De leidslieden van Israël worden aangeklaagd (2)
Bijbelstudie over Hosea 5 : 5-7
door ds. C. G. Vreugdenhil
Zoeken en niet vinden (vs. 5-6)
Dat ze de Heere niet kennen, ondanks dat ze Hem in naam dienen, is geen verontschuldiging voor Israël. In vers 5 wordt dat juist verbonden met hun hoogmoed, en die zal tegen hen getuigen. Niet alleen Israël, maar zelfs ook Juda zal erdoor ten val komen. Over die hoogmoed en onwaarachtigheid spreekt vers 6. Je zou, als je dat vers leest, eigenlijk het tegendeel vermoeden. Is het niet indrukwekkend, al die schapen en runderen voor de Heere? Ze gaan de Heere zoeken. Is dat niet prachtig? Hier niet, want ze zullen Hem niet vinden. Ze kloppen aan bij God, en Hij doet niet open. Niet omdat Hij niet thuis is, maar Hij heeft ze zien aankomen en heeft Zich toen terug getrokken. Hij wil hen niet eens ontmoeten. Hoe vind je dat nu toch? Wie Hem zoekt zal Hem toch vinden? Hoe kan God dan de deur gesloten houden? Denk eens aan de Heere Jezus Zelf! Veel mensen zullen roepen: , , Heere, doe ons open", maar Hij zal zeggen , , Ik ken u niet". Hoe kan dat? Wel, het gaat er maar om hoe wij de Heere zoeken. Israël komt met schapen en runderen, maar de Heere aksepteert hun offers niet. En nu weigert de Heere hun offers niet omdat de offerdienst op zichzelf verkeerd zou zijn, maar omdat ze hun offers brengen zonder waarachtig de Heere te kennen. Hun offer is onwaarachtig. Ze willen hiermee de werkelijke overgave van hun leven aan de Heere afkopen. Ze geven zich liever aan de Baäls, als de Heere dan maar tevreden is met hun schapen en runderen. Hij moet toch ook wat hebben. En zo zal Hij hen toch ook niet kunnen straffen.
Wordt hierin ons beeld soms getekend? Wel de Heere dienen als het gaat over allerlei uiterlijke zaken. We gaan naar de kerk, we geven onze gaven, we leven verder „netjes", en daar moet God dan maar tevreden mee zijn. Maar in feite leven we voor onszelf. Ons hart staat op heel andere dingen. Daar leven we voor. Natuurlijk, we bidden wel, en we houden ons zoveel mogelijk aan de regels, maar als God verder niet hoort, kun je er toch ook niets aan doen als je onbekeerd blijft? ! En eigenlijk vind je dat het zo maar moet blijven ook, want stel je voor dat alles zou moeten veranderen in je leven! Nee, dan maar liever „netjes onbekeerd" voortleven. Dan kun je in ieder geval jezelf blijven. God moet het toch doen!
Zo is het in Israël ook. Ze blijven wie ze zijn, alleen God moet ook wat hebben. En daarom komen ze met hun schapen en runderen. Ze komen dus niet met het ojfer van een verbroken hart en een verslagen geest. Ze komen niet met hun schuld. Ze komen niet als de verloren zoon: „Vader, ik heb gezondigd " Ze belijden geen schuld. Ze kopen alleen het oordeel af, dat denken ze. En dan is God niet thuis. Dan trekt Hij Zich terug en laat Hij Zich niet vinden. Begrijp je het nu een beetje? Wie als rechthebbende komt, vindt een gesloten deur, maar wie Hem aanroept in de nood van zijn leven, vindt Zijn gunst oneindig groot.
