Wie niet horen wil, moet maar voelen! (3)
Bijbelstudie over Hosea 8:1-4
Lees deze keer vers 8-14 extra aandachtig door!
We hebben in dc eerste studie over dit hoofdstuk de snelle arend zien aankomen om als een roofvogel Israël te verslinden. Assyrië kreeg steeds meer greep op hen. De koningen leverden nota bene zichzelf aan de vijand uit! De tweede keer zagen we dat met het verworden koningschap en het dienen van de afgoden (het gouden kalf in Bethel) wind gezaaid is. waardoor de storm van de komende verwoesting, die de Heere door de Assyrische legers zal laten aanrichten, onontkoombaar geworden is. En we zagen dat dit spreekwoord ook voor ons niet zonder betekenis is. Leeg is je leven zonder God. Vol is het pas als je de Heere liefhebt. Nu gaan we zien hoe Hosea scherp de spot drijft met Israëls buitenlandse politiek en ook hoe God de ontaarde offerdienst straft. Alles eindigt in de zovaak door Hosea (ook in andere hoofdstukken) herhaalde klacht: Israël heeft zijn Maker vergeten!
Dommer dan wilde ezels en hoeren (vs. 8-19)
Israël is verslonden! Onder de heidenen zijn ze al veracht als ..een vat waar men geen lust toe heeft". Gods volk was uiterlijk arm geworden door de enorme tributen, die hel aan Assur moest afdragen en innerlijk ontluisterd. Niemand kijkt er meer naar om.
Niemand kan ze meer gebruiken. Grote delen van hun grondgebied zijn al door de Assyriërs veroverd cn de volkskracht was verzwakt door de vele interne revoluties. En het resultaat van al die omstandigheden is dat de Israëlieten in de volkerenwereld niet meer meetellen.
Ze zijn als een waardeloos voorwerp. Wat een afgang voor de eens zo schone bruid in haar huwelijksverbond met de Heere! De hoge positie die zc eens hadden onder David en Salomo hebben ze nu verspeeld. Ze hebben zichzelf verkocht aan Assyrië. Op eigen initiatief! Lees vers 9 maar: „Ze zijn opgetogen naar Assur". Ze hebben de komst van de veroveraar niet afgewacht, maar nota bene zichzelf aan de Assyriërs uitgeleverd!
Menahem had reeds zo'n vazal-houding „gekocht" voor een tribuut van duizend talenten zilver om zijn koningschap te kunnen handhaven (2 Kon. 15:19 e.v.) en koning Hosea heeft hetzelfde gedaan (2 Kon. 17:3). En wat doet dc profeet Hosea nu? Hij vergelijkt die houding ten opzichte van de vijand met „een ezel", de vreemde mogendheden met „boelen" of minnaars en die tributen met „hoerenloon”.
Hoe ironisch en beledigend moet dat overgekomen zijn!
Denk je dal eens in!
Hosea zegt tegen het volk: het wordt hoog tijd dat jullie eens in de leer gaan bij dc.... ezels! En ezels genieten nu niet bij uitstek dc reputatie dat zc zo verstandig zijn. Wie nog maar een beetje dom is. wordt voor „ezel" uitgescholden. Maar Hosea keert hier de rollen zelfs om. Want dc vergelijking „mens - ezel" valt in vers 9 uit in het voordeel van de ezel. Israël is nog dommer dan de wilde ezels (woudezels), want die houden zich ver van de bewoonde wereld, waar de mensen hen zouden kunnen belagen, maar dc Israëlieten zochten zelf de vijand op. Ja. zij gedragen zich nog dommer dan hoeren, want die laten zich door haar minnaars betalen, maar de Israëlieten bieden hun „minnaars", dc Assyriërs nog geld (hoerenloon). Hoe erg toch is het met Israël! Zij hebben de Heere, hun echte en wettige man verlaten en lopen achter hun „boelen", de Assyriërs.
