Wat vinden oud-studenten er van?
Interview met de heren H. Folmer, O. van de Ridder en J. P. de Wilde
Welke studie hebt u gevolgd, waar en wannee en wat is uw huidige plaats in de maatschappij? F. Geneeskunde, Vrije Universiteit te Amsterdam, 1968-'75; ik ben nu huisarts te Nederhemert.
V. d. R. Van 1964 tot 1972 heb ik bedrijfsekonomie gestudeerd aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. De laatste jaren was ik naast mijn studie enkele dagen per week werkzaam op een accountants-en adviesbureau te Zeist. In 1974 werd ik als econoom benoemd in de direktie van het Van Weel-Bethesda ziekenhuis te Dirksland. Deze werkzaamheden hebben zo'n beslag op mijn tijd gelegd dat ik mijn studie niet volledig heb kunnen afronden. Mijn funktie is nu direkteur algemene zaken. Samen met de direkteur patiëntenzorg vormen wij de direktie van het ziekenhuis.
D. W. In 1971 ben ik natuur-en wiskunde (hoofdvak natuurkunde) gaan studeren aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Nadat ik in 1975 getrouwd ben, ben ik vanaf datzelfde jaar als docent natuurkunde aan de Pedagogische Akademie , JDe Driestar" te Gouda werkzaam. Vooral vanwege deze funktie bij het onderwijs heb ik in 1976 mijn M.O.-B diploma natuurkunde behaald. Daarna heb ik mijn studie met het doctoraalexamen afgesloten.
Hoe zijn uw ervaringen met betrekking tot kamerbewoning, en wat zou nu uw advies zijn? F. Kamerbewoning is, als je uit een beschermd r, verzorgd milieu komt niet eenvoudig, maar wel erg leerzaam. Je leert meer zelfstandig te leven, meer op eigen benen te staan in de maatschappij en meer voor jezelf te zorgen. Daarom is het, dacht ik, in het algemeen wel aan te bevelen.
V. d. R. Het op kamers wonen had aanvankelijk iets avontuurlijks. Het gaf je een zeker gevoel van vrij te zijn. Heerlijk zelf je tijd en werk indelen! Spoedig kom je er achter datje, met het verlaten van je ouderlijk huis, ook heel wat verliest. De gezelligheid en verzorging van thuis, maar ook de beschutte omgeving waar je ongemerkt op kon terugvallen en je door kon laten leiden. Met het wonen op kamers kom je op eigen benen te staan. Je moet nu voor jezelf zorgen, maar ook de meegekregen principes verwoorden, gestalte geven en veelal zelfs verdedigen. Ondanks de bezwaren en verleidingen waaraan je blootstaat, heb ik persoonlijk het wonen op kamers als vormend ervaren. Bij mijn overwegingen om een jongere op kamers te laten wonen, zouden faktoren als karakter, leeftijd en instelling een belangrijke rol spelen. Is hij ontvankelijk voor Gods Woord en de daaruit voortvloeiende levensstijl? Daarbij zal ook de plaats en omgeving waar hij een kamer kan krijgen, bepalend zijn. Zo had ik in de eerste jaren van mijn studie een kamer bij een gezin uit onze Gereformeerde Gemeenten, waarbij enig huiselijk verkeer op prijs werd gesteld. Zeker in de beginperiode heb ik dit als
zeer positief ervaren. Natuurlijk zouden ouders hun kind bij voorkeur thuis willen houden, maar dat is niet altijd mogelijk.
