Wie zou het winnen?
kort verhaal
Het is stil, heel stil op en om het militaire vliegveld. De startbanen liggen recht en verlaten tussen het gras, de deuren van de grote hangars zijn gesloten, de gebouwen waarin de militairen verblijven, zijn in het donker gehuld. Er stijgen geen vliegtuigen op, er daalt geen enkel toestel. Niets beweegt er op het grote terrein. Of, ja daar bij de hoofdingang. O, twee soldaten lopen hun rondje binnen het hoge hek dat de hele vliegbasis omringt. Ze gaan elk een kant op, draaien bij een afgesproken punt om en komen bijna gelijktijdig weer terug bij het wachtlokaal naast de ingang. Een brede streep licht valt naar buiten als ze de deur openen en naar binnengaan. Nu is 't weer stil. Of, nee, luister eens! In de verte klinkt een zacht geronk, 'n Vliegtuig? Hoor, 't komt dichterbij. Ah, een kleine kolonne vrachtwagens rijdt in de richting van de basis. Eén van de schildwachten buiten de omheining praat even met de chauffeur van de voorste auto. Het grote stalen hek zwaait open en één voor één rijden de wagens het terrein op. Een soldaat sluit het hek en gaat het wachtlokaal binnen. Nog even klinkt het zware geronk van de vrachtauto's door de donkere nacht. Dan wordt het weer stil, heel stil op en om de vliegbasis. Maar wat is dat daar, een veertig, vijftig meter van de hoofdingang vandaan? Twee donkere gedaanten rennen in gebogen houding langs de afrastering., , Gooien", sist de kleinste, „vooruit, zo ver mogelijk, snel!" Een lichtflits, een enorme knal. De twee figuren hollen elk een kant op en verdwijnen in de donkere bossen bij het vliegveld. Binnen vijf minuten zet een tiental militairen de vervolging in. Ah, wie zou het winnen?
Gewonnen
„Lineke, schiet nou op!" Ongeduldig laat Karei Maljaars zijn fietsbel rinkelen. Altijd hetzelfde, nooit op tijd klaar. Dan is ze dit kwijt, dan moet ze dat zoeken. Steeds neemt hij zich voor om alleen naar school te rijden, maar dat kun je je tweelingzus niet aandoen. Ha, daar komt ze. Een flinke klap: da's de keukendeur. Moeder staat voor het raam in de kamer en schudt het hoofd. Haar lippen vormen: „Lineke toch!" Maar Lineke ziet het niet. Haastig rijdt ze haar fiets uit de schuur, één van de trappers blijft haken achter een poot van het tuintafeltje, een bus knijpers klettert met veel lawaai op de grond. Tijd om ze op te rapen heeft ze niet. „Ik ruum 't wel op as ik straks thuuskomme", roept ze naar moeder, die alles vanachter het raam gadeslaat. „Zumme om 't ardst? " Dat laat Karei zich geen twee keer vragen. Aan 't eind van de straat is Lineke hem een fietslengte voor. Over haar stuur gebogen vliegt ze de hoek om. Een vlugge blik achterom. Karei haalt haar in! Gauw, gauw! O, bah de klaarovers! Zou ze de zijstraat inschieten? Dan hoeft ze niet te wachten. Ze wil het winnen, 't Is wel een eindje om, maar ze kan tenminste dan doorrijden. Nee, toch maar niet. Zo lang zal 't niet duren. Als ze even over haar rechterschouder kijkt, ziet ze net Karei de zijstraat inspuiten. Tergend langzaam steken een paar kinderen over. Lineke staat in starthouding. Eén van de klaarovers brengt het fluitje naar haar mond. Nee, daar komt nog een oud baasje aan. Voetje voor voetje schuifelt hij over de zebra. Lineke staat klaar om direkt weg te schieten. Eindelijk een fluittoon. De klaarovers lopen naar het trottoir. Bij het fietsenrek staat Karei hijgend te wachten. „Gewonnen", zegt hij triomfantelijk. Zijn zus neemt haar verlies sportief op. Eensgezind gaan ze samen de klas binnen.
