HULDRICH een kind van de bergen
door J. Mateboer
Huldrich heeft heel zijn leven die onvi^eersbui op de Bodenalp niet meer vergeten. Hij dacht dat het zijn laatste dag was geweest. Toen hij in de warme berghut zijn ogen opsloeg, en de anderen met angstige ogen om hem heen zag staan, was hij verwonderd dat hij nog leefde.
De volgende morgen was het heerlijk weer.
Het was niet zo warm meer. Het was net of heel de wereld een wasbeurt had gehad. De vogels zongen en de bloemen geurden. Huldrich had er verdriet van, dat zijn broers tegen elkaar schreeuwden en soms lelijke woorden gebruikten. Hadden die nu niets geleerd van die onweersbui van gisteravond? Het was immers duidelijk de stem van God geweest! Dat wist Huldrich zeker! God had laten weten hoe boos de mens is. Hij had Zijn macht en majesteit getoond in dat geweld van het onweer. Huldrich had gemerkt hoe klein en nietig hij was, toen de lichtflitsen om hem heen schoten en de donder ratelde.
Doodsbang was hij geweest. Waarom eigenlijk? Hij wist het niet.
Tot in z'n tenen voelde hij, dat hij bang was geweest om te sterven. Om God te ontmoeten. Als hij daaraan dacht, rilde hij.
Achter een struik alpenrozen ging hij zitten. Bang keek hij naar Heidi en Klaus, die met het wolQe achter zich aan over de weide renden. Zouden ze hem niet zien? Ze stormden voorbij.
Hij wilde bidden. Hij wilde God danken, dat hij nog leefde. Maar hij wist niet wat hij zeggen moest. Hij stamelde maar wat. Toen kwamen de tranen.
Een stortvloed van tranen. Hij schokte ervan. Maar één ding wilde hij: dat God niet meer boos op hem zou zijn. O, wat zou hij graag zó willen leven, dat de Heere niet meer vertoornd op hem zou zijn. Hij was er vast van overtuigd, dat de Heere die onweersbui om hém gestuurd had.
deel 11
Nu wilde hij zo graag anders worden. Hij wist het niet in woorden uit te drukken, maar hij hoopte dat de Heere het begrijpen zou.
Hij zou zeker begrijpen, dat het kleine jongetje zo graag bij de Heere wilde zijn, zonder angst.
Toen keek hij op.
In de struik zat een goudhaantje, dat met twee kraaloogjes nieuwsgierig naar hem keek.
Dat toverde een glimlach op het betraande gezicht van Huldrich. Er daalde plotseling een vreemde rust in hem.
Hij was er zelf verwonderd van, dat hij opeens niet bang meer was, dat hij nu wel kon zingen zoals de vogels in de struiken. Hij kroop op een klipsteen en zag opeens heel het dal van de Thür onder zich. Hij zag het kerkje en de boerderijtjes heel diep beneden zich. Zo duidelijk en zo helder was alles, dat hij bij het Lisighuis de beide geiten zag lopen. Ze probeerden over het hekwerk heen de mooie bloemen van zijn moeder te pakken te krijgen.
En toen, als was het een sprookje, kwam zijn moeder de achterdeur uit, om de geiten gauw te verplaatsen, zodat ze haar bloemen niet zouden vernielen.
Toen schoot er een prop in zijn keel. „Moeder, moeder", kreunde hij. Zo heel dichtbij was zijn moeder en toch zo onbereikbaar ver.
Net als God in de hemel. Beiden had hij lief in een eindeloos verlangen.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 november 1987
Daniel | 32 Pagina's