De leidslieden van Israël worden aangeklaagd (1)
Bijbelstudie over Hosea 5:1-4
door ds. C. G. Vreugdenhil
Het gaat nog steeds niet goed met Israël. Dat herinneren we ons nog wel uit hoofdstuk 4. Ondanks al Gods trouwe zorg en liefde, die Hij zo duidelijk heeft laten afbeelden in Hosea's huwelijk met Gomer, raakt het volk hoe langer hoe meer vervreemd van God. En daar is heel het volk wel aan schuldig, maar ten diepste ligt de oorzaak toch bij de leiders: de priesters, de oudsten en het koninklijke hof. Zij gingen het volk voor op de weg, die van God afvoert. En daarom worden vooral zij hier in hoofdstuk 5 aangeklaagd. En het gaat er bijzonder fel aan toe in de beschuldigingen. Toch is dat ook hier weer niet het laatste woord. Het gaat in de straf niet alleen om de straf en de vergelding. Het gaat om de bekering.
De enige weg, die nog over blijft om het volk tot terugkeer te bewegen, is dat ze de gevolgen van hun afkerig gedrag aan den lijve zullen moeten ondervinden. God zal , , Zich aan hen onttrekken". Maar dat doet Hij om ze tot inkeer te brengen. In Zijn oordelen over Israël gaat het God om het behoud van Zijn volk. En dat behoud komt alleen in de weg van een rechte schuldbelijdenis. Daar werkt God op aan. Daar loopt ook dit hoofdstuk op uit: „totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken " Achter alle felle aanklachten en harde woorden staat dus dat ene woord: „totdat....!" Totdat Israël zich bekeert.
De leiders zijn geworden tot verleiders (vs. 1-2)
Hoort dit...., merkt op...., neemt ter ore....! Deze drievoudige oproep korrespondeert met drie groepen van leidslieden, die hier worden aangesproken: de priesters, het koninklijke hof, en daar tussen in het „huis van Israël", en daarmee bedoelt Hosea hier niet het gehele volk, maar de oudsten, de familiehoofden, die het volk vertegenwoordigen. Het is de plaatselijke, landelijke en godsdienstige overheid. Het zijn de leiders van het volk. De priesters droegen zorg voor het onderwijs in het recht van God, de oudsten voor de plaatselijke rechtspraak in de poort en het hof voor de moeilijke rechtsbeslissingen en de bescherming van Israël tegen de vijand.
Van hen allen kon dus terecht verwacht worden, dat zij de verdrukten zouden helpen, en dat de strik, die deze of gene voor hen had gespannen, door hen zou worden losgemaakt. Maar het tegendeel was het geval. De bedrukten werden in die verwachting jammerlijk bedrogen. In plaats van het volk te leiden, verleiden ze het.
Wie in hoger beroep ging, raakte vaster in de strikken verward dan ooit tevoren. De leiders waren verleiders geworden. Degenen, die om hulp kwamen, werden als argeloze vogeltjes gevangen.
Niet alleen in de rechtspraak, maar ook op het gebied van de eredienst werd het volk verleid door de oversten. Priesters en koningen werkten daarin samen. Ze verleidden het volk tot de geestelijke en zedelijke ontucht, die hoorde bij de vruchtbaarheidscultus van de Baal. Zoals een jager zijn strikken spant, zijn vangnetten en zijn valkuilen graaft om de dieren te vangen, zo hebben de leidslieden van Israël hun funktie misbruikt om door hun optreden het volk te verstrikken (te verleiden).
En ze deden dat heel geraffineerd, want ze richtten hun centra voor afgoderij op in die plaatsen, die een bekende klank hadden in de geschiedenis van Israël: Mizpa en Thabor. In Mizpa werd eens Jefta uitgeroepen tot richter voor Gods aangezicht en bij de berg Thabor verzamelde Israëls leger zich in de tijd van Debora. Beide plaatsen hebben dus een bijzondere nationale en godsdienstige betekenis voor Israël. En daar maakten de leiders nu misbruik van om Israël te verlokken tot afgodische praktijken door juist op die plaatsen een cultuscentrum in te richten voor hun vruchtbaarheidsgoden.