De snelle Spitfires
„Waar moet ik beginnen? ", vraagt meneer Sinke. Hij kijkt zijn klas rond. Lineke popelt om het te zeggen. Het fijnste uurtje van de hele week begint. Geschiedenis! Mijnheer Sinke kijkt haar vragend aan. „D-day, meneer." Hij knikt: „Goed, wat betekent die D? " „Decision-day. Dag van beslissing. Toen begon de invasie." „Prima." Hij maakt een paar vlugge schetsjes op het bord. „Een vreselijke strijd was het", zo begint hij. „Hoog over de hoofden
van de landingstroepen heen fluiten de granaten die vanaf de schepen op de vijand worden afgevuurd. In de lucht cirkelen snelle Spitfires — dat zijn kleine jachtvliegtuigen, die " Mijnheer Sinke zwijgt. Gierend jaagt een F-16 laag over de school, nog één en nog één. Enkele leerlingen duiken onwillekeurig ineen, de meeste reageren echter niet. De leraar wacht tot het lawaai voorbij is en maakt dan rustig zijn in af. Het dorp ligt nu eenmaal dicht bij het militaire vliegveld Dinsdrecht en elke vrijdag om een uur of twee is het even raak. Daar komen er nog drie. Deze keer vliegen ze wel erg laag, de ruiten van het lokaal rinkelen! , , De Duitsers in hun bunkers van metersdik beton vuren fel terug", gaat meneer Sinke verder, alsof er geen straaljagers bestaan, „de strijd is hevig en velen vroegen zich die zesde juni af: „Wie zou het winnen? "
Een opstel
„Wat zie ik? Hebben jullie nog huiswerk? Volgende week krijg je vakantie!" Verwonderd kijkt meneer Maljaars naar Karei en Lineke die zich na het eten tegenover elkaar aan de tafel hebben geïnstalleerd en druk zitten te schrijven. Lineke legt haar pen neer en geeft uitleg. , , 't Is geen huiswerk, vader. Vanmiddag heeft de leraar over D-day verteld. Nu moeten wij er een opstel over maken. Wie het beste opstel schrijft, krijgt een poster van een Spitfire. Dat was 40 jaar geleden het snelste jachtvliegtuig. Wij lachen daar nu om, want onze F-16's vliegen veel en veel sneller, 't Was een spannend verhaal hè Karei? " Karei knikt. Hij is vast van plan die Spitfire te winnen. Dat moet je wel, vindt hij, als je vader op een militair vliegveld werkt.
„Ik zal jullie ook eens een spannend verhaal vertellen", zegt vader, , , 't kwam vanmorgen al door de radio en het staat nu ook in de krant. Kijk, er is een foto bij." Karei en Lineke buigen zich over het korte artikel. Op de foto zie je de hoofdingang van het vliegveld. „Vannacht werden er een stuk of acht vrachtwagens met onderdelen voor de F-16 verwacht. Er was niets bijzonders aan de hand, maar toen de auto's binnen waren, klonk er een twintig meter van de hoofdingang vandaan een knal alsof er een landmijn ontplofte. Binnen een kwartier wisten ze op de vliegbasis wat er aan de hand was. Een jongeman van één of andere vredesbeweging had een uit de kluiten gewassen rotje over het hek gegooid. Om drie uur vanmiddag hadden ze zijn maat te pakken, ze waren namelijk met z'n tweeën. „Waarom hebben jullie dat gedaan? ", vroeg de kommandant. Ze beweerden dat de vrachtauto's onderdelen voor de kruisraketten