Miranda
„Miranda, ópschieten.... ik gä hoor!" „Miranda, waar blijf je toch? "
Moeder staat onder aan de trap. Met haar ene hand houdt ze de leuning stevig vast en haar andere hand heeft ze in haar zij gezet.
Haar stem klinkt ongeduldig. „Miranda, kóm nou!" 't Meisje voor de spiegel zet vlug haar hoedje op. Haar grote donkere ogen schitteren onrustig in haar witte gezicht.
„Joehoe!" roept ze zenuwachtig naar beneden. „Ik kom zo hoor, één ogenblikje nog!" Ze rent haar kamertje binnen.
Ze bonkt neer op haar knieën voor haar bed en ze knijpt haar ogen stijf dicht.
„Heere, alstublieft, wilt U me bekéren? " Ze struikelt haast over haar woorden, zó vlug praat ze.
„Wilt U me bekeren, U kunt toch alles, alstublieft Heere, bekeer me toch!"
Gauw wipt ze weer overeind.... en tegelijkertijd fluistert een stemmetje diep binnen in haar: „De Heere hoort je tóch niet. Wat is dat nou voor een gebed; je stamelt maar wat aan.... je hebt wel drie keer hetzelfde gevraagd.... niets waard hoor, niets waard."
„MIRANDA."
Nu is moeder écht boos. „Toe kind, schiet 'es een beetje op, we zijn al zo laat." Miranda aarzelt. Ze bijt op haar lip.
Dan rent ze naar beneden. De houten treden kraken onder de vlugge aanrakingen van haar zwarte laarsjes.
„Hier ben ik al", zegt ze buiten adem. En als moeder haar vragend aan blijft kijken bloost ze licht.
„Nou ja", bromt ze.... „Ik moest nog even m'n hoedje recht zetten."
Ze verzint maar wat.... ze moet toch iets zeggen.... en dat ze lag te bidden, nee.... dat, juist dat mag moeder niet weten.
En moeder? Ze neemt haar dochter van top tot teen op.... van 't vilten hoedje tot de glimmende zwarte laarsjes, 't Kind ziet er slecht uit, flitst het door haar heen. Even vergeet ze haar haast.
„Meid, ben je niet lekker? ", vraagt ze hartelijk bezorgd. „Je ziet zo wit!"
Miranda haalt haar schouders op. „Welnee mam", zegt ze luchtig. „Het was boven niet zo warm.... daar komt het van!"
Samen stappen ze even later de deur uit....
't Is aardedonker en aan de hoge lucht fonkelen miljoenen sterren.
Moeder en Miranda gaan naar de kerk. Het is op een gewone doordeweekse dag. Vader is nog niet thuisgekomen van z'n werk.
Vanmorgen zei hij dat hij wat langer door zou gaan. Hij werkt als timmerman op een kleine meubelfabriek en ze waren net aan een doopvont bezig dat nog voor het weekend af moest zijn.
En Martin, Miranda's tweelingbroer, had geen zin om mee te gaan. Nou ja, „geen zin".... zo had hij het natuurlijk niet létterlijk gezegd, maar het kwam er wél op neer.
Ze zaten aan tafel, moeder, Miranda en hij. En toen had hij zó vreselijk uit zitten wijden over twee zware repetities; éen van wiskunde en één van Engels.... en 't was allemaal zóveel en zo moeilijk. Aan het eind van zijn klaagzang vroeg moeder: „Je wilt zeker niet naar de kérk. Martin? "
En Martin was vuurrood geworden. Hij had met z'n wijsvinger de geborduurde
bloemetjes van het tafellaken nagevolgd.
Steeltje-blaadje-bloemetje.... steeltje-blaadje-bloemetje.
„Nou ja!", gromde hij tenslotte verslagen. „Ik weet anders óók niet hoe ik klaar moet komen hoor en zondags ga ik óók al twee keer naar de kerk dus zo nodig hoeft 't voor mij niet!"
