Ster van het oosten (1)
Naar een oud verhaal uit Noord-Amerika
In dc leren tenl van hel opperhoofd Twee Manen heerst de stihe van de avond. Het is er halfdonker. Onder een ketel brandt een klein \iiurtje cn op een kunstig uitgesneden houtblok staat een kaars van hertevet. Grillig verlicht het wiegelende vlammetje de tipi.
Terzijde daarvan ligl op een bed van huiden een jonge vrouw in ccn lichte sluimer. Af en toe slaat zc de ogen op. kijkt met een Hauwe glimlach om haar mond naar haar man en slaapt dan weer in.
Twee Manen zelf zit met gekruiste benen zwijgend tegenover haar. Behaaglijk trekt hij de deken, die hij om zich heen heeft gewikkeld, dichter om zich heen. Met een vergenoegde Irek op zijn Irolse gezicht staart hij in het kleine lichtje.
Opeens is er gerucht bij de ingang van de tent. Een zachte stem fluistert: ..Kan het grote opperhoofd even buiten de tipi komen? "
Twee Manen staat onhoorbaar op. Hij slaat de 1 uffelhuid, die de opening afsluit, terug en staat in de ijskoude vrieslucht. De bevroren sneeuw licht wit op in hel donker.
Twee krijgers staan op hem te wachten. Een van hen legt met een grauw een paar honden het zwijgen op. De andere zegt: „Er is een bleekgezicht aangekomen!"
..Is hij alleen? "
De krijger knikt. Twee Manen loopt verbaasd met hem mee. Bij de westelijke ingang van het Indianendorp staal een kleine slee. waarvoor twee grote Mackenzie-honden zijn gespannen. Een lange man met een dichte baard staat er naast. Hij draagt een muts en een jas van berebonl en een broek van herteleer. Over zijn schouder hangt een ouderwets Kcntuckygewcer.
Twee Manen neemt hem scherp op. De man leunt wat vermoeid tegen de slee en wacht. Hij schijnt de gewoonten van de Indianen goed te kennen, want | het is niet betamelijk iets te zeggen, voor het opperhoofd hel gesprek openl.
Eindelijk vraagt Twee Manen: ..Wat voert mijn blanke broeder naar ons dorp. terwijl de zon haar loop al voleindigd heeft? " ..Ik zou hier graag de nacht doorbrengen. Ik kom van het kamp van de pelsjagers aan de andere kant van de rivier. Mijn naam is Peter Thompson". De stem van de blanke man is warm en diep. i
Twee Manen antwoordt niet. Nog steeds kijken zijn zwarte ogen naar het verweerde gezicht van dc blanke onder de ruige muts. Spreekt het bleekgezicht de waarheid? Hij heeft nog niet veel met blanken te maken gehad. Maar van andere rode broeders heeft hij gehoord, dat de mond I van de bleekgezichten niet allijd dezelfde dingen uitspreekt als hun hart denkt.
De blanke kijkt 'Ewee Manen rustig aan zonder zijn ogen neer te slaan. Dat bevalt hel opperhoofd. Hij zegt dan ook: ..De blanke broeder slape in een van onze tipi's en ete bij ons vuur". Tegelijkertijd doet hij een stap lerug en maakt een uitnodigend gebaar. j
Thompson pakt de honden bij de teugel en leidt ze het kamp binnen. Zelfwijst Twee Manen hem een plek. waar hij ze kan uitspannen en gaat hem dan voor naar zijn eigen tipi. Hoffelijk tilt hij de buffelhuid op.
Peter Thompson kan in de schaars verlichte ruimte eerst weinig onderscheiden. Pas na een paar minuten ziet hij dat er zich nog iemand in de tent bevindt: een jonge \TOUW met twee gitzwarte vlechten, liggend op een bed. Is zij ziek? Twee Manen wijst hem een plaats en gaat zclfook zitten. Een dikke vrouw komt binnen en brengt soep. Ze bedient ook de jonge vrouw. Even later slurpen ze alledrie van het warme vocht, waarin grote stukken elandcvlees drijven. Een onverwacht geluid doet de twee mannen opzien. Peter Thompson kan hel kleine geluidje, dat leek op hel klaaglijk gemiauw van een jong poesje, niet direkl thuis brengen. De vrouw gaat zitten. Ze slaat glimlachend de deken terug en haalt een klein bundeltje tevoorschijn. Het is een baby, zo piepklein dat Thompson opslaat om hel kindje van dichtbij te bekijken.
..Is het...." vraagt hij.
..Een zoon", antwoordt het opperhoofd trots.
