JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

HULDRICH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HULDRICH

een kind van de bergen

4 minuten leestijd

door J. Mateboer

een kind van de berden

Het was een mooie morgen, toen Huldrich zijn slaperige ogen open deed. Hij merkte dat de anderen niet meer in de hut waren. De deur stond wagenwijd open. De zonnestralen schenen fel naar binnen. Daardoor was hij wakker geworden. Hij ging zitten in het stro, waarop hij geslapen had. Langzaam, want zijn rug deed zeer en zijn benen leken wel gebroken. Hij moest wel doodmoe geweest zijn gisterenavond, toen ze gingen slapen. Dat het in de hut steenkoud was geworden, had hij helemaal niet gemerkt. Maar nu merkte hij het wel. 't Jonge, wat was hij stijf!

Hij had geen tijd om daarover na te denken, want buiten hoorde hij lawaai en gelach. Daar kwamen Heini en Klaus binnengestormd. En Heini had een jong hondje op zijn arm. Huldrich schoot meteen rechtop. Hij vergat zijn stijve ledematen. Een hondje! Hoe kwamen zijn broers daaraan?

Het hondje werd op de grond gezet. Meteen begon het rond te snuffelen.

„Van wie heb je dat? " wilde Huldrich weten. , , 't Is een wolf', legde Heini uit. „We vonden hem onder een struik".

Een wolf? Huldrich trok meteen z'n hand terug, toen hij het dier wilde aaien.

„Je kunt hem gerust pakken", zei Klaus. „Hij doet je niks".

Huldrich vond het toch wel griezelig. Maar toen hij zag, dat het dier door de hut scharrelde en af en toe tegen z'n broers opsprong, waagde hij het ook eens het wolfje aan te raken.

„We maken een hekje voor de deur", stelde Heini voor, „dan kan hij er niet uit en dan went hij vanzelf wel".

Daar kwamen Kaspar en Mely binnen met de melk. Ze hadden alle koeien al gemolken en goten de melk in een vat. Toen gingen ze allemaal rond de ruwe tafel zitten. Kaspar gaf elk een stuk brood en een kom verse melk, en nadat de oudste knecht gebeden had, genoten ze van hun ontbijt. Eigenlijk hadden ze meer aandacht voor het jonge wolfje, dat ook al om een stuk brood bedelde.

„Als we na de zomer weer naar beneden gaan, kun je die wolf wel wegdoen", zei Kaspar, „want dan begint hij te bijten".

deel 6

„We zullen wel zien", vond Heini. „Zo ver is het nog niet".

Na het eten begonnen beide broers aan het timmeren van een hekje. Ook Huldrich kreeg een karweitje te doen.

, , 'k Heb werk voor jou". Kaspar nam hem bij de arm. „Hier heb je een mand. Daar zoek je voor mij de mannentrouw in".

Huldrich keek hem vreemd aan. Mannentrouw?

De knecht nam hem mee naar buiten. Daar wees hij hem op een purperrode bloem in het gras.

„Dat is de mannentrouw", legde Kaspar uit. , , 't Is een mooie bloem, maar als de koeien ervan eten. wordt de melk blauw".

Huldrich plukte de bloem af en rook er aan. „Net vanille", vond hij. „Dat klopt", zei Kaspar, , , en als we boter van die blauwe melk maken, of kaas, dan ruikt die ook naar vanille". Huldrich ging ijverig aan het werk. Op sommige plekken stonden heel veel van die rode bloemen. Hij had dan ook al gauw de mand vol. Hij kieperde de inhoud in een rotsspleet, waar de koeien er niet bij konden en ging dan weer ijverig verder. Af en toe zette hij zich op een rotsblok. Dan luisterde hij naar het geluid van de koebellen en keek hij naar de marmotten, die zich in de warme zon koesterden of zich met koddige bewegingen van het ene hol naar het andere repten.

Op een gegeven moment kwam hij aan de rand van een kloof, waar hij een ver uitzicht had op de omgeving.

Hij zag het riviertje de Thur als een smal wit lintje door het gebergte slingeren. Heel ver, in de richting van Unterwasser, zag hij duidelijk de waterval, waar ze als jongens vaak speelden. Daarboven stapelden de wolken zich hemelhoog op. Heel hoog boven de bergen uit. Maar Huldrich was niet bang. Hij dacht aan de woorden: „De bergen zullen vrede dragen". Dat gaf hem een blij gevoel.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 juli 1987

Daniel | 42 Pagina's

HULDRICH

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 juli 1987

Daniel | 42 Pagina's