Als IK het maarqoed heb....
Op een heuvelrug in de buurt van Beth-El staan twee mannen. De ene is al wat ouder; de andere is nog een vrij jonge man. De laatste kijkt naar links, naar rechts; snel taxeren zijn ogen de omgeving. Dan opent zich zijn mond: , , Oom Abraham, ik kies die vlakte, daar.... in de buurt van Sodom". Hij heeft het immers al gezien: die vlakte is groen; er is vruchtbare grond; er stroomt water. Nee, zijn keus is snel bepaald. Het is tenslotte waar: als hij het maar goed heeft....!
door W. Visser
IK
't Zal wel niemand lusten om stenen te werpen naar Lot. Zijn keus is ons allen toch niet onbekend? Hoeveel keer draait het in ons leven niet om dat , , IK". Als ik.... maar de meest populaire jongen ben in de klas; als ik maar het meest favoriete meisje ben op de jeugdvereniging en in het zomerkamp; als ik maar het meeste meetel in de gemeente; als ik maar het centrale middelpunt ben zodat er om me gelachen wordt, ja, dan is het goed. En natuurlijk gebruik ik daarbij alle middelen die tot m'n beschikking staan. Ik laat me niet zómaar opzij zetten! Wat genietje ervan om aller oog en oor op je gericht te zien. En wat maal je dan om die eenvoudige jongen en dat zo stille meisje. Ze zijn lucht voor je; je ziét ze niet eens! Als IK het maar goed heb....
Wat dat betreft geven de Engelsen ons een scherpe les. Zij schrijven hun woord voor „ik" met een hoofdletter: „I". Dat is goed gezien. Het belangrijkste wezen op aarde, dat ben IK. Om het IK draait alles. Ik dit en ik dat. Als IK het maar goed heb.... En we dromen vooruit over een goede baan; een mooie, snelle auto, een schitterend huis. Die naaste ver weg die omkomt van de honger zal ons een zorg zijn. Natuurlijk geven we wel eens wat van onze overvloed. Dan zijn we in ons geweten tenminste wat gesust.
De familie van de bloedzuiger
In de Bijbel lees je ook over mensen die alleen voor zichzelf leefden. Ze waren rijk en hadden alles wat hun hart begeerde.
Wat was dat moeilijk voor de armen. Er waren in Israël nogal wat nooddruftigen en ellendigen; mensen die — zoals wij dat zeggen — van de hand in de tand moesten leven. Er waren vaders en moeders die niet eens elke dag een korst droog brood op tafel konden leggen voor hun kinderen.
Wat sneed het door hen heen als hun kinderen smeekten om eten. En dan niets te hebben. Verschrikkelijk! Als ze uit hun ramen keken zagen ze de uitgestrekte landerijen van hun rijke buren. Die hadden véél rijkdom, véél vee, véél knechten, véél.... Eén ding was hen alleen wel aan te zien: ze hadden nóóit genoeg. Ze waren familie van de bloedzuiger die steeds maar monotoom herhaalt: „Geef, geef". Nee, goddelozen waren het niet. Elke sabbath gingen ze netjes naar de tempel of nemen hun plaatsje in de synagoge in. En ze zongen uit volle borst mee: „God heb ik lief...." Alleen, hun hart zong wel iets anders, 't Scheelde trouwens maar een lettertje: „Goud heb ik lief'.... En terwijl ze 't zongen dachten ze al weer aan morgen; dan was de sabbath gelukkig weer voorbij. De korenschuren zouden weer opengaan en door oneerlijke praktijken zou hun woekerwinst nóg groter worden. Prachtig toch! Als zij het maar goed hadden.
De ongekroonde koning
Wat was het in het Paradijs dan toch anders. Daar was alles gericht op God. Adam bedoelde in alles Zijn Schepper. Het leefde in zijn hart: „Als Hij maar aan Zijn eer komt". Telkens weer ontdekken we hoe de zondeval alles verwoestte. Zijn
Beeld zijn we kwijt geraakt. Wat is er van de mens als sieraad en kroon op de schepping overgebleven? Hoe vol zijn we nu van onszelf en hoe leeg zijn we van God. Hoe zit ons eigen ik als een ongekroonde koning op de troon. Hoe intens aanbidden we ons ik. En naarmate de tijd voortschrijdt wordt dat al niet minder. Je moet eens met me meelezen 2 Timotheüs 3 : 1 t/m 3: En weet dit dat er in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelf geldgierig, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, de ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden ".