De jonge moeder houdl het bundeltje dichter bij het licht. Hel jongetje slaat de ogen op en Thompson kijkt in twee donkere oogjes, waarin zich hel bevende licht van de kaars weerspiegelt. ..Wanneer is hij geboren? " „Vanmorgen, toen hel grote licht aan de hemel kwam", zegt de vrouw.
„Vanmorgen? Dan is het ccn kerstkindje. Op deze dag werd ook de Zoon van de Grote Geest geboren...."
De twee anderen kijken hem niel-begrijpend aan.
..Ik ben een Jossahud, een leraar", legt de blanke uit. „Ik reis door de wildernis om iedereen het goede nieuws le vertellen, dat de Grote Geest Zijn Zoon gegeven heeft om zondaren te verlossen".
Hel is of alle vermoeidheid ineens van hem afvalt. Omdat hij ziet, dat ze helemaal niet weten wat hij bedoelt, begini hij hen eerst de kerstgeschiedenis te vertellen. Hij vertelt ook over de
herders, die het Kindeke aanbaden en over de wijzen, die op zoek gingen naar Hem.
..En opdat die wijze mannen het Kindeke zouden vinden, hing de Grote Geest een zilveren ster aan de hemel, die in het oosten scheen als een lamp. Die ster wees hen de rechte weg...."
Twee Manen en Wapiti, zi jn vrouw, hebben ademloos geluisterd. Het verhaal spreekt zeer tot hun verbeelding. De Indiaan zegt: ..Morgen, als de blanke broeder gerust heeft in de armen van de nacht, moet hij ons nieuwe verhalen vertellen". Peter Thompson belooft hel graag, want zijn verhaal is nog lang niet uit.
Wapiti buigt zich over het slapende kindje heen en zegt: ..Nu weet ik een goede naam voor onze zoon: Wabun Anning. ster van het oosten. Twee Manen denkt na, een hele tijd. ..Goed", zegt hij tenslotte. ..Zo zal hij heten: ster van het oosten. Omdat zijn ogen schitteren als de lichten, die 's nachts aan de grote hemel staan."
De volgende dag gaat de Jossahud verder met zijn verhaal. De oudste krijgers zijn nu ook aanwezig. Eerst spreekt hij over de geboorte van de Zaligmaker, Die in de sneeuwmaand geboren werd. Dan vertelt hij van Zijn rondwandeling op aarde, van de kruisiging en van de opstanding der doden.
Maar nu grommen de rode broeders onrustig. Dat kunnen ze niet begrijpen: een Verlosser. Die vrijwillig de dood in ging en zelfs Zijn vijanden liefhad.... Dat vinden ze een teken van zwakte. Nooit zouden zij vrijwillig sterven. En hun vijanden haten ze. Zo'n Verlosser hebben zij niet nodig.
Toch raakt Peter Thompson met de Indianen bevriend. Hij is eerlijk en behulpzaam en weet raad in vele moeilijke zaken. Hij gaat zelfs met hen op jacht, waarbij hij in behendigheid voor hen niet onderdoet.
De Indianen zijn vol bewondering voor de vuurstok. die het bleekgezicht zo goed weet te hanteren. Een oude krijger zegt: „De Jossahud heeft het hart van een hinde, maar hij is even sterk ; als een beer in de maand van het groene gras...."
Graag luisteren ze naar de avonturen, die de blanke broeder beleefd heeft op zijn vele reizen. Hij is zelfs in Washington geweest, waar de grole witte vader woont en waar de wigwams en de tipi's van steen zijn.
Na een maand vertrekt Peter Thompson naar een andere stam aan de Hudsonbaai. Hij neemt afscheid met een vriendelijke glimlach, maar met een bedroefd hart. Hij heeft vrienden gemaakt, maar van zijn Meester willen ze niets weten.
Toch vergist de Jossahud zich. Eén is er, op wie de verhalen over de Zoon van de Grote Geest een onuitwisbare indruk hebben gemaakt: Wapiti. En als Wabun groter wordt is er één verhaal, dat zijn moeder hem telkens weer vertelt. Dat is de geschiedenis van zijn geboortedag.
Wabun wordt het nooit moe om daarnaar te luisteren. In zijn kinderlijkheid denkt hij vaak dat hij. omdat hij toch eigenlijk naar dat wonderbare Kind heet. ook naar Zijn voorbeeld moet leven. Soms kijkt hij naar de ster. die voor zonsopgang in het oosten glanst. Die beschouwt hij als zijn eigen ster.
