Mattheüs 13 vers 24 tot 30
Een landheer ging zijn land met graan bezaaien. Zijn hand bleef duiken en zijn arm bleef zwaaien. Zijn zaad was goed, zijn land van ploegen zwart. En hij ging zaaiend voort, hij werkte hard.
Maar vóór het koren goed en wel kon groeien kwam er een vijand die het wou verknoeien: hij strooide onkruid door het koren heen en samen groeide het, gemengd dooreen.
De knechten wilden alles uit gaan rukken, het onkruid zou het goede graan verdrukken en mede profiteren van hun zotg en van dat wat de akker in zich borg.
Maar tiee, de landheer wilde alles sparen en 't onkruid in de oogsttijd pas vergaren en werpen in de hitte van het vuur en dan het koren bergen in zijn schuur.
De Zoon der Landheer is tot ons gekomen. Hij heeft de Zijnen bij de hand genomen, hen onderwijzend zei Hij tot hen: „Kijk, zo is het met het hemels koninkrijk:
God is de Landheer Die het graan gaat zaaien. Hij laat het groeien tot Hij het laat maaien. Al wordt het door het onkruid haast verstikt, het rijpt, en het is voor Zijn rijk geschikt.
Al zaait de boze in Gods wereldakker, en ook al is hij in het donker wakker, al groeit hier goed en kwaad nog door elkaar; de oogst kómt, en.... God is de Eigenaar. "
Jo van Veen-Nusmeijer uh: Rijpend als hel graan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1987
Daniel | 32 Pagina's