Israëls ontrouw is overtuigend bewezen (vs. 7)
Dat Israël niet van harte de Heere zocht, blijkt wel uit het zevende vers. Daarin gaat het om drie dingen: de aanklacht van trouweloosheid, het overtuigend bewijs, dat daarvoor geleverd wordt, en de straf, die ten uitvoer zal worden gebracht. Eerst die schrijnende aanklacht vanwege Israëls trouweloosheid. Ze zijn de Heere, hun wettige echtgenoot, ontrouw geworden. Hier worden we herinnerd aan de eerste drie hoofdstukken, die spreken over het ongelukkige huwelijk van Hosea met de trouweloze Gomer. Steeds weer ging ze met andere mannen op stap en bracht ze kinderen ter wereld, waar Hosea de vader niet van was: vreemde kinderen, bastaarden. Zo zegt God nu tegen Israël: Ik ben een ijverig (jaloers) God. Uw omgaan met al die afgoden draagt het karakter van overspel. U bent ontrouw geweest, en dat niet maar een keer, maar u hebt daarin volhard. Dat is het eerste, de aanklacht.
En nu het bewijs, dat die beschuldiging van ontrouw niet zomaar uit de lucht gegrepen is. Want Israël ontkende haar ontrouw. Ze kwamen toch met schapen en runderen tot God? Ze riepen toch Zijn naam aan? Ze wijzen op hun offerbeesten. Maar de profeet wijst op hun kinderen. Ze hebben
vreemde kinderen gewonnen. Een harder bewijs is toch niet nodig? Het onechte kind bewijst toch de ontucht van de moeder! God ziet in die kinderen Zijn beeld niet terug. Het zijn kinderen van de Baal. Dat zie je zo in hun gedrag. De Heere kent hen niet en zij kennen God niet.
In Israël is langzamerhand een geslacht opgegroeid, dat de Heere niet meer kent. Het zijn geestlijke bastaarden. God kan er de trekken van Zijn kinderen niet in ontdekken.
En de schuld ligt bij de ouders, bij het voorgeslacht. Zij hebben hun kinderen voorgeleefd in de Baalsdienst. Ja, ze hoorden de naam van de Heere nog wel noemen, maar hun ouders leefden voor de vruchtbaarheidsgoden van de Kannaanieten. Onthullend, vind je niet? Hosea klaagt hier de kinderen niet aan, maar de ouders! Zij hebben bastaarden voortgebracht. Wat is dat fataal, als de ouders de dienst van de Heere niet zo nauw nemen.
Dan vervreemden de kinderen van de dienst van God, en de kleinkinderen komen helemaal nooit meer in de kerk. Het kan ook anders. De bijbel wordt nog wel elke dag gelezen en vader en moeder gaan iedere zondag naar de kerk, maar zonder ware godsvrucht in de praktijk van het dagelijks leven. Is het dan vreemd als de kinderen ook aan die vorm alleen genoeg hebben?
Tenslotte komt de straf: „Nu zal hen de nieuwe maand verteren". Nog binnen een maand, dat is zeer spoedig, kan het oordeel losbreken. Als immers de kinderen niet meer naar God vragen, omdat ook de ouders Hem niet kennen, heeft het geen zin meer om met het oordeel te wachten. Is dat nu het einde? Nee, toch niet. Dwars door het oordeel heen wacht de Heere nog om Israël genadig te zijn. De vader van de verloren zoon wacht ook nog op zijn kleinkinderen! Gods toorn en straf — in het kader van Zijn liefde tot Zijn trouweloze volk — zal uitwerken, dat ze zichzelf schuldig kennen (vs. 15). En om die ware bekering is het God te doen. Daarover de volgende keer.
Vragen
1. Waarom moet God van Israëls offers niets hebben (vs. 6)? Vgl. dit eens met Jes. 1 : 11-14. Wanneer aanvaardt God wel een offer? Wat zijn de beste offers? Wat is het verschil tussen de offers onder het O. T. en het N. T. ? Zou je het ook merken, als je offers aan de Heere brengt, en Hij heeft Zich onttrokken?
2. Waarom laat God Zich niet vinden, hoewel Israël Hem zoekt? Zie ook vs. 6. Strijd dit niet met teksten als , , Zoekt en gij zult vinden.... klopt en gij zult open gedaan worden"? Waar ligt de oplossing?
3. Om welke drie dingen gaat het in vs. 7? Trek de lijn eens door naar onze tijd. Wie zijn wij allen van nature (Ef. 2 : 3)? Wat is dan toch het voorrecht om een verbondskind te zijn? En hoe worden we een , , echt" kind van God?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1987
Daniel | 36 Pagina's