Eén keer per jaar komt de Jossahud. Verheugd scharen de krijgers zich dan om het kampvuur. Wat zijn ze verbijsterd als ze horen, dat er in Washington nu een zingende draad is. waarlangs men boodschappen zenden kan. Weer een andere keer vertelt hij, dat zijn blanke broeders een ijzeren paard gebouwd hebben, dat over ijzeren balken rijdt zonder honden of paarden ervoor. De Indianen luisteren met open mond. Hun wereld is die van het noorden, waar heuvels, bossen en moerassen zijn. Waar de beren leven en de otters, de vossen en de wolven. Van wat daarbuiten gebeurt, weten ze niets.
Maar wanneer de Jossahud zegt. dat de Grote Geest alles en iedereen geschapen heeft, worden ze onrustig. Daarover mag hij niet praten en zeker niet over zijn Zoon.
Wabun en zijn moeder zijn er wel eens verdrietig om. In het geheim proberen ze meer over de Heere Jezus te weten te komen. Soms neemt Wabun Peter Thompson mee, als hij er op uitgaat om zijn kleine vallen na te kijken. Op een keer gunt hij hem een blik in zijn kinderhart, waar afgunst en boosheid leeft, maar ook een groot verlangen naar de Zoon van de Grote Geest. Hij vertelt hem hoe vaak het mislukt om naar Zijn voorbeeld te leven, terwijl dat toch zijn hoogste wens is.
Peter Thompson antwoordt hem. dat niemand dat uit zichzelf kan en dat daarvoor juist de Heere Jezus aan het kruis gestorven is. Voorzichtig geeft hij hem verder onderwijs.
Thompson verwondert zich over de jongen. Meer en meer wordt het hem duidelijk, dat het de Heere is. Die in de kleine Indiaan werkt. Het stemt hem dankbaar en dikwijls ontroert het hem. Het is niet te zeggen, wie het meest van de gesprekken aan de snelstromende beek leert: Wabun of Peter Thompson zelf.
Jaren gaan voorbij. In de tent van Twee Manen worden nog twee kinderen geboren, twee meisjes. Wabun groeit op tot een flinke jongen. Hij kan schieten met pijl en boog. hij leert worstelen, hardlopen en klimmen. Al gauw zal hij tien jaar worden. De winter valt dat jaar vroeg in en is buitengewoon streng. Het begint te sneeuwen, zo hevig, dat op sommige plaatsen drie meter sneeuw komt te liggen.
„Er zijn al veel zonnen over mijn hoofd gegaan. Denkt mijn vader dat de Jossahud nog komt? " vraagt Wabun. „Ik denk het niet. mijn zoon. want de zware sneeuw is gevallen", antwoordt Twee Manen en hij zucht. De zware sneeuw.... dan komt het kleine wild om onder die verstikkende sneeuwlaag. En dat terwijl de zomeroogst slecht is geweest. Voor hen betekent dat: honger. De sneeuwmaand komt. Wabuns geboortedag breekt aan. Er is nog maar net genoeg voedsel voor iedereen. De voorraad koren en maïs is verontrustend
geslonken. De jagers komen met steeds minder buit terug. De vallen blijven leeg. want de meeste dieren verlaten hun schuilplaats niet. Tenslotte worden alleen nog wat vogels buitgemaakt.
Na nog een maand is de nood werkelijk tot aan de lippen gestegen. Reeds zijn enkelen door de honger zo verzwakt, dat ze niet meer van hun huidenbed opstaan.
Twee Manen roept zijn krijgers bi j elkaar. Ze bespreken alle mogelijkheden om aan voedsel te komen, maar vinden geen oplossing. In de verre omtrek is maar één stam. waar hulp gevraagd kan worden. Dat zijn de Indianen, die twee dagreizen verder aan de Grauwe Otterrivier wonen. Maar niet hen leven ze al jaren lang in onvrede. De afgezant van hun dorp zou daar doodgemarteld worden. Men zou zich verheugen in de tijding, dat hun vijanden sterven van de honger. Van die kant is geen hulp te verwachten.
..Broeders", zegt het opperhoofd tenslotte, ..liet is hard voor ons. maar ik vrees dat we spoedig zullen moeten vertrekken naar de eeuwige jachtvelden. Draag het met gelatenheid. Sterf als edele mannen. Laat de squaws klagen, de kinderen wenen, maar wees gij sterk".
Kalm verlaten de mannen de tipi. Geen emotie is op hun strakke gezichten te lezen. In een donkere hoek van de tent beweegt iets. Het is Wabun. die stil de vergadering heeft bijgewoond. Hij ziet er ontdaan uit. De hele dag blijft hij verder zwijgzaam.
Zonder eten gaan de inwoners van de nederzetting die avond slapen. Buiten staan de sterren helder en koud aan de hemel.
Het is drie dagen later. Over de onafzienbare sneeuwvlakte gaat een klein figuurtje. Het is Wabun. die zo dik is ingepakt, dat er bijna niets meer van hem te zien is.
