Zucht je met de schepping mee?
Op onze aardbol krioelen miljoenen en miljoenen mensen door elkaar. Deze miljarden mensen beleven elke dag hun eigen dingen. De een is vandaag betrokken bij een ongeluk, de ander bij de geboorte van een kind, een derde heeft een baan gekregen, een vierde verliest z'n vrouw door een hongersnood enzovoort. Sinds het bestaan van een krant is de wereld voor ons veel groter geworden. Hoewel op afstand kunnen we toch van dichtbij , , proeven" wat mensen aan de andere kant van de aardbol beleven.
Wereldgebeuren
Je staat als het ware middenin het wereldgebeuren. Het laat je soms niet koud wat er gebeurt.
Aan de andere kant bekijk je door middel van een krant al dat gekrioel eens op afstand. Je blikt eigenlijk over grenzen heen. Je kijkt daar waar droogte, oorlog, hongersnood is.
Meestal doe je dat vanuit een heerlijke stoel, lekker bij de kachel. Elke avond lees je een aantal pagina's. Aan je ogen trekken soms afschuwelijke taferelen voorbij. Meestal ben je even onder de indruk, maar ben je de volgende dag weer vergeten wat je gelezen of gehoord hebt. De krant wordt wel een eendagsvlieg genoemd.
Een eendagsvlieg is een vlieg die slechts korte tijd leeft. Zo is het ook met de krant. Je neemt er kennis van en gooit hem daarna weg. Soms blijven bepaalde dingen hangen.
Onder de indruk
Van enkele berichten ben je dan onder de indruk. Wie herinnert zich niet het bericht dat Heyn ontvoerd is? Wat een verdriet voor z'n vrouw, voor z'n familie! Wij lezen het vaak en gaan weer over tot de orde van de dag. Denk eens aan het bericht dat oud-ministerpresident Den Uyl ongeneeslijk ziek werd verklaard. Hoeveel gebeden zijn toen voor hem opgestegen? Wie was toen niet bewogen met het lot van deze man? Een paar weken later en iedereen is het weer vergeten.
Kun je je het bericht van die olieramp nog herinneren? Duizenden vogels die dood zijn gegaan. Het milieu wordt daardoor (en door een heleboel andere zaken) sterk vervuild.
Wat zal ik nog meer noemen? Vliegtuigongelukken, veerbootrampen, bomaanslagen enzovoorts.
Maar hoe sta jij, hoe sta ik
middenin dit wereldgebeuren?
Laat het ons volledig koud wat er gebeurt? Kan het ons niet interesseren dat het milieu vervuild wordt? Luister eens naar wat de Bijbel zegt over hoe } je houding moet zijn in een schepping die kraakt in al z'n voegen.
De ganse schepping zucht
Sla je Bijbel eens open bij Romeinen 8 : 18-30. Daar lees je dat de ganse schepping zucht (vers 22). Kijk maar om je heen. Daar sterft een man aan een vreselijke ziekte. Ginds verongelukt een kind op een gruwelijke manier. Daar zoeken dorstige dieren kreunend en steunend hun weg vanwege de droogte. Ginds sterven bomen af die aangetast zijn door de zure regen. Daar gaan de vissen dood vanwege het sterk vervuilde water. Hoor je de schepping dan niet zuchten? Volgens Romeinen 8 kan de schepping ook niet anders dan zuchten. In vers 20 staat: .Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft." De schepping is noodzakelijk onderworpen aan al die nare gebeurtenissen. De vloek uit Genesis 3 heeft een ontzaggelijke nawerking! De enige schuldige in deze zaak is de mens. Dat ben jij, dat ben ik.
Wij hebben zelf die narigheid over ons heengehaald. Ja, we hebben zelfs de schepping, de dieren en de planten meegesleurd in die vloek.
In de krant hoor je een zuchtende schepping
Als je dat eens tot je door laat dringen, neem je ook een wat andere houding aan ten opzichte van het nieuws, ten opzichte van het wereldgebeuren. Dat lees je dan niet meer uit pure sensatiezucht. Nee, in die krantepagina's hoor je als het ware de schepping zuchten. Zuchten, door jouw schuld. Die schepping is, zo vertelt Paulus, in barensnood.
Dat betekent aan de ene kant dat ze pijn lijdt, net als een vrouw die bevalt. Maar aan de andere kant ziet een vrouw in zo'n situatie ook vol verlangen uit naar het moment waarop het kind geboren wordt. Er is dus ook een verlangen, een hunkeren.
Welnu, zegt Paulus, zo is het ook met de schepping. Als je goed luistert hoor je in de schepping ook het lied van verlangen. Het hunkeren naar de volmaaktheid. De schepping ziet als het ware uit naar een nieuwe heerlijke geboorte. De schepping kijkt reikhalzend („met opgestoken hoofde", vers 19) uit naar die heerlijkheid die aan degenen die God liefhebben openbaar zal worden (vers 18).
Nog even dan zal Jesaja 11 werkelijkheid zijn. Het lammetje zal dan ongestoord in de nabijheid van een wolf kunnen leven. Hij hoeft niet meer bang te zijn om verslonden te worden. De koe zal zonder vrees in de buurt van een berin kunnen grazen. Het kind zal zonder gevaar z'n hand in het hol van een gevaarlijk beest kunnen steken. Daar heerst volkomen vrede. Daar is alles in harmonie met elkaar. Nog even dan krijgt God weer de eer die Hij toekomt.
