JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Perspektief

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Perspektief

13 minuten leestijd

„Ik doe het niet, ik kijk wel uit", zegt het meisje hardop. Met snelle, boze stappen gaat ze over het avondstille strand.

De wind veegt de rossige haren weg uit haar rond gezicht, waarin de ogen somber zijn en van eenzelfde kleur grauwgrijs als de aanrollende golven. Een uitgelaten herdershond stoeit om haar heen en legt blijhijgend een stok voor haar voeten.

„Braaf " Het meisje prijst hem zonder aandacht en gooit het ding met een zwaai een eind vooruit. Even blijft ze staan, starend over de onstuimige zee. Dan keert ze zich met een ruk af en begint weer te lopen, met haar regenjas klapperend om haar benen. Ze duwt haar kleine handen, als vuisten gebald, weg in de diepe zakken. Mal springend komt de hond weer op haar af. De stok draagt hij als een trofee in zijn bek.

„Vooruit dan maar.... Pak 'm!" Het meisje slingert opnieuw de stok weg en kijkt het wegstuivende dier na. Geen ogenblik verzacht zich de gespannen uitdrukking van haar gezicht. Ze nadert nu het verlaten strandpaviljoen. De afgesloten ramen van het gebouw kijken als blinde, dode ogen uit over de zee. In de luwte laat ze zich zakken op een zanderig plankier. De hond legt zich moegedraafd voor haar neer, tevreden met deze kleine pauze. Het meisje stut haar kin in haar beide handen. „Nee", zegt ze. „Ik doe het niet " Ze knijpt haar lippen vastberaden op elkaar. Maar haar ogen dwalen onrustig over de telkens omkrullende golven, het zachtgeplooide natte zand met niet ver daarachter de majestueus oprijzende duinenrij.

Nergens, noch aan haar linkerhand, noch aan haar rechterhand is iemand te bespeuren. De immense leegte, de totale eenzaamheid om haar heen beangstigt haar opeens, hoewel ze het alleen-zijn zelf gezocht heeft.

Haar mond begint te beven en ze haalt sidderend adem. Is ze alleen op de wereld, van God en mensen verlaten? Tranen druppen op haar handen. Dieper buigt ze het hoofd en huilt.

De hond legt zijn poot op haar knie en kijkt haar aan met zijn goede ogen. Ze slaat haar arm om het dier heen en verbergt haar gezicht in zijn ruige vacht, in een vertwijfelde behoefte aan de troost van een levend wezen.

Anneke van Doorn, zo heet het meisje, heeft een gelukkige jeugd gehad. Ze is opgegroeid als de oudste van vijf kinderen in een gezellig, zeer besloten gezin. Ze was een goedlachs kind, spontaan maar niet oppervlakkig.

Ze had een helder verstand. Na de Havo, die ze met gemak doorliep, volgde ze een sekretaresse-opleiding. Dan komt de eerste kink in de kabel. Want waar is de baas, die dringend om een sekretaresse verlegen zit? Tientallen sollicitaties gaan de deur uit. Ze lopen alle op niets uit.

Anneke wordt ongeduldig. Heeft ze daar nu zo haar best voor gedaan? Met Ingrid, een meisje uit de buurt, evenals zij zonder werk, volgt ze een komputerkursus. Een uitzendburo zorgt voor een tijdelijke baan. Het werk is leuk, ze kan het goed aan, De omgang met kollega's valt echter tegen. Pas nu beseft ze hoezeer ze aan de hand van haar vader en moeder heeft gelopen. Nu staat ze alleen en ze wordt gekonfronteerd met een levensstijl, waar ze geen raad mee weet, hoewel ze op school van verschillende dingen kennis heeft genomen. Haar ouders tonen oprecht belangstelling, maar hun vragen tonen zo weinig kennis van zaken, dat ze er soms een beetje schamper om lachen moet. Het is een opluchting, als de tijd op kantoor verstreken is. Intussen was ze steeds blijven solliciteren, zonder succes. Wel krijgt ze via het uitzendburo opnieuw voor een korte periode werk. Daarna zit ze weer thuis.

Anneke probeert van alles om de tijd te doden. Ze wordt mismoedig. Wat mankeert er aan haar, dat ze niet aan de slag kan komen?

