Geneigd tot alle kwaad
„Ten goede gans onbekwaam, geneigd tot alle kwaad" - zo wordt de mens omschreven in het doopformulier om de heilige doop te bedienen aan volwassen personen. Aan de dopeling wordt, op de man/vrouw af, gevraagd of hij/zij deze woorden ook gelóóft. Er wordt dus niet gevraagd of men vraag 8 van de Heide/berger Catechismus uit het hoofd kan opzeggen (waar. in meer algemene zin. wordt gevraagd, of wij alzo verdomen zijn dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed, en geneigd tot alle kwaad); maar of men van zichzelf gelooft, dat men een kind des tooms is van nature, ten goede gans onbekwaam, geneigd tot alle kwaad. Wij kennen allemaal deze woorden zo goed. Ze klinken ons zó vertrouwd in de oren. dat de betekenis ervan maar al te vaak aan ons voorbij gaat. Wij kijken er niet meer van op. en nog vee! minder schrikken wij er van op. Als nu eens aan jou zou worden gevraagd of jij gelooft dat jij zo bent, dan moet je wel goed weten wat die woorden inhouden.
De neigingen van de mens
Als je ergens toe geneigd bent. wil dat nog niet zeggen dat je dat ook doet. Maar de kans is wel groot en er hoeft niet veel te gebeuren of je doei het inderdaad. Je kunt het zomaar doen. omdat je de neiging, dc aandrang er toe in je hebt. Dat geldt nog des te meer. als je niet in staat bent hel tegendeel te doen. Wanneer je bij de politie werkt, weet je van nabij waaide mens. de verdachte, de veroordeelde, de crimineel toe geneigd is. Woon je in een grote stad, dan kun je het met je eigen ogen zien gebeuren. En een blik in dc krant zegt al genoeg over de neigingen van de mens.
Toch moeten wc niet tc ver om ons heen kijken. Laten we ook eens naar onszelf kijken - niet alleen naar de buitenkant, maar ook naar binnen. Want als je slechts kijkt naar dc buitenkant, naar je doen en laten, dan konkludeer je misschien: het valt bij mij toch allemaal reuze mee. Die formulieren houden er toch wel een erg negatief mensbeeld op na. waar ik mezelf echt niet in terug vind. Ik bid toch. ik ga naar de kerk. ik heb best heel wat voor m'n vrienden over. en ook voor m'n naaste achter het IJzeren Gordijn.
En voordat je er erg in hebt. ben jij die rijke jongeling! De Heere Jezus leert ons echter, wat er werkelijk in het hart van de mens huist. „Want van binnen uit het harl der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, dieverijen. gierigheden, boosheden. bedrog, ontuchtigheden. een boos oog. lastering, hovaardij, onverstand" (Markus 7:21-22). Zó ziet het bijbels mensbeeld eruit. En nu ben je misschien geneigd te denken: ie ene zonde herken ik bij die man. en die vrouw wordt beheerst door die slechte eigenschap. Genade leert echter, niet meer steeds met je vinger naar de ander tc wijzen, maar naar jezelf; en niet maar één of twee van die boosheden bij jezelf te herkennen, maar het hele rijtje; cn dat niet met een zeker genoegen, maar met smart.
Tot geen enkel goed bekwaam?
Ontegenzeggelijk doen mensen dingen die weldadig aandoen. Cr is gelukkig nog veel huwelijkstrouw in plaats van overspel, medemenselijkheid in plaats van doodslag, eerlijkheid in plaats van bedrog. Klopt het eigenlijk wel. dat wij gans onbekwaam zijn tot het goede? Wordt deze belijdenis niet door de praktijk weersproken? Laten we dan tot het geestelijk goede niet in staat zijn. maar ligt dat niet anders ten aanzien van het goede in sociaal en maatschappelijk opzicht?