vervoerden. „Wij wilden dat iedereen dat zou weten en daarom besloten we zo in het nieuws te komen." De kommandant zei dat ze meer wisten dan hij. Onderdelen voor kruisraketten, 't mocht wat. „We zullen ze goed in het vet zetten, dan roesten ze niet, want we hebben ze nu nog niet nodig", spotte hij. „Waarom liepen jullie zo hard weg, als je zo graag in het nieuws wilde komen? " Daar hadden ze geen antwoord op. Weetje wat jammer is? " En nu klinkt er een andere toon in vaders stem. „Die kerel die ze 't eerst te pakken hadden, is in z'n haast gestruikeld en heeft lelijk z'n pols bezeerd. Geloof maar dat hij daar munt uit zal slaan." Lineke die met open mond zit te luisteren, vraagt nieuwsgierig: „Munt uit slaan, waarom? " „Wel, die man zal overal vertellen dat ze hem mishandeld hebben. En dat is koren op de molen van de antimilitaristen en van een heleboel andere mensen die tegen alle gezag zijn." „Van krakers en demonstranten", stelt Lineke vast. „Ho, mondjegauw", zegt vader, „krakers, ja daar heb je gelijk in, maar je moet niet denken dat alle demonstranten tegen het gezag zijn. Er zijn er bij, natuurlijk, maar je mag ze niet allemaal over één kam scheren." „Krijgen die mannen straf? ", wil Karei weten. „Nee, dat zal wel niet. Ze hebben de orde verstoord, zoals dat heet. Maar maken jullie nu gauw je opstel af. Ik ben benieuwd wie de Spitfire zal winnen."
Dat moet Rusland zijn
't Is een prachtige herfstdag. Bij de vliegbasis Dinsdrecht is het allesbehalve stil. Overal staan tenten en het krioelt er van etende, drinkende en schreeuwende jongelui. Met hun fiets aan de hand staan Lineke en Karei naar dat gekrioel te kijken. Ze hebben vakantie en Lineke had voorgesteld even bij het tentenkamp te gaan kijken. Karei had aarzelend toegestemd. „Vader wil 't niet hebben", was zijn zwak verweer. Nu kijken ze hun ogen uit. Wat een troep, wat een herrie. Keiharde muziek, geschreeuw, gevloek soms. Ineens loopt Lineke op een groepje jongelui toe, dat bezig is levensgrote letters op een spandoek te verven. „Wat komt daar op? ", vraagt ze nieuwsgierig. „O, ik zie het al", zegt ze met minachting in haar
stem. Eén van de jongens kijkt op. Hij heeft net z'n kwast in een pot zwarte verf gedoopt. „Wat wou je? " „Eh, niks", zegt Lineke haastig. Ze zet één voet op de trapper. „Dat laatste woord is fout", en terwijl ze snel wegfietst roept ze: „Dat moet Rusland zijn!" Met een nijdige zwaai smijt „de schilder" haar zijn kwast achterna. Ze merkt het niet, maar spurt er vandoor, Karei achterna die het zekere voor het onzekere heeft genomen en iets eerder op de trappers stond. „Had ik hem even mooi te grazen", hijgt z'n zus. „Weet je wat hij er op kliederde? „Kruisraketten de wereld uit, te beginnen in Nederland". Als ze de fietsen in de schuur hebben gezet en naar binnen willen gaan, zegt Karei plotseling: „Jóh, wat zit er nou aan je rok!" Hij wijst op een dikke zwarte streep onder aan de zoom. „Verf', schrikt Lineke, „dat heeft die snertknul gedaan. Niks zeggen hoor!"