Met Ingrid dwaalt ze soms door de stad, lusteloos. Ingrid is christelijk opgevoed, maar ze denkt over veel dingen anders. Aarzelend gaat Anneke eens met haar naar een jeugdsociëteit, waar meerdere jongeren werkloos rondhangen. Daar hoort ze iets dat haar schokt: een aan doemdenken grenzende onverschilligheid. Geen werk? Wat maakt 't eigenlijk uit. Je moet maar bij de dag leven plezier maken veel toekomst is er toch niet.

In het begin gaat ze er schuchter tegen in. Later sluipt druppel voor druppel de moedeloosheid haar hart binnen. Thuis zwijgt ze, om moeilijkheden te voorkomen. Ze begint een dubbel leven te leiden: in huis en daarbuiten. Prikkelbaar is ze wél en ze staat snel klaar met kritiek. Soms probeert haar moeder er achter te komen, wat haar zo terneerdrukt. Anneke laat niets los. „Zit toch niet zo te vissen", bromt ze op een keer geërgerd. „Dan zeg ik juist helemaal niets!"

Toch kan ze over het algemeen wel goed met haar moeder opschieten, jong en gezellig als die is. Het is leuk met haar te winkelen of samen een jurk te maken. Maar — Anneke

konstateert het met de radikaliteit van haar jeugd: moeder schouwt niet erg diep. Voor moeder is het genoeg, dat zij op het geijkte paadje loopt. Hóe daar denkt ze eigenlijk niet over.

Haar vader is wel anders, vindt Anneke. Hoewel hij zeer gesloten is, gaat er veel in hem om. Hij is een persoonlijkheid, soms zelfs een tikje dominerend. In haar ogen is hij wel eens bekrompen in bepaalde dingen. Ze durft er zich echter niet tegen af te zetten, omdat ze toch weet dat alles verweven is mijn zijn geestelijk leven, met zijn persoonlijke verhouding tot God.

Tegenover hem laat ze af en toe een onverschillig zinnetje los. De eerste tijd probeert hij haar moed in te spreken en zoekt hij nuttige werkjes voor haar. Later spreekt hij haar streng aan. Zó mag ze niet praten, dat is verkeerd en ondankbaar.

In deze moeilijke periode ontmoet ze in het museum, waar ze op een regenachtige dag naar toe is gegaan, de student Harmen. Ze staan aan weerszijden van een glazen vitrine naar hetzelfde voorwerp te kijken en ze zien elkaar opeens door het glas heen. Alletwee moeten ze lachen en ze raken aan de praat. Tenger en blond is hij en helemaal niet knap. Maar iets is er in hem, dat Anneke direkt aantrekt.

Als ze het museum verlaten, nodigt hij haar uit om een kop koffie te gaan drinken in de stad. Ze gaat mee. Het lijkt haast vanzelfsprekend, hij ziet er zo vertrouwenwekkend uit. Hij vertelt haar dat hij nog studeert, en zich sterk voor geschiedenis interesseert.

Nieuwe afspraakjes volgen, meestal overdag. Ze beginnen een soort kulturele vriendschap, bezoeken musea en tentoonstellingen en gaan een enkele keer naar een concert. Dat hij het weekend altijd naar zijn ouders is, komt Anneke goed uit. Nu kan ze haar vriendschap langer geheim houden, want ze voorziet legio moeilijkheden. Harmen is van huis uit hervormd, maar , , doet" er zo goed als niets meer aan. Toch is hij erg serieus. Ze praten eindeloos met elkaar over de meest uiteenlopende onderwerpen.

Anneke is niet erg evenwichtig in deze tijd. Diep in haar hart weet ze, dat de omgang met Harmen geen toekomst heeft.

Af en toe is er een zachte glans in haar ogen. Er is iemand, om wie ze heel veel geeft en die ze niet meer kan missen, nu al niet meer. Iemand, die lief voor haar is en haar bewondert. En toch.... nooit praat hij met haar over later of wil hij eens kennis maken met haar ouders.

Dan komt de dag dat alles uit is. Voor zijn studie moet Harmen een poos naar het buitenland. De avond vóór hij vertrekt naar zijn woonplaats, bedankt hij haar voor haar vriendschap. Het zal een mooie herinnering zijn, als hij straks in het buitenland hard aan de slag moet. Gekwetst trekt ze zich van hem terug. Is dat alles wat hij te zeggen heeft? Ze houdt zich goed, pas in bed huilt ze uit. Heeft ze zich dan zo in hem vergist? Het lijkt haast niet mogelijk, maar het is de harde waarheid.

