HULDRICH
een kind van bergen
door J. Mateboer
't Jonge, jonge, wat waren ze die dag druk! Huldrich was nog maar net klaar met het kachelhout, of de knecht Mely kwam met een heleboel koebellen, die hij moest poetsen. De koeien kregen zo'n bel om de hals. Dat zou een mooie versiering worden. En dat niet alleen, want Heini en Klaus hadden ook voor elke koe een klein sparretje uit het bos gehaald. Die zouden op de kop van elke koe gedaan worden. Met een heleboel tierelantijntjes, om het feest nog feestelijker te maken. Ze waren er de hele dag druk mee. Ze deden allemaal hun best. Het was een hele gebeurtenis, als in het voorjaar het vee naar de almen verhuisde. Huldrich kon er bijna niet van slapen, toen hij 's avonds al vroeg onder de wol werd gestuurd.
Nog voor het licht over de bergkammen viel, was Huldrich al wakker. Z'n broers waren ook niet meer te houden. Ze stommelden met z'n drieën door het donkere kamertje en moesten door moeder gewaarschuwd worden, dat ze de kleine kinderen niet wakker mochten maken.
Huldrich zou bijna vergeten te bidden. Maar toen hij er aan dacht, knielde hij direkt voor zijn ledikant.
Moeder had er de wind onder.
Er kwam niemand naar buiten voor er behoorlijk gegeten was. En na het eten nam vader de Bijbel en las: , .Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. Mijn hulp is van de Heere. die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren "
Allen luisterden eerbiedig, want ze begrepen dat ze elkaar in maanden niet zouden zien. En wat kon er in die tijd dan niet gebeuren! Huldrich werd er haast weemoedig van. Maar toen zijn vader las: „De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts; de Heere zal u bewaren van alle kwaad....'* Toen kwam er een blij gevoel in zijn hart. Want toen begreep hij. dat de Heere zou zorgen voor hem en zijn broers op de bergen, en ook voor allen die thuis achter bleven.
deel 4
Toen ze buiten kwamen, straalde de zon al over de bergkammen. De vogels zongen dat het een lust was.
De bloemen geurden in het jonge gras. Op de helling van de Lutisspitze groeiden duizenden en duizenden krokussen, wit en geel en paars. Maar in de richting van de Altmann plakte nog de sneeuw. Het zou niet lang meer duren of de zon zou de laatste resten van de winter wel opruimen. Daar waren Kaspar en Mely al. Ze hadden een tweewielig karretje bij zich, dat nu vol geladen werd met levensmiddelen, vooral meel om brood te bakken. Verder pannen en bussen voor de melk en ook gereedschap om kaas en boter te bereiden. Nu werden de koeien opgetuigd. De bellen werden aan brede riemen om de hals gehangen en op de kop van de dieren werd een sparreboompje bevestigd, versierd met linten en glinsterdingen. Toen de koeien bewogen, klonken de bellen vrolijk. Elke bel klingelde anders.
Ook vanaf de andere boerderijen kwam nu het geluid van de koebellen. Overal was men bezig het vee klaar te maken voor de tocht naar de bergen.
„Daar gaat Uli al", wees vader. Dat was zijn broer die het dichtste bij woonde. Oom Bartholomeus woonde als priester natuurlijk dicht bij de kerk. Maar verderweg waren nog de boerderijen gelegen van oom Wolfgang, oom Hans, oom Heini en oom Anderes. Zij zouden vandaag of morgen ook met hun vee naar de almen verhuizen. Vader zelf ging niet mee, omdat hij ambtman was, en voor het bestuur van het dorp Wildhaus en voor de rechtspraak niet gemist kon worden.
„Is nu alles klaar? " vroeg hij.
Ja, ze waren allen gereed.
„Nou. dan gaan we vertrekken."
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1987
Daniel | 32 Pagina's