Moeder had daarop alleen een opmerking gemaakt dat hij toch wel hóórde te gaan; voor de mensen enzo maar Miranda was vreselijk geschrokken.... ze had wel kunnen huilen.
En dan.... alleen voor de ménsen? Ach, durfde ze maar te zeggen wat ze er zélf van dacht. Dat 't belangrijk was om te gaan, omdat de Heere de kerkdienst kon gebruiken om je te bekeren. En Martin had dan zijn woordje natuurlijk direkt al weer klaar gehad.... Dan zou hij gezegd hebben: „Nou meid, dat kan toch ergens anders óók wel; dat kan op m'n eigen kamertje nét zo goed als in de kerk."
En dan had Miranda wel kunnen zeggen dat er in de Bijbel staat dat het geloof uit het gehoor en het gehoor door het gepredikte Woord is.... wat zou 't allemaal geholpen hebben? Martin zou haar alleen maar honend aangekeken hebben, z'n ogen zouden verachtelijk glinsteren en hij zou haar toegesist hebben: „Meid, houdt die Bijbel er buiten, de Bijbel is maar een oud boek, geschikt voor mensen die achteraan willen komen". Ja, zó zou het gegaan zijn en tóch voelt Miranda zich schuldig dat ze gezwegen heeft.
Ze stappen flink door en de kou bijt in hun wangen, 't Is gelukkig maar een klein stukje naar de kerk. Ginds, door de kale takken van de bomen ziet Miranda de verlichte ramen al. Haar hart bonkt in haar keel. Ze voelt een wee gevoel in haar buik.
Raar, ineens heeft ze helemaal geen zin meer om naar de kerk te gaan. Ze is bang. Waarom zou ze eigenlijk wél gaan? Ze heeft zo lang niet willen luisteren naar de preken. Dan zat ze maar wat te dromen in haar bankje.
Dromen met open ogen.
Dromen over later, over de toekomst en over slechte dingen. En dat terwijl de Heere zo nodigde, zo lokte en steeds weer smeekte: „Mijn Zoon, geeft Mij uw hart en wendt u naar Mij toe en wordt behouden." Waarom is ze toch zo hard en zo koud. Héél haar leven — en ze is nog maar net zestien — is vijandschap tegen God; klinklare vijandschap en niets anders. Al die zonden en al
dat liegen en stelen en al die andere dingen.... wat had de dominee ook al weer gezegd?
„Elke zonde is een klap in Gods aangezicht.... gezondigd tegen een liefdevol, een goeddoend God."
O, waaróm zal ze nog naar de kerk gaan. Om nóg meer oordelen te horen? „Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der wet, om dat te doen."
Ja, ja.... vervlóekt, dat is het goede woord en ze kan nóóit meer bij de Heere komen en dan zéggen ze wel: „Je moet naar Jezus toe gaan met al je vuile zonden maar ze kan Hem niet vinden, niet zien, niet voelen.
En als ze denkt aan de Heere Jezus dat Hij gehuild heeft bij het zien van de oude stad Jeruzalem, dat Hij toen zei: „Och, of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient", als ze daaraan denkt, dan hééft ze 't niet meer.
Waar moet ze toch héén met al haar vragen, met al haar angsten? Miranda huivert. Ze stopt haar smalle witte handen diep weg in de zakken van haar jas.
Wanneer ze niet geboren was.... dan had ze niet met zulke problemen gelopen. Hè.... niet aan denken nou. Daar is de kerk al. Ze zullen maar vlug naar binnen gaan.
Ouderling Niekerk leest een hoofdstuk uit de Bijbel voor; Jesaja veertig. Maar Miranda hoort er niets van. Ze is helemaal met zichzelf bezig. Ze kijkt naar de mensen voor zich en tóch ziet ze hen niet echt. O, zo'n slechte gedachte is het.... en ze kon er niets aan doen.... het flitste zomaar door haar heen.... als - als God nou 'es helemaal niet bestaat.... die drie-enige God. want zeg nou zélf: dat kan toch eigenlijk niet.... een Vader, een Zoon en een Heilige Geest. Drie personen en tóch één. En dat de Heere
Jezus op aarde gekomen is.... zou dat wel echt waar zijn....? God bestaat niet, God is dood.
