Kaarsjes (1)
Robert loopt naar huis. Hij is bij zijn vriendje Mark geweest. Fijn was het daar. Ze hebben gezellig thee gedronken en op de tafel stonden kaarsjes. Ook hadden ze drijfkaarsjes, dat zijn ronde kaarsjes die drijven in een glas water. Als je dan een beetje tegen de tafel stootte dan schommelden de kaarsjes in het glas een beetje en het kaarslicht bewoog zich dan zó mooi over het tafelkleed. Prachtig was dat! Eigenlijk mochten ze van Marks moeder niet tegen de tafel stoten. Veel te gevaarlijk! Maar ze deden echt wel voorzichtig hoor. En nu loopt Robert dan naar huis. Hij denkt nog aan die mooie kaarsjes en dan denkt hij ook aan zijn thuis. Hij heeft geen moeder meer. Vorigjaar is ze ineens ziek geworden en al heel gauw daarna is ze gestorven. Nu hebben ze een gezinshulp in huis. Ankie heet ze. Ja, ze is heel lief en ze zorgt heel goed voor hem en z'n broertjes Gerard en Josje. Maar toch het is zijn mama niet. Als Robert daaraan denkt, wordt hij verdrietig. Maar dat wil hij niet, hij wil cr niet meer aan denken. Het was juist zo fijn bij Mark. Weet je wat? Hij vraagt aan Ankie of zij óók kaarsjes aan wil doen.
Met een frisse rode kleur komt hij even later de keuken inrennen.
„Ankie Ankie wil jij ook bij Mark was het ook kaarsjes aandoen." „Nou, nou, wat een vraag, trek eerst je jas en schoenen maar eens uit en kom dan maar in de kamer bij de kachel. Brr.... je brengt zo'n kou mee!"
In de kamer begint hij opnieuw: „Wil jij ook kaarsjes aandoen? Ik vind het zó gezellig!"
Ankie kijkt in de verlangende jongensogen. Ze zucht, de taak om voor dit gezinnetje te zorgen drukt haar soms zwaar. Ach, die kinderen missen zoveel, hun moeder kan zij nooit vervangen. Soms is ze bang dat ze het verkeerd doet. Ook nu. „Robert, waarom vraagje dat? Vorig jaar vroeg je het toch ook niet? "*
„Ja, maar toen was mama net gestorven en papa was zo verdrietig en ik dacht er toen niet aan. Maar nu wel. Ik vind het zo leuk."
„Ja, ik vind het ook gezellig, maar het is ook gevaarlijk. Gerard en Josje zijn nog zo klein. Stel je voordat Josje aan het kleedje trekt en de kaars valt om ik moet er niet aan denken. We doen het maar niet Robert, we kunnen het zonder kaarsjes toch óók wel gezellig hebben? Zullen we na het eten je versjes voor het kerstfeest nog eens zingen, en zal ik daarna nog even voorlezen? "
„Nee", zegt Robert boos en teleurgesteld. „Bah! dat wil ik niet. Ik mag nooit iets van jou. Alles vind je gevaarlijk. Ik wou dat mama er nog was. "t Is hier niks gezellig." Al stampvoetend loopt Robert de kamer uit. Verbaasd kijkt Ankie hem na. Als ze de deur met een klap dicht hoort vallen denkt ze: doe ik het dan toch verkeerd? Ja, Robert mist veel, maar als er iets gebeurt met die kaarsjes? Ankie zucht. Met Robert zijn vader durft ze er niet over te praten. Voor hem is juist ook in deze dagen het verdriet groot.
Het is een dag later. Robert is wéér bij Mark gaan spelen. Nu loopt hij weer naar huis. Eigenlijk had hij nog geen zin. Hij weet niet goed hoe hij tegen Ankie moet doen. Hij heeft zo lelijktegen haar gedaan. Hij voelt dat hij verkeerd heeft gedaan. Maar tóch heeft hij wel een beetje gelijk denkt hij. Dan moet ze maar niet zo flauw doen. En het vreemde was dat Ankie er helemaal niets meer over gezegd heeft en weer heel gewoon deed. En vader vanmorgen ook al. Zou Ankie gisteravond niets verteld hebben? Hij vindt het allemaal zo vreemd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1987
Daniel | 30 Pagina's