D. W. Tot juli 1975 woonde ik thuis bij mijn ouders. Vier jaar lang legde ik de afstand van mijn ouderlijk huis (Haarlemmermeer) naar Amsterdam per bromfiets af. De reistijd was geen probleem. Ik deed er 20 minuten over. Kamerstudenten, die in de binnenstad woonden, waren vaak langer onderweg. Als belangrijk voordeel van het „thuis-student" zijn, vind ik de verzorging en de opvang thuis. De overgang van het voortgezet onderwijs naar de universiteit heb ik dan ook als een vrij gelijkmatige overgang ervaren. Dat neemt niet weg dat er toch veel veranderingen waren. Een studiejaar-groep, waarbij ik als enige student afkomstig was uit de gereformeerde gezindte. Nog steeds ervaar ik het als een zegen dat de Heere mij vanaf het begin van m'n studie vrijmoedigheid gaf om op bescheiden wijze uit te komen voor mijn overtuiging. Ik bewaar goede herinneringen aan een groepje jaargenoten waarmee ik gezamenlijk — vaak in de universiteitsbibliotheek — studeerde. Tijdens de maaltijd werd de eerste aantal keren dat ik om stilte vroeg hier niet door hen op ingegaan. Na verloop van tijd deden zij dit wel. Ik zou daarom aan onze jonge studenten mee willen geven: kontakt met je medestudenten met dezelfde studierichting is vaak zinvol. Je kunt elkaar stimuleren en helpen. Erg belangrijk is, dat je vanaf het eerste kontakt — in bescheidenheid — laat zien wat jouw levensovertuiging is! Vraag of de Heere hierin getrouwheid wil schenken. Daarbij denk ik wel dat het goed is om deze kontakten veelal te beperken tot studiekontakten. Als deze studiekontakten uitlopen op gezamenlijke vrije tijdsbesteding komen vaak grote problemen in verband met je levensovertuiging. Een nadeel van het „thuis-student" zijn, (dat kan ook voor een kamerstudent gelden) kan zijn dat de studietijd slechts gebruikt wordt om alleen vakgericht te studeren. Noodzakelijk voor elke student is een bijbelse bezinning van de eigen studie en de wereld waarin wij staan. In dit verband heb ik veel gehad aan het lidmaatschap van het dispuut Amstelodamense van de C.S.F.R. Als ik aankomende studenten moet adviseren of zij op kamers zullen gaan wonen of thuis zullen blijven wonen, wil ik het volgende opmerken. Als je thuis de gelegenheid hebt om rustig en geconcentreerd te studeren en de reistijd is minder dan een half uur, verdient het aanbeveling om — zeker de eerste jaren van je studie — thuis te blijven wonen. Het bezoeken van vergaderingen en kringen van het Deputaatschap moet je beslist niet nalaten! Ga als „thuis-student" ook gerust op bezoek bij kamerstudenten. Een vergadering van een studentenkring kun je misschien wel koppelen aan een gezamenlijke maaltijd met/bij gelijkgezinde kamerstudenten. Zorg er steeds voor dat je ouders in ieder geval weten of je wel of niet thuis komt eten en dat het die avond misschien wel een beetje laat wordt, omdat je naar „de kring" gaat.
Hoe hebt u de opvang voor studenten vanuit Gereformeerde Gemeenten ervaren; was di en had u steun aan elkaar?
F. Opvang voor studenten uit de Gereformeerde Gemeenten door het eigen kerkverband als geheel bestond er in mijn tijd nog niet. Steun aan elkaar kon je hebben via de C.S.F.R.
V. d. R. Vanuit mijn tijd kan ik alleen maar met waardering spreken over de opvang van studenten in de kerkelijke gemeente van Amsterdam. Wij werden al snel en regelmatig door de kerkeraad bezocht, terwijl ook de verenigingen ons bij hun aktiviteiten probeerden te betrekken. Vooral aan de jeugdvereniging denk ik nog met veel plezier terug. In de weekeinden werden wij door de diverse gezinnen regelmatig voor de koffie en maaltijden uitgenodigd. In deze tijd zijn er vriendschapsbanden gegroeid die nog steeds bestaan. Als student in Amsterdam behoefde je toen beslist niet van huiselijk verkeer ontstoken te zijn. Met genoegen en erkentelijkheid zie ik op deze periode terug. Naast de jeugdvereniging was er geen georganiseerd overleg voor de studenten vanuit onze gemeenten. Wèl zocht je elkaar als gelijkgezinden regelmatig op. Je besprak de problemen van je studie, je ervaringen aan de universiteit, maar ook de aangereikte opvattingen die je niet in overeenstemming kon brengen met de Bijbel en je opvoeding. Zij waren soms zo logisch en ragfijn geformuleerd! Gezamenlijk probeerde je de verschillen te analyseren en bespreekbaar te maken. Er werd soms tot diep in de nacht gediskussieerd. Zo mocht je elkaar vanuit Gods Woord opscherpen en tot steun zijn.
D. W. Tijdens mijn studietijd was het werk van het Deputaatschap in opkomst. De landelijke vergaderingen — toen in Utrecht — werden goed bezocht en ik heb ze zelf als bijzonder samenbindend ervaren. Het Deputaatschap is er mijns inziens in geslaagd om samenbindende en toerustende bijeenkomsten voor studenten uit onze gemeenten te organiseren. Hoewel deze aktiviteiten van het deputaatschap binnen de C.S.F.R. moeilijk lagen, waren ze, denk ik, in het algemeen gesproken ook nodig. Van het dispuut Amstelodamense (C.S.F.R.) behoorden in mijn studententijd meer dan de helft van de leden (totaal 17 leden) tot de Gereformeerde Gemeenten. Een studentenkring van de Ger. Gemeenten heb ik zelf in Amsterdam niet meer meegemaakt. Terugziend moet ik zeggen dat de kontakten met deze (ongeveer) gelijkgezinde studenten bijzonder waardevol geweest zijn. Een voorrecht was dat ik hier een vriendenkring ontmoette, die zich nauw verbonden wist met onze gemeenten. Dit voorrecht wens ik ook nu de jonge studenten toe.