Blijf uit de buurt van verfkwasten
„Nou is vader zijn brood vergeten, ga het eens even brengen." Met een trommeltje in haar hand staat moeder in de schuurdeur. De fiets van Lineke staat ondersteboven. „Ik heb een lekke band, mag ik dan uw fiets? " Mevrouw Maljaars aarzelt even. Ze kijkt van haar dochter, die met een vuile veeg op haar ene wang haar verwachtingsvol aankijkt, naar haar gloednieuwe fiets. „Denk erom, geen gekke dingen uithalen en direkt terug komen." Dat belooft Lineke grif. Ze heeft haar eigen karretje al opzij geschoven. In de haast trapt ze de plastic bak met water om, waarin de opgepompte binnenband op gaatjes gekontroleerd werd. „Ik ruum het straks wel op as ik thuuskom", zegt ze berouwvol. „Net als drie maanden geleden de knijpers", bromt moeder. „Ga nou maar, anders moet vader heen en weer en dat is niet nodig. Jullie hebben tijd genoeg en blijf uit de buurt van verfkwasten", voegt ze er kwasi-streng aan toe. Lineke geeft haar spontaan een zoen. „U bent de liefste moeder van de hele wereld."
Je hebt het beloofd, Lineke
Er broeit wat onder de vredesdemonstranten van het tentenkamp. Er is een grote groep raddraaiers bijgekomen, die het alleen te doen is om herrie te schoppen. Velen hebben zich vannacht laten meeslepen. Het is tot kleine schermutselingen gekomen met de politie en even na middernacht moest een groep ME-ers ingrijpen. Tot elf uur vanmorgen is het rustig gebleven, maar nu wordt het rumoerig. Er worden leuzen geroepen en spreekkoren aangeheven naar de patrouillerende politie. Lineke geniet. Tjonge wat rijdt dat karretje lekker. Ze heeft alle versnellingen al geprobeerd en is vast van plan straks een eindje om te rijden. Ha, herfstvakantie, prachtig weer en een fiets om u tegen te zeggen, wat wil je nog meer. „We gaan straks over de Boslaan terug hoor", zegt ze. Karei schudt zijn hoofd. „Nee, moeder heeft gezegd: direkt terugkomen. Je kan niet eens over de Boslaan, die is afgesloten om die demonstranten." Da's waar ook. Ze was het hele tentenkamp vergeten. „Dan nemen we de weg langs het tentenkamp en zo op huis aan." „Nee", zegt Karei weer, , Jij wilt altijd je zin hebben, maar nou zul je 't niet winnen, ik doe het niet. Jij hebt moeder beloofd dat je geen gekke dingen zult uithalen." „Gekke dingen", moppert Lineke, „zijn dat nou gekke dingen." Maar in haar hart geeft ze hem gelijk, 't Mag niet, ze heeft het moeder beloofd. Bah, altijd wint het verkeerde het bij haar. Daar heeft Karei zo geen last van. „Ik doe 't ook niet", zegt ze resoluut, „we fietsen regelrecht weer terug." „Ha, ha", spot een stemmetje van binnen, „ha, ha, wie zou het winnen? "
Wat roepen ze nou?
„Kruisraketten nee, kruisraketten nee! Ban de bom, ban de bom! Weg met
Dinsdrecht, weg met Dinsdrecht!" „Luuster es!" Lineke houdt haar vaart in. „Wat roepen ze nou precies? Ga je mee even die kant op? " Ze wacht geen antwoord af, maar racet in de richting van het geroep. „Lineke, kom terug", roept Karei zo hard hij kan. Maar ze hoort het niet, of doet alsof. Karei wordt woedend. „Je zie maer", schreeuwt hij, „ik gae nae huus." Hè, 't was zo leuk gegaan. Ze mochten van de schildwacht naar binnen en zelf het brood aan vader brengen. Die was blij dat ze kwamen. Ze kregen allebei een glas prik en de tj'piste had nog een reep chocola in haar tas. „Hier voor onderweg." En nou doet die vervelende meid zo. Bah! Maar hij eet die reep chocola alleen op, als ze dat maar weet.
Die is voor ons!