Hierboven zagen wc. dat de geneigdheid tot het kwade betekent, dat dc mens gemakkelijk daartoe komt. Het betekent niet. dat hij het kwade voortdurend doet. Dat die niet het geval is. komt door Gods weerhoudende genade. God wil de mens nog weerhouden van allerlei verkeerdheden. Hij beteugelt het kwade, cn leidt de mens zo dat hij niet voortdurend uitleeft wat er in zijn hart zit. Dat doet God echter niet altijd. In Romeinen I lezen we tot driemaal toe. dat mensen door God overgegeven zijn in de begeerlijkheden van hun harten (vers 24. 26). „overgegeven in een verkeerde zin. om te doen dingen, die niet betamen; vervuld zijnde mei alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid...." (vers 28 vv). Hoe meer God de mensen daaraan overgeeft, hoe meer de wereld onleefbaarder wordt. Want de mensen worden dan „zonder natuur
lijke liefde, onverzoenlijken. onbarmhartigen" (vers 31b). Op een andere plaats schrijft Paulus, dat een dergelijke houding een uiting is van het eind der tijden. In de laatste dagen zullen zware tijden ontstaan, zo schrijft hij aan Timotheüs; want de mensen zullen liefhebbers van zichzelf zijn. en dat heeft ingrijpende gevolgen voor hun verhouding tot dc naaste en tot God (2 Tim. 3:1-5). Dat de wereld nog redelijk leefbaar is. dat mijn onkerkelijke buurvrouw zoveel voor anderen doet. en dat ik mij niet uitleef in allerlei uitspattingen, komt dus doordat God ons nog niet geheel heeft overgegeven aan onszelf, en niét doordat de mens van zichzelf tot het goede geneigd zou zijn. Deze weerhoudende genade kan door bepaalde persoonlijke eigenschappen van de mens heen werken. Ik zal een aantal voorbeelden noemen. Misschien ben je helemaal niet zo knap en zo populair als je zou willen. Misschien ben je wel tot je spijt erg verlegen. Het zou nu kunnen zijn, dat de Heere in Zijn wijsheid jou bepaalde eigenschappen (zoals populariteit en vrijmoedigheid) onthoudt, omdat je anders zo goed zou kunnen meedoen met anderen en je je zo goed thuis zou gaan voelen in deze wereld. Daarmee wil ik niet zeggen, dat een eigenschap als verlegenheid een kenmerk van genade zou. of dat je niet zou mogen proberen er van af te komen: aar wel dat de Heere met tegenslagen en teleurstellingen Zijn bedoelingen kan hebben. Ook de eigenschap van een sterk ontwikkeld geweten kan je bewaren voor veel zonden. Omdat je geweten zegt. dat jc geen overspel mag plegen en tevens dat (op grond van Matth. 6:28) zelfs het aanzien van een vrouw, om die te begeren, al overspel is. daarom kijk je bijvoorbeeld bewust niet naar een vrouw die er verleidelijk uitziet, ook al zou geen mens er erg in hebben als je wel keek.
Ook het gevoelig zijn voor afkeuring van mensen kan een eigenschap zijn. die je van allerlei kwaad afhoudt. Het gaat hier dus over de zogenaamde sociale kontrole, waar we allen vatbaar voor zijn. maar de één sterker dan de ander. Zo zijn er vele dingen die je nalaat of juist doel. omdat je weet dat anderen er iets van zouden kunnen zeggen.
Vertrouwen of wantrouwen?
Als we ervan uitgaan, dal wij mensen tot alle kwaad geneigd zijn. moeten we dan de ander én onszelf niet gedurig wantrouwen? Moeten we in iedere voorbijganger een potentiële moordenaar of verkrachter zien? Moet ieder meisje er van uitgaan, dat haar vader en eventuele broers mogelijk plegers van incest kunnen worden?
Of mag je aan je naaste een stuk vertrouwen geven? Dergelijke vragen kwamen naar voren na de verschijning van een artikel over incest, enkele maanden geleden in dit blad. Daarin heb ik de stelling geponeerd, dat in het hart van iedere vader, ook uit de reformatorische kring, een begeerte naar seksueel kontakt met zijn dochter sluimert.
Enkele lezers gaven te kennen, dat zij het niet met deze stelling eens waren, en verzochten mij dit recht te zetten.
Ik ben echter van mening dat er niets scheef staat, als het maar duidelijk is dat ik met die begeerte hetzelfde bedoel als met de geneigdheid tot het kwade in dit artikel. Dat de betreffende lezers deze begeerte in het geheel niet bij zichzelf herkenden, wil ik graag geloven. Hun dochters mogen daar blij om zijn. en zullen hun vader dan ook zeker kunnen vertrouwen.
Binnen het gezinsleven, waar men elkaar goed kent en weet wat men aan elkaar heeft, is een grote mate van wederzijds vertrouwen gerechtvaardigd.
Toch mogen we daarin niet zover gaan. dal we de ander, en ook onszelf, grenzeloos vertrouwen. Vanwege onze neiging tot het kwade is het immers niet uitgesloten, dat de ander, en ikzelf, in zonden vallen, die je niet zo gauw zou verwachten. Juist vanwege onze belijdenis zouden we er niet van moeten opkijken als dat werkelijk zou gebeuren. Daarom kan ik ook niet goed begrijpen, dat er personen zijn die ervan overtuigd zijn. dat bepaalde misstanden in onze kringen niet of bijna niet voorkomen. Dat ze minder voorkomen
dan buiten onze gezindte kan ik ine voorstellen, gezien een sterker normbesef, grotere sociale kontrole en dergelijke, inaar dal ze geheel ontbreken, kan mijns inziens alleen maar volgehouden worden wanneer men de ogen ervoor gesloten houdt.