Hoe scherp wordt Israëls waardeloosheid met die twee beelden (ezel en hoer) getekend. Israël dringt zich als een prostituee bij haar politieke vrienden op, maar zij is deze vrienden zo weinig waard, dat zij als een afgedankte publieke vrouw zelf moet betalen om toch maar aan minnaars te komen. Zo leurt Israël met zichzelf aan de deur bij de vreemde machten. En die buitenlandse politiek ziet de profeet in hetzelfde vlak als
dc afgoderij: het is beide ontrouw aan de Heere en daarom geestelijk overspel, overtreding van het eerste gebod-
Dommer dan ezels en hoeren! Die wilde ezels leven dus in afzondering in de eenzame steppen. Zij zoeken elkaar wel op maar ze mijden de mensen. Ze zijn doodsbang dat dc mensen hen van hun vrijheid zullen beroven. Ze voelen instinktief dat de mensen hun vijanden zijn.
En daarom zijn ze zo verstandig om bij de mensen uit de buurt te blijven. Maar nu de „slimme" politici van Israël. Zij zijn dommer dan de wilde ezels want zij verbreken hun veilige isolement. „Zij zijn opgetogen naar Assur". Ze zijn niet bang. Zij wagen zich in dc onmiddellijke nabijheid van hun belagers cn vrijheidsberovers. Met open ogen loopt Israël de vijand in dc armen. Dat bedoelen ze natuurlijk niet, want ze denken juist met Assur een verbond te kunnen sluiten. Daarom kwamen ze met armen vol geschenken aan bij het Assyrischc hof. Maar ze hebben niet in de gaten dat ze in de ogen van deze minnaar (Assur) niet geliefkoosd, maar doodgedrukt zullen worden. Apenliefde is het cn anders niet. Want alles loopt er opuit dat ze bij Assyrië worden ingelijfd en dat het onafhankelijk volksbestaan van Efraïm zal worden vernietigd. Dommer dan ezels en hoeren. Ze lopen hun doodsvijand vrijwillig in de armen.
Zo gaal dat, als je wijzer wilt zijn dan God. God had gezegd dat in hun isolement hun kracht lag. Zijn volk moest „alleen wonen", net als de wilde ezels. Maar Israël sloot vriendschap met Assur. het wilde groot worden en vrij zijn. maar het werd slaaf, schatplichtig. Dat blijkt uit vers 10. Daar wordt gesproken over de „last van de koning der vorsten". Dat ziet op dc toenemende druk van de tributen en deportaties, teweeggebracht door dc grote koning van Assur. Ze mogen zoveel helpers afhuren als ze willen, zegt de proleet, maar het zal hen toch niet helpen.
Die helpers zal Ik (tegen hen) verzamelen, zegt God. om in plaats van hulp te bieden, hen te verderven (Kantt. Statenvert. bij vers 10). Zo gaat dat jonge vrienden! Je zoekt een vriend en het blijkt een vijand te zijn. De paradijsgeschiedenis leert ons dc uitkomst van dc mens. die vriendschap met satan sloot.
Zo machtig als God willen zijn, en slaaf van de zonde worden. En de vriendschap der wereld is vijandschap tegen God. De wereld is bikkelhard. Die gebruikt je zolang als er te plukken valt, en laat je vallen als de nood aan dc man komt. Als je de vriendschap van de wereld zoekt, raak je tenslotte niet alleen God kwijt, maar ook de wereld. En dan houd je helemaal niets meer over. Was Efraïm toch maar zo verstandig geweest als een ezel! De zonde maakt niet alleen slecht, maar ook dom.
Het allerdomste is wel als jc niet meer bang bent voor de vijand of als je koste wat het kost de vijand te vriend wilt houden. Laten we van die ezel. die de eenzaamheid in vlucht om het gevaar van de mens te ontlopen toch leren om doodsbang te zijn voor al onze doodsvijanden, die het op ons leven gemunt hebben: de wereld, de satan en ons eigen verdorven vlees. Onderschat die vijanden niet. Het is een strijd op leven en dood.