Lineke sjeest met een fikse vaart over de geasfalteerde weg. Het geroep wordt steeds duidelijker, maar ook steeds dreigender. Dat laatste hoort ze niet. Ze is beslist niet van plan tot vlak bij het tentenkamp te rijden. Als ze straks een bospad inslaat,
kan ze het door de bomen heen zien liggen. „Kruisraketten nee! Kruisraketten nee! Ban de bom, ban de bom! Dicht met Dinsdrecht, dicht met Dinsdrecht!" O, nou hoort ze wat er geroepen wordt. Even houdt ze haar vaart in. 't Is toch wel eng dat stotende geroep. „Ban de bom, ban de bom!" Ze is net van plan om terug te gaan als er links van haar twee mannen uit het bos komen rennen. Van schrik trapt ze terug. De trappers schieten door. O ja, ze is op moeders fiets, die heeft handremmen. Razendsnel herstelt ze zich. „Jos, een fiets, die is voor ons!", schreeuwt één van de mannen. Lineke buigt zich over het stuur, ze hoort de snelle voeten van de beide mannen achter zich op de weg. O, wie zou het winnen?
We gaan haar zoeken!
„Ben je maar alleen? " Verschrikt doet moeder de keukendeur open. Karei knikt. „Lineke wou een andere kant op." Hij vertelt hoe het gegaan is. Moeder is boos, boos én ongerust. En die ongerustheid wordt groter als Lineke niet komt opdagen. Eén uur, half twee. „We gaan haar zoeken, Karei. Ik vraag de fiets wel aan de buurvrouw."
Gauw in die greppel, daar
„Kruisraketten nee, kruisraketten nee!" In een niet te stuiten massa rukken de demonstranten op in de richting van het vliegveld. Overal zijn politiemannen op hun post. ME-ers staan gereed om in te grijpen. Maar het zijn er zo weinig tegenover zo velen. De ingangen van de vliegbasis zijn gesloten. Met stokken, stenen en stangen gewapend trekt de bende dwars door het bos. Verstijfd van angst hoort Lineke het geroep al nader komen. Haar fiets is ze kwijt. De beide mannen hadden haar al snel ingehaald. „Nee, nee!" had ze gegild. „Hou je snuit meid, we doen je niks." Ze had het op een lopen gezet in het wilde weg. En nu weet ze niet meer waar ze is en dat vreselijke geroep wordt al harder en harder. „Ban de bom, ban de bom!"
Gauw in die brede greppel daar! De grond dreunt van de honderden voetstappen die al nader komen. Lineke weet geen raad. „Heere help!" Ze drukt zich diep in de dorre bladeren. Dan in plotselinge schrik denkt ze: „Als ze deze kant opkomen lopen ze over me heen!" In doodsangst kijkt ze om zich heen. O, daar, een brede plank over de greppel heen, gauw er onder. Ineengedoken als een bang vogeltje schuilt ze weg. Daar springen de eerste schreeuwers al in en over de greppel. „Ban de bom! Ban de bom!" Dreunend stampen honderden voeten over de plank die kreunend doorbuigt. „Kruisraketten nee! Kruisraketten nee!" Linekes hart staat bijna stil. En boven en naast haar trekken de honderden demonstranten voort. Zovelen tegen zo weinigen. Wie zou het winnen?
God, Die helpt in nood
Het is stil, heel stil in de kleine dorpskerk. De dominee bidt en de gemeente bidt mee. „U hebt over ons gewaakt. U zorgde dat ons dorp niet onder de voet gelopen werd. U hebt ook voor Lineke gezorgd, ze is weer veilig thuisgekomen. U hebt het gewonnen Heere. Wij vroegen ons af: ie zou het winnen? De demonstranten of de politie? Ook in Linekes hart was die strijd. Wie zou het winnen, het kwade of het goede? Gij geeft het antwoord, een goddelijk antwoord: ij is gegeven alle macht in hemel en op aarde." Stil is het, heel stil na het amen. Niemand kucht, niemand schuifelt. „We zullen samen God de eer geven", zegt de predikant, „en we gaan zingen Psalm 99 : 2 en 8: Geeft dan eeuwig eer" en „God Die helpt in nood, is in Sion groot."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1987
Daniel | 32 Pagina's