Hoe moeten we nu staan tegenover het vertrouwen of wantrouwen van onszelf? Bij het opgroeien leren we onszelf enigszins kennen, inklusief onze zwakke kanten. Als wc echter tevens door genade iets van de diepte van onze val hebben leren kennen, zal de belijdenis ons niet moeilijk vallen, dat wij onszelf niet toevertrouwd zijn. Ook uit de Bijbel zijn ons de voorbeelden bekend van de gelovigen, die uit zwakheid in ernstige zonden gevallen zijn. Er is dan ook weinig reden om onszelf te vertrouwen. Veeleer moeten we met een zekere argwaan tegenover onszelf staan, en waken en bidden dat we niet in verzoeking komen. In de Heilige Schrift staan ons meerdere voorbeelden opgetekend van een gebed om bewaring voor de uitleving van het kwade. In Psalm 19 : 13-14 bidt David: .Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van dc verborgen afdwalingen. Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding". En op een andere plaats: Neig mijn hart niet tot een kwade zaak om enige handel in goddeloosheid te handelen" (Psalm 141:4a).
Geroepen tot het goede
Gans onbekwaam tot enig goed - dan kan cr toch ook niets goeds van de mens verwacht of gevraagd worden? Wanneer je je verdiept in de geneigdheid van de mens tot het kwade, dan loop je hel gevaar dat je het gewoon gaat vinden dat er, zoals Gods Woord ons ook herhaaldelijk leert, niemand is die goed doet. Het kwade zou bijna recht van bestaan krijgen. Dat is echter ten enenmale verkeerd. Dit wordt goed zichtbaar in het licht van Wie God is. „Ik, de Heere, ben heilig", zo spreekt Hij; en daarom zult gij Mij heilig zijn (Lev. 20:26). Dat betekent, dal wij ons van de wereld moeten afzonderen en God toebehoren. In het licht van Gods heiligheid bemerk je pas de ernst van de zonde; terwijl jc daar in het geheel geen erg in hebt. als je ver van Hem alleeft. Toen Jesaja de Heere zag, zittende op een hoge en verheven troon, en de serafs die elkaar het driemaal Heilig toeriepen, riep hij uil: Wee mij. want ik verga', dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen gezien" (Jes. 6:1-5).
Dc Heere vraagt van ons dat we heilig zouden zijn. dat wij volmaakt zijn gelijk Hij volmaakt is (Matth. 5:48), dat wij liefde zullen hebben tot Hem en onze naaste, namelijk met het gehele hart, de gehele ziel. het gehele verstand en met alle krachten (Matth. 22:37). Kortom, de Heere vraagt van ons dat wij het goede zullen doen. We weten echter, dat wij daartoe geenszins bij machte zijn. In dit spanningsveld bevinden wij ons nu.
Op velerlei manieren tracht dc mens daar uit tc komen. Hij bagatelliseert zijn zonden en zijn zondige aard. of hij neemt Gods eis niet serieus, of hij brengt als mening naar voren dat God toch niet alleen rechtvaardig maar ook barmhartig is, of hij durft zelfs te suggereren dat God onrecht doet, door van dc mens te eisen dat hij niet kan doen: f hij loopt terstond weg, nadat hij zijn aangezicht in de spiegel gezien heeft, en vergeet die aanblik. Allemaal zijn het uitingen van ongeloof. Paulus zegt tegen mensen die zich met schijnbaar rechtzinnige redeneringen van Gods waarheid trachten tc ontdoen: Maar toch, o mens. wie zijt gij, die tegen God antwoordt? " (Rom. 9:20a). We moeten Gods Woord aannemen zoals het tot ons komt, in plaats van er tegen in te gaan met spitsvondige antwoorden.
Beide polen in het genoemde spanningsveld zijn realiteit: de zondige geneigdheid van dc mens én de oproep van de Heere tot hel goede. Aan dc ene kant is er het gevaar van berusting in de neiging tot het kwade en de onmacht tot het goede; aan de andere zijde dreigt het gevaar van heenlopen over deze zaken, en vervallen in een zekere vorm van werkheiligheid, waardoor we vreemd vuur op het altaar bij God brengen. Staande in dit spanningsveld mag onze bede wel zijn. dat de Heere wil geven dat wij - in beginsel - weer aan ons doel gaan beantwoorden. De dichter van Psalm 86 zong hiervan:
Leer mij naar Uw wil le hand'Ien, 'k Zal dan in Uw waarheid wand'len; Neig mijn hart, en voeg hel saam Tot de vrees van Uwen Naam.
De Heere kan dat bewerken door Zijn wederbarende Geest. Die werking, waardoor wij het goede weer willen gaan doen, wordt door de Dordtse Leerregels als volgt beschreven: In de wil stort Hij nieuwe hoedanigheden, en maakt dat die wil. die dood was. levend wordt: die boos was. goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil: die wederspannig was. gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt die wil alzo. dat hij als een goede boom vruchten van noede werken kan voortbrengen" (D.L. III/IV. II).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1989
Daniel | 32 Pagina's