JAAP OP DE SCHAATS
Jaap belooft moeder dat hij op Ronald zal wachten als Ronald niet zo snel vooruit komt als hij.
Maar tegelijkertijd denkt hij: „Het ijs is nu toch overal sterk en ik kan goed schaatsen, dus val ik niet. Ik wil Ronald wel eens laten zien dat ik veel sterker ben dan hij en dat ik veel harder kan schaatsen."*
Woensdag komt Ronald Jaap weer ophalen om te schaatsen. Op het ijs is het erg druk. Er zijn veel kleine kinderen met hun moeders. Jaap vraagt aan Ronald: „Zeg, zullen we een eindje verderop gaan schaatsen, het is hier zo vol."
„Goed", zegt Ronald, „maar niet te ver, dat mag ik niet van mijn moeder. Ik moet bij de andere mensen blijven."
„O joh, het ijs is toch overal sterk, kom maar", roept Jaap en hij rijdt er al vlug van door. Ronald wil hem inhalen, maar dat valt niet mee. Ze vliegen over het ijs. Jaap denkt: „Wat heerlijk gaat dat, ik lijk wel een vogel." Sneller en sneller gaat het. Ronald houdt het niet lang vol. Hijgend blijft hij achter. Hij roept: „Wacht joh, dan gaan we terug!" Jaap hoort het roepen van Ronald wel maar denkt: wachten en terug? Nee hoor, ik ga door. Ronald moet nu zien hoe goed ik het al kan.
Jaap gaat nog steeds verder. Als hij even achterom kijkt, ziet hij Ronald in de verte stoppen en omkeren. Hij wenkt nog een keer. Ja, ja, denkt Jaap, ik kom zo, nog een klein eindje verder en dan ga ik ook terug. Heel even vergeet Jaap op het ijs te letten. Hij ziet de grote scheur vlak voor hem in het ijs niet. Zijn schaats schiet erin, hij zwikt met zijn voet en klapt op het ijs. Zijn schaats zit vast. Hij krijgt zijn voet niet los en het doet zo'n pijn. Jaap bijt op zijn lip en wil niet huilen maar toch rollen er een paar tranen over zijn wangen. Hij kijkt om zich heen om te zien of er iemand is die hem helpen kan, maar er is niemand.
O, o, wat erg. Zie je nu wel dat mama gelijk heeft. Ze heeft het nog zo gezegd. Nu ligt hij hier, eenzaam. Hij heeft het koud en straks wordt het donker. Jaap huilt nu hardop. Zijn voet begint steeds meer pijn te doen. Hij voelt zich heel alleen en denkt dat er niemand is die hem ziet. Ja toch, opeens weet hij dat de Heere hem wel ziet. Zou hij vragen of de Heere hulp wil geven? Het is zijn schuld dat hij hier ligt. Hij wilde aan Ronald laten zien hoe hard hij al kon schaatsen en dat hij veel sterker was dan Ronald.
Jaap ziet opeens hoe lelijk hij deed tegen Ronald, zijn beste vriend. Midden op het ijs vouwt Jaap opeens zijn handen, hij sluit zijn ogen en hij vraagt aan de Heere of Hij hulp wil geven. „Wilt U mij helpen Heere, dat ik weer thuis mag komen en wilt U al mijn lelijke dingen vergeven die ik gedaan heb, om Jezus" wil. Amen."'
Als hij zijn ogen open doet, is hij niet meer zo bang. Nog één keer probeert hij zijn schaats los te krijgen, maar het lukt niet. Dan kijkt hij rond.
(wordt vervolgd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1988
Daniel | 32 Pagina's