Zendeling bij de Eskimo’s
Het is in het begin van de 18e eeuw.
Hans Egedde. een deens predikant, zit aan zijn bureau. Voor hem ligt de Bijbel opengeslagen. Maar Hans kijkt er niet in. Hij staart voor zich uit. Enkele maanden geleden heeft hij oude boeken gevonden. Daarin heeft hij gelezen over Groenland. Vele eeuwen terug hebben zich daar
Noormannen gevestigd. Het werd toen een bloeiende kolonie, maar na verloop van vele jaren hoorde men niets meer van deze landgenoten.
Toch laat het de deense predikant niet los. Stel je voor dat er nog landgenoten woonden! Die hadden het dan waarschijnlijk heel arm. want al een paar honderd jaar bestond er geen handel meer tussen Groenland en Denemarken. En wat voor Hans
Egedde het belangrijkste was: zij hadden misschien ook geen
Bijbels in dat land. Wat zou hij graag Gods Woord gaan verkondigen, daar. hoog in het noorden. Maar zijn vrouw denkt er anders over. Die ziet veel meer de gevaren van het verblijf in zo'n ver vreemd land. Als zij even later de kamer van haar man binnenkomt, ziet ze meteen dat hij weer heeft zitten dromen.
„Hans toch! Kun je het nog steeds niet loslaten? Denk er toch eens nuchter over na.
Misschien woont er wel niemand meer. We kunnen toch moeilijk met onze kinderen zo'n reis maken als je niet eens weet of je daar wel iemand vindt? "
„Och Gertrud, wat het is, weet ik niet. maar iets in mij zegt dat ik gaan moet."
..En de mensen hier? Moeten zij dan maar zonder dominee blijven? Die hebben toch ook Gods Woord nodig!", antwoordt Gertrud.
„Vrouw, als de Heere het goedkeurt dat ik ga. dan zal hier spoedig een nieuwe predikant komen." Gertrud Egedde zegt niets meer. Zij zucht diep en gaat dc kamer uit.
Buiten, onder het open raam, sluipen stil twee jongens weg.
Het zijn Paul en Niels, zoontjes van Hans en Gertrud.
..Hoorde je dat. ze hadden het weer over Groenland", zegt Paul, „altijd maar dat Groenland. En moeder wordt er zo verdrietig van."
„Ja, maar stel je voor dat er nog mensen wonen. Die moeten toch ook horen over de blijde boodschap van de Heere Jezus, Paul? " antwoordt Niels.
„Vader heeft wel een beetje gelijk."
„Welja, begin ook maar. Nou. dan zijn er nog zat andere mensen die kunnen gaan.
Mensen zonder vrouw en kinderen. Wij hoeven toch niet speciaal naar dat akelige koude land!"
„Waarom andere mensen wel en wij niet? Bah. wat ben jij egoïstisch! Ga alleen maar vissen, 't Hoeft al niet meer. Ik ga naar huis."
Boos draait Niels zich om en loopt in de richting van hun huis.
Paul gaat alleen verder naar het strand. Het water is laag en spoedig heeft hij een stel vissen in zijn emmertje. Hij is nog steeds met zijn gedachten bij het gesprek over Groenland en dat is heel dom. want daardoor let hij niet op het water.
Langzaam aan komt het water hoger. Het is vloed. Paul schrikt opeens. Tussen het strand en hem is al een brede strook water waar hij onmogelijk door kan. Hij rent het stuk strand verder af. maar het water komt steeds hoger en nergens is een plek om er door te gaan. Paul krijgt het benauwd. Daar, een eindje verder is een partij rotsen. Die blijven meestal boven het water uitsteken, weet hij. Als hij daar maar kon komen, dan is hij misschien veilig. Hij waadt er zo snel mogelijk naar toe en klautert er bovenop. Gelukkig, daar zit hij! Als het water nu maar niet extra hoog komt.
Thuis zullen ze wel ongerust worden. Hij boft nog dat het zomer is, zodat het niet helemaal donker wordt. Heel in de verte ziet hij hun dorpje liggen. Paul kijkt angstig naar het water. Het komt nog steeds hoger. Zou de rotspunt droog blijven? Hij hoopt het van ganser harte. Opeens denkt hij aan de mensen in Groenland.
Die zijn ook afgesloten van dc wereld, net zo ongeveer als hij nu is. Maar hij wil graag geholpen worden. Zouden die mensen ook niet geholpen willen worden? In al zijn angst en benauwdheid bidt hij tot God: „Heere, wilt U mij hier weer gezond vandaan brengen.
En als ik weer thuis ben, beloof ik U dat ik met moeder zal praten om haar tot andere gedachten te brengen. Dan zullen we naar Groenland gaan en ik zal vader helpen om de mensen van U te vertellen."
Heel in de verte ziet hij op het strand een lichtje bewegen. Het is vader Hans Egedde, die met een verrekijker op zoek is naar zijn zoon. Hij is erg ongerust, maar gelukkig, daar ziet hij hem op de rots zitten. Haastig waarschuwt hij een visser en samen varen ze naar Paul. Hij is gered!
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1989
Daniel | 32 Pagina's