Bent u lid van een studentenvereniging geweest? Hoe hebt u dat ondergaan, zou u dat nog doen? Wat zou nu uw advies zijn aan on aankomende studenten?
F. Ik ben aktief lid geweest van het Amsterdamse dispuut van de C.S.F.R. en heb dit als zeer leerzaam ervaren. Afhankelijk van het geestelijk klimaat zou ik dit nu weer doen. Mijn advies is: leid géén kluizenaarsbestaan, onderhoud kontakten met medestudenten van eigen signatuur.
V. d. R. Ja, vanaf het begin van mijn studie ben ik lid geweest van de C.S.F.R. èn het dispuut Amstelodamense. Ook ben ik nog enige tijd lid geweest van een gezelligheidsvereniging, maar gezien de daar geldende opvattingen en levensstijl heb ik al na enkele maanden bedankt. Ik liep er veelal met een bezwaard geweten rond. De C.S.F.R. sprak mij meer aan. Deze vereniging probeerde vanuit Gods Woord, — het gemeenschappelijk uitgangspunt — een antwoord te geven op de wezenlijke vragen waarmee je in je studie werd gekonfronteerd. Ik had tot nu toe nooit aan enig verenigingsleven deelgenomen. Deze bijeenkomsten heb ik in het begin dan ook als zeer positief ervaren. Zij waren enerzijds leerzaam en vormend, terwijl anderzijds aan een zekere ontspanning niet werd voorbijgegaan. Al spoedig bleek echter dat „het gemeenschappelijk uitgangspunt" geen eenheid was, maar een verscheidenheid kende. Er bestonden wezenlijke verschillen over de samenhang van de trits Heilige Doop, belijdenis doen en Heilig Avondmaal. Dit betrof ook de prediking, de bekering en toeeigening van het heil, het verbond der genade en de visie op het wereldgebeuren. Dit gaf meestal levendige en leerzame diskussies, maar trok soms ook droeve sporen door eigen gelederen. Er werd een sterk beroep gedaan op je bijbelkennis en onderscheidingsvermogen. Je bleek op zoveel punten nog naïef en weinig onderlegd te zijn. Je raakte zo gemakkelijk in verwarring, temeer omdat de argumenten zo rationeel en logisch waren opgebouwd. Toch voelde je veelal dat er iets verkeerd ging. dat betreffende voorstellingen niet in overeenstemming waren met Gods Woord, zonder echter direkt de afwijkingen te kunnen aangeven. Dit heeft mij aangezet tot beginselstudie. Vooral de „Redelijke Godsdienst" van Wilh. a Brakel is mij toen tot steun geweest. Meer dan ooit heb ik hier leren inzien dat je de „absolute feiten en waarden" van de wetenschap moet relativeren. Alleen Gods Woord heeft een absoluut gezag. Bij verschillen tussen dat Woord en de wetenschap zal de laatste voor het eerste moeten buigen. Gaan wij hier schipperen, dan begeven wij ons op een heilloze weg. Aan genoemde bewustwording heeft de studentenvereniging een bijdrage geleverd.
Met een zekere aarzeling zou ik mij waarschijnlijk ook nu weer aansluiten bij genoemde vereniging, hoewel mijn bezwaren en reserves door de ontwikkelingen in de afgelopen jaren wel aanzienlijk zijn toegenomen. Per dispuut kan dit gelukkig nogal verschillen. De criteria, genoemd bij kamerbewoning, zou ik ook zeker hier willen laten gelden. Meer dan ooit dient men gefundeerd te zijn in Gods woord, de belijdenisgeschriften en de geschriften van onze vaderen om tegen de verleidende invloedssferen van de universiteit bestand te zijn. Dit is echter niet voldoende, alleen de ware vreze des Heeren kan ons staande houden. Een vrees die naar Zijn Woord en wil doet vragen.