Nog even dan zullen er geen tranen van verdriet en rouw meer zijn. Nog even , , dan zal het schepsel zelf vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis" (vers 21).
Ook het schepsel zucht
Maar niet alleen de schepping zucht. , , En niet alleen dit, maar ook wijzelven, die de eerste-
lingen des Geestes hebben, wij ook zeiven, zeg ik, zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam."
Als we de Heere lief hebben, dan lijden we mee met de schepping. De schepping zucht, vaak onbewust. Maar Gods kind zucht ook, bewust. Hij zucht onder het lijden van deze tegenwoordige tijd.
Je zult maar losgescheurd worden van je lieve vrouw en kinderen en maanden en maanden in een isoleercel moeten doorbrengen vanwege je geloof.
Maar ook lijden omdat mensen in je omgeving hun knie voor de Heere Jezus niet willen buigen. Dat doet pijn van binnen. Lijden op een pijnlijk ziekbed, ook als jongere.
Toch staat dat lijden niet op zichzelf: „zo wij anders met Hem lijden" (vers 17). Als je in Christus mag geloven, lijd je met Hem. Iemand (een zekere Adolphe Monod) schreef het volgende: „Wanneer wij ons indenken, dat alles wat wij lijden een zekere gelijkenis vertoont met onze Heiland en dat wij, hoe meer wij lijden, ook des te meer aan Hem gelijk zijn, verandert het karakter van de smart niet? Want wie zou niet, hoe geslagen ook, kracht putten uit de gedachte: zo leed mijn Heiland ook: mijn kruis en het Zijne, mijn lijden en Zijn lijden worden één".
Dan sta je niet onbewogen in deze schepping. Dan laat alles wat met deze wereld gebeurt je niet koud. Dan zuchtje mee: wat een ellende, wat een verdriet; hoe lang nog?
Maar ook hier hunkeren
Maar het blijft niet steken in zuchten. Het is niet alleen het moede hoofd naar beneden. Ook hier, net als bij de schepping, is er naast zuchten een hunkeren, een verlangen.
Wij zien uit naar „de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam" (vers 23). Door het geloof hebben we de „eerstelingen des Geestes", zegt Paulus. Een eerstelingsgave vertegenwoordigt de gehele oogst. Nu zegt Paulus dat hij de eerstelingen des Geestes heeft. Hij heeft de Heilige Geest, die hem verzekert dat hij een kind van God is. De Geest, Die Christus verheerlijkt. Maar dat is „slechts" een voorschot. Het beste moet nog komen. De volle oogst komt. Dan is er geen verdriet meer. Dan zal Christus alles zijn. Dan is de gemeenschap met Hem zonder zonde. Maar.... nog niet. Begrijp je dan dat Paulus kon schrijven „Want ik houd het daarvoor (= ik reken erop) dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid die aan ons zal geopenbaard worden" (vers 18)?
De Heilige Geest zucht ook
Een schepping die zucht. Als het goed is zucht je met die schepping mee. Maar er is nog Iemand die zucht, namelijk de Heilige Geest. Ds. C. den Boer schrijft hierover het volgende in z'n boek „De brief van Paulus aan de Romeinen": „De Geest is het vooral die zucht. Hoort u niet in de aardbevingen, in het van honger stervende kind, in het huisdier dat schreeuwend onder de auto ligt op straat, in de decadentie en corruptie van de culturen, in de godloosatheïstisch vereenzaamde mens van vandaag het roepen van de Geest: „Kom, Heere Jezus"? ( ) Maar vooral: merkje niet in je bidden, als je zwak bent, als alles zo raadselachtig in je leven is geworden, datje niet meer weet welke kantje op moet bidden, dat de Geest het Zelf van je overneemt? „De Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen" (vers 26). ( ) De Geest doolt mee op onze doolwegen. Tot in onze diepste depressies. Als wij geen woorden meer hebben om te bidden of zelfs alles door elkaar haspelen. Dan is de Geest daar als een arend onder het moegevlogen arendsjong. Om op te vangen. Ons woorden-loos zuchten wordt Zijn onuitsprekelijk zuchten.
Zo diep, zo hartstochtelijk, zo vol heimwee. „Kom, Heere Jezus".
Verbondenheid
Uit deze teksten uit Romeinen blijkt dat er een zekere verbondenheid is tussen de schepping en de gelovige. Dat je niet zomaar aan die zuchtende schepping mag voorbij gaan. Datje dus ook niet zomaar alles watje in de krant leest naast je neer mag leggen. Al die narigheid heeft ons iets te zeggen. Misschien zegje: „Ja, maar ik kan de hele wereld toch niet op m'n nek dragen? ". Nee, dat hoeft ook niet. Daar gaat het ook niet om.
Maar de vraag blijft hoe je in deze wereld, in deze schepping staat. Zuchtend? Hunkerend? Verlangend? Of voel je je in deze schepping prima thuis? Verlang je er niet naar om de Heere straks te mogen dienen zonder zonde, zonder datje eigen ik er steeds weer tussen zit?
Als je het wereldgebeuren door de „bril" van de Bijbel bekijkt, zie je meer dan met het blote oog. Je ziet verdrietige dingen: zuchten, lijden. Maar je ziet ook heerlijke vergezichten: een komende heerlijkheid, verlost van alle lijden, verlost van pijn en moeite.
Zou je deze „bril" niet eens (laten) opzetten?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1988
Daniel | 32 Pagina's