Hier past geen overmoedige houding van schipperen en plooien. Vluchten is hier geen bewijs van lafheid maar van wijsheid. Angst is hier geen zwakheid, maar kracht. Laat je gebed maar gedurig opklinken: eere. leidt ons niet in verzoeking, maar verlos ons van dc boze. Wij zijn immers in onszelf zo zwak, dat we geen ogenblik in onszelf kunnen bestaan. De j Heere moet ons sterken en staande houden door de kracht van Zijn Heilige Geest, opdat w ; e in die geestelijke strijd niet onderliggen (zondag 52 H.C.). Dat is echt geen overwonnen standpunt. Als je vrienden naar de disko gaan. van popmuziek houden, van drugs meer afweten en met het „andere geslacht" avontuurtjes hebben, zijn het jc vrienden niet. maar je vijanden. Zoek hun kontakt niet. maar leer van die ezel om jc van hen te isoleren. Wees berekend op het feit dat de grootste vijand binnen de vesting zit (eigen verdorven hart). Weest aan deze wereld niel gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij" (Rom. 12:2). Kom ook niet in het grensgebied van de vijand, want voor je hel weet ben je in zijn macht.
God straft Israëls ontaarde offerdienst (vs. 11-13)
Na het oordeel van Hosea over de kalvcrendicnst en de buitenlandse politiek (het heulen met de vijand) volgt nu het oordeel over de syukrctistische offerdienst van Israël. Dat wil zeggen: Israël vermengde de dienst van de Heere met de dienst van de afgoden. Op het eerste gezicht leken de Israëlieten immers erg vroom: Efraïm heeft de altaren vermenigvuldigd, maar zo willen ze alleen de uiterlijke schijn van vroomheid ophouden, want zij gebruiken die altaren niet om de Heere te dienen, maar om te zondigen. Want openlijk of onder het mom van de dienst des Heeren vereerden zij er de Kanaanitischc vruchtbaarheidsgoden mee. En zo leefden ze dus weer aan het verbond met God voorbij. De altaren om „zondoffers" te l brengen zijn geworden tot
altaren , .om te zondigen". De Heere heeft hen wel „de voortreffelijkheden van Zijn wet voorgeschreven, maar die zijn geacht als iets vreemds" (vs. 12). De geboden des Heeren. die Hij hen in hel verleden al zo dikwijls had laten voorhouden, hebben ze in de wind geslagen alsof het niet de geboden van hun eigen wettige God waren, maar die van een vreemde godheid, die zij dus zomaar opzij konden zetten. En al zou de Heere hen nog vele wetten meer geven, zij zouden die ook in de wind slaan.
Het zondige van Israëls godsdienst zil 'm overigens niet alleen in de vlucht in het uiterlijke van het offeren zonder dat hun hart met de Heere verbonden is en de Kanaanitische vruchtbaarheklskultus. die men ermee verbond, maar vooral ook in het feit dat ze hun offers uit zulke egoïstische motieven brengen (vs. 13). Hun offerdienst was immers gebaseerd op de begeerte naar het vele vlees, dat bij de offermaaltijden genuttigd werd. Echte godsdienst kwam er dus niet bij te pas. Dc offers, die ze zo graag brachten, werden maar voor een deel op het altaar voor God verbrand, maar het grootste gedeelte werd feestelijk verorberd. Dc grondtaal spreekt zelfs over „snakken naar vlees uit vraatzucht". En je begrijpt wel dat de Heere daarom alleen al geen welgevallen in hun offers kan hebben.