Sinds het ogenblik, dat hij zijn vader hoorde zeggen: ..Sterf als edele mannen", heeft hij geen rust meer gehad. Sterven? En dan zonder de Zoon van de Grote Geest te kennen als Verlosser?
Het liet hem niet los. En uit de vele gedachten, die door hem heen waren gegaan, was hem één ding heel duidelijk geworden: er moest iemand naar de vijandelijke stam gaan om hulp. Hij moest het doen!
Toen hij zo ver was. ging hij direkt naar zi jn vader. ..Vader, ik zal gaan naar de Grauwe Otterrivier. Grote krijgers zullen ze martelen, maar misschien zullen ze een jongen sparen...." Twee Manen zag zijn zoon voor zich staan. Hij was vermagerd, maar toch nog sterk en knap en zijn ogen schitterden van moed. Toen zei hij vastberaden: ..Nee. daar geeft Twee Manen zijn zoon niet voor. Ze zullen je scalperen...."
Wabun wist. dat er nu niet meer over te praten viel. Maar ook hij was vastbesloten. Zijn stam móest gered worden. In het geheim trof hij zijn voorbereidingen. En toen na een paar dagen de temperatuur iets steeg, vertrok hij stilletjes uit het kamp.
Nu is hij al een paar uur onderweg. Hij weet hoe hij lopen moet, want eens is hij vlakbij het vijandelijke dorp geweest. Het vriest nog hevig. De cederbomen kraken zo. dat het lijkt op het geknal uit de vuurstok van de Jossahud. Het klinkt geheimzinnig in deze stille wereld, waar niet een levend wezen te bekennen valt.
Hij loopt de hele dag door. Slechts af en toe rust hij een paar minuten en een wat bevroren bessen. Het wordt schemerig. Wabun wordt moe. maar hij is nog vol goede moed. Onder een paar omgevallen bomen graaft hij een diep hol. Het is een uitstekende schuilplaats voor de nacht.
Als hij erin gekropen is. vouwt hij zijn handen en bidt, zoals hij geleerd heeft van de Jossahud. Dan rolt hij zich op. net als de sledehonden doen. die altijd in de sneeuw slapen. Bijna onmiddellijk valt hij in slaap.
De volgende morgen wordt Wabun wakker, als het nog half donker is. Hij is door en door koud en stijf. Zijn maag doet pijn van de honger, maar hij begint direkt te lopen.
Zal hij vandaag het dorp aan de Grauwe Otterrivier bereiken? Nu valt toch de angst op hem. Hoe zullen ze hem ontvangen? Hij rilt. Zal hij terug gaan?
Even staat hij stil. Voor hem uit glanst de ster. die hij altijd beschouwd heeft als „zijn" ster. Het is of die ster zegt: Hier moet je heen. dit is de goede weg. Het troost Wabun. Hij voelt dat de Zoon van de Grote Geest met hem meegaat.
Snel gaat hij verder. Uren houdt hij het vol. Bezorgd kijkt hij af en toe naar de zon. die niet meer zo helder schijnt als gisteren. Het zal toch niet gaan sneeuwen? Dan is hij verloren. Trager gaan zijn voeten, hij wordt vermoeid. Is het nu net of hij nattigheid in zijn gezicht voelt? Wabun wordt bang.
Zi jn voeten gaan pijn doen. maar hij kan niet gaan zitten. Rusten betekent een gewisse dood. Strompelend gaat hij door. een uur lang. Er zijn geen gedachten meer in hem. alleen een verbeten wil om vol te houden.
Opeens valt hij. Hij wil opstaan, maar hij is zo moe. zo doodmoe. En de sneeuw is zacht. Zacht en warm als zijn eigen bed in de tipi. Een bevende, klagende roep om hulp komt over zijn lippen. Dan wordt alles stil en donker om hem heen.
Twee mijlen ten westen daarvan zijn twee Indianen bezig een loodzware eland op een kleine slee te sjorren. In hun donkere ogen glanst de vreugde 0111 deze geweldige buit. Veel elanden zijn immers het slachtoffer geworden van de vreselijke sneeuwstormen. Hun lichamen zijn bedolven onder meters sneeuw. Ook zijn er veel rendieren weggetrokken naar het zuiden.
Voor henzelf is nu op de slee geen plaats meer. Ze gaan ieder aan een kant staan en zetten de honden aan.
„M'hoesj! M'hoesj! M'hoesj!" Buiten het sparrebos dansen witte vlokken in hun gezicht. De lucht wordt loodgrijs van kleur. Zwijgend zwoegen ze naast de slee.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1988
Daniel | 32 Pagina's