Thuis zegt Anneke niets. Ze sluit zich meer en meer af. Innerlijk kan ze er niet goed meer bovenop komen. Haar geest, toch al zo terneergeslagen door die alsmaar vergeefse sollicitaties, heeft niet meer de veerkracht zich op te richten na de verwonding, die Harmen haar heeft toegebracht. Te zeer is haar zelfvertrouwen geschokt. Ze wordt depressief. Is er dan niemand, voor wie ze werken kan? Is er niemand, die haar nodig heeft? Blijkbaar niet, zij is gewoon over.

Haar ouders weten geen raad met de onbeheerste uitvallen, die ze soms kan doen. Ze onderkennen niet ten volle de roep om hulp, die daarachter verborgen ligt. Valse schaamte weerhoudt Anneke om te praten en toch hunkert ze soms naar een vertrouwelijk gesprek. Als ook lichamelijke klachten de kop op gaan steken, gaat ze op aandringen van haar moeder naar hun huisarts. Direkt begrijpt hij, dat er meer aan de hand is en hij moedigt haar aan om zich uit te spreken. En Anneke praat. Eindelijk praat ze en het is een enorme bevrijding.

Maar als de dokter iets zegt van „te geïsoleerd opgegroeid", zet ze, vreemd genoeg, opeens haar stekels op. „Nou, ideale ouders bestaan niet, hoor", zegt ze hoog. Ze wil er verder niet op ingaan, want tegelijkertijd valt haar een heel nieuwe gedachte in: is zij eigenlijk wel een ideale dochter?

Toch heeft het bezoek aan de dokter haar goed gedaan. Met de beste voornemens en nieuwe hoop gaat ze naar huis.

„Er is post voor je, Anneke", zegt haar vader, die die dag ook vrij is.

„Ja? " Op het dressoir liggen twee enveloppen, die ze gretig openscheurt. Een paar tellen later gooit ze ze op tafel.

„Mis weer? " „Uiteraard", zegt Anneke bitter.

Er valt een stilte. In de keuken rammelt haar moeder met vaatwerk.

Dan zegt haar vader opeens: „Je moet je niet zo toespitsen op dat werk, kind. Er is toch iets dat veel belangrijker is in het leven. En dat vind je niet in een goede baan. Ook niet in bars of sociëteiten of hoe die zaken heten, waar jij allemaal komt. Zelfs niet" — hij aarzelt even — „in bepaalde vriendschappen. Zoek eerst het koninkrijk Gods!"

Anneke tilt met een schok haar hoofd op. Wat bedoelt hij.... Harmen? Wat weet hij daarvan? Ze voelt een onredelijke woede in zich opkomen.

„En alle banen zullen u zeker toegeworpen worden....", zegt ze ruw. Ze ziet de verbijstering op het gezicht van haar vader en dat doet haar pijn. Ze

schreeuwt nog harder om die steek in haar hart te overstemmen.

„U bent toch een kind van God? Kan die God van u mij dan geen baantje geven? " Annekes moeder verschijnt geschrokken in de deuropening. „Anneke, toe nou " Maar Anneke loopt de kamer al uit, schiet haar jas aan en vlucht met de hond naar buiten.

De woorden, die haar moeder haar naroept, hoort ze nog wel en ze achtervolgen haar op het stille strand: „Nu ben je te ver gegaan, meisje. Je hebt heel wat goed te maken, als je thuis komt!"

„Ik doe 't niet niet...." ik kan 't

Anneke heft gekweld haar behuild gezicht op. Het is haar te moede of het leven een doolhof is, waarvan alle wegen doodlopen.

Ze is te ver gegaan, dat wil ze zich nu wel bekennen. Maar excuus aanbieden betekent: capituleren, misschien wel vertellen over Harmen en erkennen dat ook die weg is doodgelopen. „Je had er nóóit aan moeten beginnen", zullen ze zeggen.

Hoewel moeder zou misschien toch wel begrepen hebben, dat je gewoon wel van Harmen houden moest, als je hem zag. En vader? Anneke zucht. Ze fluit de hond, die ineens wegrent, achter een wegwaaiende plastic zak aan. Vader kan zich zoiets gewoon niet indenken, het staat zo ver van hem af. Zou hij geen gewone, menselijke zwakheden kennen?