Zo zit Miranda daar in de kerk. Het zweet staat op haar voorhoofd. Ze heeft haar handen tot stevige vuisten gebald. Ze houdt het niet meer uit.... ze wil weg.... wég uit de kerk. En alle mensen zitten maar braaf te luisteren en als er nou geen God is, dan is alles voor niets. Maar er is wél een God. Het moet. Onder het gebed van de dominee knijpt ze haar ogen stijf dicht. Ze buigt haar hoofd maar al de woorden glijden zomaar langs haar heen. Ze kan niet bidden. Het lukt niet meer.
En dan.... na het gebed; die psalm, die gezongen moet worden, die is vast speciaal voor haar uitgezocht. Psalm tien vers twee.
Als ze het durfde had Miranda haar oren dichtgestopt om het niet te horen.
Terwijl 't verwaand de neus omhoge steekt En in zijn hart geen onderzoeking kweekt: „Daar is geen God; geen loon, noch straf te wachten
Miranda heeft het gevoel of ze wegzinkt van schaamte en angst. En ze krijgt ineens zo'n buikpijn.... zal ze eruit gaan? Met een scheef oogje kijkt ze naar moeder; zou die wat in de gaten hebben?
Nee, ze blijft tóch maar zitten.... alle mensen zullen zo kijken als ze weg gaat. Beheersen beheersen beheersen.
De dominee begint te preken. „Geliefden", zegt hij. Verder hoort ze niets meer. Ze denkt aan de toorn van God over de zonden en dat de Heere nooit meer naar haar om zal kijken.
Er zijn verkorenen en verworpenen. Zij zal wel een verworpene zijn en het is Gods récht om haar te laten vallen.... maar, ze kan niet zonder God.
Niet zonder God? Weet ze dan wie God is? Nee? Dan.... dan klópt daar toch iets niet? Nee, nee Miranda, zegt ze tegen zichzelf.... je zit op 't verkeerde spoor.... jij mag niet zeggen dat je niet meer zonder God kunt leven, 't Is allemaal overdreven gevoeligheid van jou.... je bent verloren.... verloren.
Plotseling Miranda verstrakt. Ze kijkt gespannen naar de dominee. Wat zegt hij daar?
„Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt niet éen gemist.
Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israël! mijn weg is voor de HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij? Weet gij het niet?
Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt?
Er is geen doorgronding van Zijn verstand.
Hij geeft de moede kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien die geen krachten heeft."
O, en Miranda.... wat ze nü voelt... ze kan het niet onder woorden brengen. De tranen stromen over haar wangen.
Ze is zo vol.... zó vol. Het bruist binnen in haar.
„O Heere, weet U dan tóch nog van me af.... U bent zo goed en ik zo slecht. Trek me toch met koorden der liefde.... bekeer, bekeer me Heere...."
De rest van de dienst gaat als een droom voorbij.
En als ze 's avonds laat in het donker voor haar raam staat.., , ineens is daar wéér het gevoel dat de Heere heel dicht bij haar is.
„Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering."
Ja, kijk maar Miranda.... hef je hoofd maar omhoog. Zie je 't wel, Miranda.... Wie deze dingen geschapen heeft? Al die sterren die daar fonkelen als kostbare diamanten.... De Heere is het, Die in getal hun heir voortbrengt en ze allen bij name roept.
Er wordt er niet één gemist. Waaróm dan Miranda?
Waarom dacht je dat toch.... waarom zei je dan tegen jezelf dat je weg voor de HEERE verborgen was.... weetje 't dan niet, heb je 't dan niet gehoord dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde noch moede noch mat wordt?
Hij, Die je roept is getróuw, Miranda.
Kootwijkerbroek
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1988
Daniel | 32 Pagina's