D. W. Binnen het dispuut Amstelodamense werden ook andere meningen gehoord. We werden in die tijd gekonfronteerd met leden die zich lieten overdopen. Persoonlijk heb ik de kennisname van deze meningen vrij intensief beleefd. Het heeft me soms tot een biddend leven gebracht of de Heere Zelf me wilde leiden door Zijn Geest. Het heeft me ook gestimuleerd om de werken van de reformatie en nadere reformatie, en niet te vergeten de belijdenisgeschriften, te bestuderen. Of ik nu nog lid zou worden van de C.S.F.R.? Allereerst zou ik lid worden van de studentenkringen die door ons Deputaatschap georganiseerd worden. Ik denk dat deze bijeenkomsten een bezinning tot een bijbels-reformatorische visie op het leven kunnen stimuleren in het leven van onze jongeren. Daarbij kun je je vrienden ontmoeten, die samen met jou nog een bevindelijk gereformeerde prediking wensen te horen. Daarnaast kan een lidmaatschap van de C.S.F.R. ook nu nog waardevol zijn. Kennisname en door-
denking van andere meningen is zinvol. Een kritische houding mag echter beslist niet ontbreken. Ik denk dat, meer nog dan in mijn studententijd, de invloeden van het moderne denken merkbaar zijn. Er zijn krachten werkzaam die proberen onze jonge mensen af te brengen van de bevindelijk-gereformeerde geloofsleer. Een kritisch lidmaatschap van de C.S.F.R. kan met Gods zegen leiden tot een toerusting om in de gereformeerde gezindte vruchtbaar werkzaam te zijn. De gereformeerde gezindte vertoont immers in haar grote verscheidenheid, veel van wat in de C.S.F.R. aan de orde gesteld wordt.
Hebt u bepaalde spanningsvelden ervaren in u vakstudie en in het staan in de wereld?
F. Spanningsvelden in de vakstudie zijn er, gezien onze opvoeding, zeker, met name bij het propaedeutische vak biologie, waarin de evolutiegedachte centraal stond. De practicumassistenten liepen er (dientengevolge? ) nogal aapachtig bij.... Wat betreft het staan in de wereld moet geleerd worden wat de betekenis is van de woorden: „Beproeft alle dingen, behoudt het goede". Dit kan niet zonder dagelijks knieënwerk! Het is een wonder als de Heere ons niet overgeeft aan de blindheid en dwaasheid van ons natuurlijk hart. Wij zijn toch niet beter dan vele andere Ger. Gem. jongelui, die kerk en opvoeding verlaten hebben?
V. d. R. Iets van die spanningsvelden heb ik al bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven. Door de zondeval is ons verstand verduisterd; dit geeft al een ten dele, een beperkt zijn aan. Naarmate je meer kennis vergaart, kom je er achter hoe beperkt een mens in zijn denken en handelen is. Er ontstaan meer vragen dan je antwoorden krijgt! Dit vraagt om bescheidenheid. Wees daarom voorzichtig in je oordeel en konklusies, zowel in je studie als in je werk. Het beoefenen van de wetenschap is niet objektief en waardevrij, maar vraagt in het licht van Gods Woord een kritische houding ten opzichte van jezelf en het omgaan met de resultaten. Dit kan vraagtekens, spanningen en veel strijd oproepen; vooral als de resultaten en/of konklusies van de wetenschap in strijd zijn met het Woord van God, maar vraag dan de Heere of Zijn Geest je leidsman mag zijn. Dan alleen mag je rust en zegen in je studie en op je werk verwachten.
D. W. Ja, vooral de spanning van enerzijds sterk materieel en rationeel met de natuurwetenschappen bezig te zijn en anderzijds het belang in te zien van een oprecht geloof, dat heel ons leven doortrekt. Voor mij heeft deze spanning geleidt tot een bewuste keus om niet in het bedrijfsleven of de research te gaan werken, maar in het onderwijs. Dit is een persoonlijke keus; deze kan voor een ander ook anders uitvallen. Zelf zag ik, en zie ik nu nog, in het onderwijs meer mogelijkheden om beide gebieden in je persoonlijk leven aan elkaar te verbinden. Aan de Pabo stel ik dan ook de wetenschappelijke werkwijze met haar mogelijkheden en haar beperkingen aan de orde. Ook de enorme beïnvloeding van ons leven door deze natuurwetenschappen.
Kunt u in uw omgang met jongeren een me taliteitsverandering konstateren onder de s denten ten opzichte van uw studietijd?
F. Moeilijke vraag. Ik denk dat er niet veel verschil is tussen toen en nu. Misschien is er momenteel wat meer hang naar knusheid en huiselijke gezelligheid, en minder hang naar het „ontdekken van de wereld".
