De spoortrein
Eens op een dag, toen ik de stad Verliet en in den spoortrein zat, En daar in stille lijdzaamheid Geduldig wachtte tot de tijd — Bij 't langzaam voortgaan van de klok Zou komen, dat mijn trein vertrok, Geschiedde 't, dat in 't naaste spoor Een trein rangeerde ging en voor Mijn venster schoof. Ik kende wel De vreemde werking van dit spel, Maar 't scheen mijn onbetrouwbaar oog, Alsof mijn trein zich voortbewoog Voorbij dien andren, vreemden trein, Die onbeweeglijk bleef in schijn.
Wie iets zoo zeker weet en vast, Dat hij het haast met handen tast, Het voor zijn oog gebeuren ziet, En dan bedenkt: het is zoo niet, Die voelt zich zeer bedroefd en moe, Die twijfelt aan het of en hoe, Die wanhoopt aan het al of niet Van alle dingen, die hij ziet, Die is op 't eind de zekerheid Van alle zijn en niet zijn kwijt.
Dien morgen sprak ik op mijn reis Tot mijne ziel op deze wijs: , , De domheid, die ik straks beging, Was, dat ik aan een vlottend ding, Dat zelf geen rust of vastheid had, Der dingen rust en vastheid mat. Dus zoek, indien gij twijfelt aan Uw eigen vastheid of bestaan, Te midden van wat vloeit en vlot, Mijn ziel, uw zekerheid in God, Het eenig, eeuwig vaste punt, Waar gij den blik op richten kunt".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1988
Daniel | 32 Pagina's