisde hij met dominee Son mee wanneer hij in andere gemeenten moest spreken. Over zijn aangenomen zoon zei hij dan: „Graag zou ik zien dat hij zal mogen dienen tot verheerlijking van God en een groot prediker wordt zoals Paulus. Daar zal ik om bidden cn daarheen zal ik proberen hem te leiden. Draagt ook u Chaisun op in uw gebeden." In de lente van 1949. kort na zijn belijdenis, wordt Chai-sun student aan een bijbelschool.
Dominee Son schrijft hem vaak. en in zijn antwoordbrieven spreekt hij dominee Son aan met „vader". Opnieuw neemt dominee Son de laatste brief van Chai-sun op en leest: Ik kan bijna niet /eggen hoe blij ik hen dal ik mag studeren op de bijbelschool. Ik besef dat. ik rne/cll en alles wat ik be/iu aan God moet aanbieden. God heeft mij lief en redde mij bij de poort van de dood: het is Zijn grote liefde die mij tot het geloof in Christus deed komen, en niet omdat ik graag naar de hemel wilde of bang was voor de hel. Ik voel dat ik tot aan mijn dood toe God zal moeten verheerlijken. Maakt u zich vooral niet bezorgd over mij. Ik studeer in de Bijbel en bid. ik zing mee in het koor en mag zelfs al een enkele keer spreken. Wilt u vooral veel voor me bidden? Ik weet dat ik alles te danken heb aan de gebeden van u en van moeder.
Wilt u mij alles vergeven, vader? Door uw liefde voor mij die God u in het hart heeft gegeven, zal ik proberen de wens. die u van mij koestert, in vervulling te doen gaan door in de voetstapopen van Paulus te gaan. Ik zal doen wat ik kan om mijn twee broers na te volgen.”
Dominee Son laat zijn ogen dwalen over de zonovergoten velden, terwijl hij opnieuw de woorden van Jezus in gedachten heeft: ..Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: indien het tarwegraan in de aarde niet valt. en sterft, zo blijft het alleen: maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort."
Capeile aan den IJssel A. Kareis
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1989
Daniel | 32 Pagina's