Als je deze indrukwekkende rij woorden goed overziet, vallen twee dingen duidelijk op. Je ziet egoïsme en materialisme. Het egoïsme is bij ons kind aan huis. Paulus begint er hier mee: „liefhebbers van zichzelf'. Dat bepaalt ons schrijnend bij onze afkomst: kind der duisternis. Iemand schreef eens: „Egoïsme is de dampkring van de hel. In de buitenste duisternis is namelijk het egoïsme geperfektioneerd. Daar is elk vonkje algemene genade uitgeblust. Zo zal het in het laatste der dagen een voorspel zijn van de buitenste duisternis". Vind je het niet huiveringwekkend als je dit leest?
En leven wij nu niet midden in deze tijd die zo terecht het „IK-tijdperk" wordt genoemd? Nee, kijk dan eerlijk naar jezelf.
Het egoïsme is springlevend in jouw en mijn hart en steekt steeds meer de kop op binnen de muren van de kerk. Is het niet waar dat wij allen gaan in het schema van de wereld? Ook wat dit betreft begint het oordeel van het huis Gods.
We kunnen onze naaste zo gemakkelijk verloren laten gaan
Weet je waar ons ik-gericht zijn ook zo in tot uiting komt? In de onverschilligheid tegenover onze naaste die samen met ons naar de eeuwigheid reist. Leeft het niet stil in ons hart dat we onze naasten best verloren kunnen laten gaan door te zwijgen als we moeten spreken? Natuurlijk hebben we daar onze excuses voor, zo in de trant van: , , Ik kan niet spreken; ik weet niet hoe ik moet beginnen, ik ken het zelf niet, dus....; ik durf niet want misschien worden ze wel kwaad; ik weet niet wanneer het de goede tijd is om te spreken". Wat een schuld laden we toch op ons. Trekken we ons er dan niets van aan dat er vele duizenden zijn; ook in ons dorp en in onze straat, die niet weten dat er een Almachtige God is? Zijn we ook wat dit betreft zo ik-gericht?
Wat is het toch nodig dat de Heere ons bekeert, voor het eerst en ook steeds opnieuw. Is dat gebeurd in jouw leven? Kreeg je Ik de doodsteek? Is het je dagelijkse strijd dat dat Ik nog zo vaak op de troon zit en heerschappij voert? Dat is wel de strijd van al Gods kinderen. Ze
weten van binnen uit wat het is om strijd te voeren tegen de oude mens, tegen het eigen ik. Dat is geen theorie maar een o zo bittere werkelijkheid.
Hoor Paulus maar klagen in Romeinen 7: „IK ellendig mens". En dat dat niet zo maar een praatje is hoor je weerklinken in het: „Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? " Is die strijd van Paulus ook jouw strijd? Is het ook jouw smart dat je zo op jezelf gericht bent? Dan zal het ook je vraag zijn wie je daarvan zal verlossen. Dan weetje tegelijk, dat er maar Een is Die dat kan namelijk Jezus Christus. Dan weetje ook dat door Zijn kracht die oude mens, dat ik „met Hem gekruisigd, gestorven en begraven wordt". Hoor je het: wordt staat er in antwoord 43 van de H.C. Dat betekent dus dat Gods kinderen die strijd nooit achter de rug hebben. Toch ligt de overwinning vast. Nee, niet in hen, maar in Hem Die de overwinning heeft behaald voor hen.
'k Las eens van een kind van God hoe de Heere hem bekeerd had. Hij vertelde: , , 't Was in mijn leven: eerst Ik en dan Hij. Het werd: Hij en dan Ik. Nu blijft over: Hij alleen". Gelukkig als je hem dat na mag zeggen. Dan is je „ik" in beginsel gedood; dan wekt de Heere in je hart de begeerte dat Zijn Naam de eer ontvangt; dan ga je ook je naaste hartelijk liefhebben. Dan ga je met de Samaritaanse vrouw instemmen: „Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is deze niet de Christus? " Dan wordt het je verlangen: „Als wij het maar GOED hebben". En dat heb je alleen als je Hem kent!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1987
Daniel | 36 Pagina's