V. d. R. Voor zover ik kan beoordelen spreken de jongeren hun gedachten, gevoelens en opvattingen meer uit dan in onze tijd. De bescheidenheid, wellicht voortvloeiend uit een zekere verbondenheid met onze opvoeding,
deed ons veelal voorzichtig en misschien wel wat krampachtig reageren. De jongeren van nu zijn veel spontaner en zelfbewuster. Zij spreken nu soms met stelligheid opvattingen en ideeën uit, die helaas de toets van Gods Woord niet kunnen doorstaan. Dit kan tot een zekere oppervlakkigheid leiden, temeer als de jeugd elkaar daarin voedt en stimuleert. Je begrijpt dat ik hierin wat generaliseer, maar toch meen ik deze verontrustende tendens te bespeuren. Evenals in onze tijd zijn de jongeren zo weinig onderlegd in Gods Woord en de geschriften van onze oudvaders. Helaas is er zo weinig inzicht en onderscheidingsvermogen ten aanzien van de grondstukken der Waarheid. Daarom gaan de verderfelijke invloeden van het „verbondsautomatisme" ook onze deur niet voorbij. Zo wordt het heil in Christus soms te gemakkelijk toegeëigend. Het is gelukkig ook alleen maar uit genade, om niet te verkrijgen, maar wel door een weg van ontdekking aan ons zondige bestaan. Er zal dan een droefheid naar God geboren worden, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Deze jongeren kunnen niet altijd over Jezus spreken, zij hebben Hem ook niet altijd in hun bezit. Zij moeten het woord van Zefanja 3:12 inleven: Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des Heeren betrouwen". Gelukkig wil het overgrote deel van onze jongeren nog voor dat Woord buigen en naar die Waarheid leven.
D. W. Deze vraag vind ik moeilijk te beantwoorden.
Hoe beziet u het werk van het Deputaatscha voor Studerenden der Gereformeerde Gem ten, en hebt u nog bepaalde wenken of adviez voor dit werk?
F. Positief! Voor de plaatselijke mentoren is het belangrijk dat ze zéker zo goed kunnen luisteren, als kunnen praten. Met alleen „goed bedoeld vermanend praten" wordt veelal geen antwoord gegeven op de vele mogelijke vragen die er leven. Dikwijls is er in de studententijd sprake van een identiteitskrisis; dan kan een luisterend oor juist zoveel doen!
V. d. R. Ik kan slechts met waardering spreken over het werk van het Deputaatschap. Het is verblijdend dat bovengenoemde zorgen onderkend worden. Zij proberen onze studenten zo goed mogelijk te begeleiden en weerbaar te maken tegen de verderfelijke invloeden die op de universiteiten op hen afkomen. Hen te funderen in Gods Woord en de geschriften van onze oudvaders. Tracht hen inzicht en onderscheidingsvermogen bij te brengen in de grondstukken der Waarheid. Ik weet dat dit alleen niet voldoende is, maar de Heere mocht dit werk nog eens willen zegenen door met Zijn Geest in de harten van onze jongeren te werken, 'k Heb nog wel enkele adviezen:
Misschien is het mogelijk de ouders van onze studenten wat meer bij de voorlichting te betrekken. Dit zou mijns inziens in een behoefte voorzien.
Grote behoefte is er aan verantwoorde literatuur ten behoeve van de diverse (vak) wetenschappen. Misschien kan de redaktie van de „Kompas-serie" haar aktiviteiten wat opvoeren!
D. W. Ik heb er al iets over gezegd. Het is belangrijk werk tot toerusting van onze n-studenten. Ik hoop dat dit werk onze jonge n mensen blijvend zal stimuleren tot studie van de werken van de reformatie en nadere reformatie, maar ook van de belijdenisgeschriften. Van belang vind ik, dat naast een doordenking van ethisch-maatschappelijke problemen, ook vraagstukken die het persoonlijk geestelijk leven besproken worden. Uit eigen ervaring weet ik hoe lezingen over de toeëigening van het heil, bevindelijke prediking en dergelijke hun invloed op het verdere leven kunnen hebben. Onthouden heb ik altijd de opmerking van een afgestudeerde uit de Chr. Ger. Kerken, die ook betrokken was bij het studentenwerk: „Ik verbaas me er over dat bij jullie nog onderwerpen als „de toeëigening van het heil" besproken worden op studentenbijeenkomsten. Daar is bij ons bijna geen belangstelling meer voor...." Wanneer dit ook bij ons zo zou zijn of worden, zijn we een station gepasseerd!
Het werk van het Deputaatschap moge onder Gods zegen dienstbaar zijn om óók deze belangstelling op te roepen en te verdiepen. Dat het moge zijn tot innerlijke geestelijke toerusting van de studenten, in een weg van waarachtige bekering en geloof.
In ons kerkelijk leven hebben we ook mensen nodig, die door Gods Geest geleid worden en kennis van zaken hebben over de wereld waarin wij leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1987
Daniel | 32 Pagina's