Toch wel, protesteert een klein stemmetje in haar. Je weet wel beter. Dat laatste dat had je niet moeten zeggen.

Ze pakt een handvol zand, laat het door haar vingers lopen en probeert zich te wapenen tegen de zachte herinneringen, die in haar opwellen.

Beelden uit haar kinderjaren.... Zij, als kind leunend tegen vaders knie, samen de versjes zingend, die ze op school geleerd had. Zijn smekend gebed toen ze naar het ziekenhuis moest voor een blindedarmoperatie. De gewijde sfeer in huis op de zondagen, dat er avondmaal was geweest.

Gezegd had hij nooit veel, maar soms sprak alles aan hem over de Godsontmoeting, die hij had mogen ondervinden.

Anneke bijt nerveus op de knokkels van haar rechterhand. De hond komt aandraven en strekt zich weer naast haar neer. Maar Anneke rilt opeens in haar dunne regenjas. Ik moet opstaan, denkt ze, en en naar mijn vader gaan.... Fluisteren de golven dat nu? Ze huivert om de toepasselijkheid van dat bijbelwoord.

Ze begint door het zand te sloffen. Als ze de duintrap nadert, die voert naar de straat waar ze woont, wordt de hond plotseling onrustig. Als een pijl uit de boog stuift hij weg naar een klein figuurtje in de verte. Anneke begrijpt wie het is. Met haar houding verlegen loopt ze door tot vlakbij haar vader. Dan roept ze de hond, lijnt hem aan en morrelt onnodig lang aan de halsband.

Eindelijk kijkt ze op. Ze ziet, dat hij niet kwaad is. Zijn gezicht is zelfs sterk bewogen. En opeens kan ze de woorden over haar lippen krijgen: , , Ik

eh sorry, dat ik zo uitgevallen ben, pap. Ik meende 't eigenlijk helemaal niet", hapert ze nors van verlegenheid.

„Och Anneke", zegt hij moeilijk. „Ik moet jóu wat bekennen. Dat jij in moeilijkheden bent gekomen.... dat is ook mijn schuld."

Bevreemd kijkt Anneke naar hem. Samen lopen ze langs de vloedlijn terug en ze ziet dat hij naar woorden zoekt.

„Ik had er verdriet om dat 't zo ging met jou, hoewel ik eerst niet in de gaten had, dat die neerslachtigheid zo'n omvang had genomen. Toch was dat verdriet niet helemaal zuiver. Ik zat er zélf tussen. Ik kon 't niet verkroppen dat 't mij, als ouderling nog wel, niet lukte om mijn eigen dochter op te voeden. Ik schaamde me voor de mensen."

Anneke bijt op haar lip. Gaat vader nu schuld bekennen? Ze begrijpt wat hem dat kosten moet en juist dat doet haar weerstand wegebben.

Haar vader tuurt een krijsende meeuw na in zijn wiekende vlucht. Nog meer moet hij zeggen. „Ik ben gaan zoeken, Anneke, wat ik fout heb gedaan, maar toen heeft de Heere me het laten zien. En dan blijft er niets anders over dan schuld, schuld. Ik heb je het góede niet doen zien, Anneke. Ik had daarnet nog meer willen zeggen.... Voor een christen is er altijd perspektief. De weg, die Jezus gegaan is over Golgotha loopt niet dood. Wij keren God de rug toe, maar Hij heeft gezegd: Ik ben de Weg.... Tegenover al het negatieve in de wereld staat het evangelie."

Anneke is zo ontdaan door deze onverwachte bekentenis, dat ze niets kan zeggen. Zijn woorden, hoewel ze die vaak gehoord heeft, maken diep indruk op haar. En het feit dat haar vader nu de minste wil zijn en dat tegenover haar, doet haar ogen volstromen.

Ze voelt het; deze vader staat niet tegenover haar, maar naast haar. Er zijn nog problemen. Het is echter of er een brug geslagen is over de kloof, die hen van elkaar verwijderde. Zij zijn nu bij de duintrap aangekomen. Achter hen blijft het strand leeg en de zee eindeloos uitgestrekt in de vallende schemering.

Nog kan ze haar vertrouwen niet geven. Maar ze pakt zijn arm en zegt: „Zullen we naar huis gaan, pap? "

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1988

Daniel | 32 Pagina's

Perspektief

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1988

Daniel | 32 Pagina's