Dat is ook één van de listen van de satan in onze tijd. Aansluiten bij vertrouwde namen en begrippen uit de Bijbel, maar ze wel een andere inhoud geven. Zo is de moderne theologie er ook bij velen ingegaan. Het klonk nog zo goed, maar intussen ging het wel over een andere „god". En ons volk is erin gelopen! In de valkuil gevangen. Het in vers 2 genoemde „zich verdiepen om te slachten" kan beter vertaald worden met „zij hebben een diepe valkuil gemaakt".
Jongelui, zo werkt de satan ook onder ons! Velen vinden het al lang goed als ze de bekende namen en de vertrouwde begrippen maar horen, en als ze naar die kerk gaan, waar vader en moeder ze brachten. Maar ken je de Heere Zelf wel, zoals Hij Zich in Zijn Woord openbaart? Je kunt toch niet gerust zijn als je alleen die klinkende naam hoort? ! Ken je die enige Naam?
Of is Hij uiteindelijk maar een van de vele tussen al die andere dingen in je leven, die je zo belangrijk vindt? God zegt van Israël dat ze Hem terzijde geschoven hebben. De diepste aanklacht in hoofdstuk 4 was: „En de Heere kennen ze niet". Dat keert hier weer terug. De Heere kennen ze niet. al noemen ze Zijn naam en al staan ze op gewijde grond, die hen
Vragen
herinnert aan alles wat God in het verleden gedaan heeft.
Ik ken Efraïm en de Heere kennen ze niet (vs. 3-4)
Het wezen van Israëls afval is, dat ze God niet kennen, hun afgoderij, hun onwaarachtigheid en hun voortgaande ontrouw. Wie de leidslieden ook kunnen misleiden, in ieder geval niet de alwetende God. Israël kent de Heere niet, maar „Ik ken Efraïm (andere naam voor Israël) wel, en Israël is voor Mij niet verborgen". Ze kunnen de Heere wel afdanken en Hem de rug toekeren, maar daarmee zijn ze nog niet van Hem af. Zo precies weet de Heere wat zich in hun leven afspeelt en wat er in hun hart omgaat, dat Hij kan zeggen: U houdt het met andere goden en zo hebt u zich verontreinigd. En alles wat u doet, zegt vers 4, staat uw wederkeer tot God in de weg. Uw grootste zonde is de overtreding van het eerste gebod. U bent helemaal in de greep van de Baalsdienst (geest der hoererijen). En zolang Baal in uw midden heerst, kan Ik niet in uw midden zijn. Zolang blijft de weg naar Mij afgesloten.
We hebben al eerder gezien, dat ze de Heere ook „Mijn Baal" noemden. Ze dienden in naam de Heere (dat blijkt ook uit hun offers aan God in vers 6), en in werkelijkheid de Baal. En ze dienden de afgoden op de bekende plaatsen uit de heilsgeschiedenis. Niets is zo gevaarlijk als de zonde, die bedekt wordt met bijbelse namen en vertrouwde begrippen. Dat lijkt zo goed, althans aan de buitenkant. Zo lijkt bekering ook niet nodig te zijn. Het ziet er allemaal zo mooi uit. Maar „Ik ken Efraïm", zegt God. Hij kijkt dwars door hen heen. Ze kunnen Hem niet misleiden. Hij ziet het hart aan! Is Gods alwetendheid voor jou een troost? Of vind je dat juist ontdekkend? Wat erg als van ons gelden moet: „Ik ken Efraïm en de Heere kennen ze niet!"
Vragen
1. Welke drie soorten leidslieden van het volk worden genoemd in vers 1? Wie zijn dat nu in onze maatschappelijke en kerkelijke samenleving? Zit er in de aanklacht van vers 1 ook een boodschap voor onze tijd? Welke? Hoe kan via bekende namen (Mizpa, Thabor) en begrippen ongemerkt een dwaalleer de kerk binnensluipen?
2. In vers 3 zegt God: Ik ken Efraïm". Is dat positief of negatief? Op welke wijze kan Gods alwetendheid een troost zijn? En wanneer is die een verschrikking? Bewijs dit aan de hand van een aantal bijbelse voorbeelden. Denk aan David (Ps. 139 : 23), Petrus (Joh. 21 : 17) en Judas (Matth. 26 : 25). Wat is het voor jou?
3. In vers 4 lezen we dat Israëls afgoderij haar verhinderde zich te bekeren. Zijn er in ons leven ook bepaalde „handelingen", die ons verhinderen ons tot God te bekeren? Zo ja, welke?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1987
Daniel | 33 Pagina's