Integendeel. Hij zal „hun ongerechtigheid gedenken en hun zonden bezoeken" (vs. 13b). Het oordeel komt. De tijd van de afrekening komt. En de inhoud van die straf kun je op twee manieren opvatten: „Zij zullen weder in Eg}-pre keren". Is dat figuurlijk bedoeld? Dan wil het zeggen dat zc weer in eenzelfde toestand van slavernij en vreemde overheersing zullen komen als vroeger in Egypte het geval was. Dan betekent Egypte Assyrië. waarheen ze in ballingschap zullen worden weggevoerd. Het kan er ook op wijzen dat de Israëlitische vluchtelingen bij het aanbreken van de Assyrische overheersing de wijk zuilen nemen naar Egypte. In dat geval is het letterlijk bedoeld. Misschien heeft de profeet hier wel beide betekenissen op het oog.
Laten wij uit deze oordeelsdreigingen maar leren, dat we ook de dienst van God niet vermengen mei de dienst van de wereld. Je kunt geen twee heren dienen. Elia riep het al op de Karmcl: „Kiest u heden wie gij dienen zult". Niet op twee gedachten blijven hinken. Wc willen wel godsdienstig zijn, maar we houden toch o zo graag ook dc wereld te vriend. En je kunt jezelf toetsen op dil punt aan welke kant je staat. Je leven staat of valt met het antwoord op de vraag: hoe geef ik? Hoe breng ik mijn offers? Breng ik eigenlijk wel echte offers? Of is mijn godsdienst ook alleen maar eigenbelang en niet een echte verheerlijking van God? Wat heeft de Heere eigenlijk aan mij? Neem die vragen maar eens mee naar de binnenkamer en geef er een antwoord op voor Gods aangezicht.
Hoogmoed wordt met vuur gestraft (vs. 14)
Het slot van deze bijbelstudie over Hosea 8 vormt tegelijk de bitterste aanklacht van God over Zijn trouweloze volk: Israël heeft zijn Maker vergeten! En aan Hem hebben ze juist hun bestaan als volk te danken. God. die Israël had verkoren en groot gemaakt. Wat ccn klacht, wat een aanklacht! Als dc Heere dat toch van ons zeggen moet! De Heere moest Israëls enige trots zijn. Hem hebben ze vergeten en in plaats daarvan gaan zij prat op hun onvergankelijke bouwwerken: hun trotse paleizen en hun sterke vestingsteden. De meeste vertalingen hebben voor het woord „tempel" staan het woord „paleis". Zo wanen ze zich veilig voor de vijand. Maar die „ijdele waan der trotse zielen" zal in vlammen opgaan door de brandstichting van de komende vijand. Juda staat aan deze laatste zonde blijkbaar ook schuldig. Maar God heeft het laatste woord. En dat is hier het oordeelswoord. Wie niet horen wil. moet maar voelen! Maar omdat we Hem beter kennen uit de Schrift mogen we weten, dat er voor hoogmoedigen en waanwijzen nog ontkoming is van het oordeel in Hem. die Zich door de vlammen van Gods toorn liet verteren om hoogmoedigen en trotsen te breken in hun kracht en te maken tot armen cn ellendigen. voor wie het een wonder wordt als ze mogen meezingen: „Wie Hem aanroept in dc nood. vindt Zijn gunst oneindig groot”.
Vragen
1. Hosea waarschuwt in vs. 11 tegen synkretisme. Wat is dat? Zou dat onder ons ook nog voor kunnen komen? Zo ja. op welke manier?
2. Wat is de inhoudelijke bedoeling van vers 12?
3. Israël offerde uit eigenbelang (vs. 13) om vlees te kunnen eten. Brengen wij in zekere zin ook offers? Welke moeten we brengen? Bewijs dat met een paar plaatsen uit de Bijbel Kunnen wij ook offers brengen om er zelf beter van te worden?
4. Hosea gebruikt in vers 14 het woord Egypte. Hij gebruikt die aanduiding in zijn profetie en in verschillende betekenissen. Ga de volgende teksten eens na en zet de bedoeling/betekenis ervan op een rijtje:9:3:2:14:11:1:12:10 en 14:13:4:7:11:12:2:9:6:7:16:8:13:11:5:11:11.
Vlissingen, ds. C.G. Vreugd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1989
Daniel | 32 Pagina's