HULDRICH
een kind van de bergen
door J. Mateboer
De optocht sloeg de weg in naar Unterwasser. Mely liep voorop met zijn fluit. Dan volgden de koeien met hun bellen. De jongens hadden alle drie een rood geborduurd vest aan. De knechts droegen een zwart, rond hoedje met bloemen op de rand. Vader liep een eind mee. Hij had zijn beste pak aan. Bij elke kromming van de weg en ook wanneer ze hoger stegen, wuifden ze naar moeder en de kinderen, die bij het Lisighuis achterbleven.
Huldrich dacht aan de naam van hun huis, toen ze een laag gebied passeerden. Ze hadden met elkaar moeite om de koeien op de goede weg te houden. Die wilden al maar naar dat drassige land toe, waar waterplanten groeiden. Maar 't was een moerassige streek, waarvoor de kinderen van vader Zwingli en moeder Margaretha Meili altijd gewaarschuwd werden, 's Winters lag er een heel dik pak sneeuw, waarin je gemakkelijk weg kon zakken. En 's zomers bleef het daar nat en verraderlijk. De mensen noemden de streek „lisig". En Huldrich dacht dat hun huis daarnaar genoemd was, want van alle boerderijen lag hun hofstede het dichtst bij dit lisigland.
Grootmoeder dacht daar ander over. Zij vertelde, dat er vroeger in hun huis een oude, ongetrouwde vrouw woonde, die Lisie heette. Deze Lisie deed veel voor de armen en de zieken en dus was ze in heel het dal van de Thur bekend. Naar haar zou hun woning het Lisighuis genoemd zijn. Huldrich geloofde het niet.
Hij hield het maar bij de mening van zijn vader, die zei dat hun Lisighuis genoemd was naar de moerassige streken in de buurt.
Ze klommen nu steil omhoog. Dat ging heel langzaam. Maar ze haastten zich niet. Het vee graasde rustig langs de kant van het bergpad, waar de heerlijkste kruiden geurden.
Soms gingen de drijvers bij elkaar op een rotsblok zitten, om de koeien hun gang te laten gaan. Ze hadden immers de tijd. Dan luisterden ze naar het getingel van de koebellen in het dal en dan wezen ze elkaar op de boerderijen, waar men ook bezig was het vee op te tuigen. Het was zo helder en zo windstil, dat ze de mensen in het dal konden horen praten. De oude Kaspar vertelde van tochten naar de alm, waar ze met hun vee door storm en onweer overvallen werden. En vader vertelde van overstromingen in het dal, wanneer de Thur tot een machtige stroom geworden was en hele boerderijen door het water werden overstroomd.
deel 5
Het was deze morgen heel anders. Vlinders dartelden door de lucht en hagedissen schoten vliegensvlug weg tussen de stenen. En ver, heel ver konden ze kijken. „Nu zal ik moeten teruggaan", sprak vader. De zon stond hoog aan de hemel. Hij gaf hen allemaal een hand. „Ga met God, jongens", sprak hij. Alleen de hand van Huldrich hield hij langer vast. Hij keek de jongen in de trouwe kinderogen en begreep dat Huldrich een onbegrensd vertrouwen in hem stelde.
„Ik kom nog wel eens bij jullie kijken", beloofde hij. Huldrich knikte. Hij had haast een prop in z'n keel.
Toen gingen ze verder. Telkens wanneer er tussen de rotsen een stukje bergweide was, lieten ze hun koeien rustig grazen. Maar dan trokken ze weer door. Meter voor meter ging het de berg op. Af en toe floot Mely een vrolijk wijsje op zijn fluit. En de bellen klingelden.
Toen waren ze er. Het was een mooie plaats vol heerlijk geurend gras. Om heel de weide waren steile rotsen. Huldrich begreep niet hoe ze van hieruit nog verder naar boven konden trekken, maar dat zou hij later wel zien. Tegen de rotswand stond een houten hut, waar ze hun spullen in brachten. Voor de eerste tijd zouden ze hier blijven. De eerste tocht lag achter de rug.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1987
Daniel | 22 Pagina's