Vergeving der zonden
Ziet gij deze vrouw.
„Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren: want zij heeft veel liefgehad "
De zondige vrouw had Jezus' voeten natgemaakt met haar tranen. Zij heeft Zijn voeten gekust en gezalfd.
Simon, de farizeeër heeft dat gedoe misprijzend gadegeslagen. Zijn farizese hart kon daar niet in mee, en zijn farizese gedachten konden het niet goedkeuren. Dat was fout. Indien Jezus een profeet was, dan zou Hij wel weten wat voor vrouw zij was. Nee, Simon heeft er geen waardering voor kunnen opbrengen.
Vanzelf kende Jezus deze vrouw. Hij wist wie zij was. Hij zegt het: „Haar zonden waren vele, haar is veel vergeven; want zij heeft veel liefgehad." Jezus maakt een vergelijking tussen het handelen van deze vrouw en van Simon.
Wat valt die vergelijking bitter in het nadeel van deze farizeeër uit. Wat is nu het grote verschil tussen de rechtvaardige Simon en de zondige vrouw? Je kunt het in één woord zeggen: liefde. Wederliefde vanwege ontvangen vergevende liefde. De vrouw beleefde het. Simon miste het.
Noodzaak
Elke zondagavond horen wij die eeuwenoude woorden klinken: „Ik geloof vergeving der zonden, wederopstanding des vleses en eeuwig leven."
Automatisch zeggen wij ze in gedachten misschien na, of, wat ook kan, wij horen ze niet eens. We zijn in gedachten elders! De woorden raken onze harten niet.
Dat is erg!
Want deze machtige woorden van de ene heilige algemene christelijke kerk verbinden de kerk van alle eeuwen. Geslacht aan geslacht heeft het beleden: vergeving der zonden. Het is geen gering aantal dat daarin roemde. Een schare is het die niemand tellen kan. Er is ook een verbinding met de ware, levende kerk van alle plaatsen. De kerk van nu. Al die mensen van vroeger en nu, van hier en ook daar, hadden en hebben allemaal precies hetzelfde nodig.
Door de zonden hebben wij de gemeenschap met God verbroken, en hebben wij ons aan de drievoudige dood onderworpen. Wij hebben onszelf rampzalig gemaakt. De zonden zijn het allergrootste kwaad. Het zijn misdaden tegen de Allerhoogste, tegen de Heere bedreven. Zij brengen tijdelijke en eeuwige straffen met zich mee.
Zonden brengen de dood. De bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift van God is het eeuwige leven door Jezus Christus, onze Heere (Romeinen 6 : 23).
Wat is vergeving van zonden dan nodig! Nodig tot zaligheid.
Nodig tot de beleving van de vreugde des heils.
Voor wie en hoe?
Voor wie is er vergeving en hoe ontvang je vergeving? Wat is daarvoor nodig en hoe weetje dat? Kun je ook zeker zijn van de vergeving der zonden?
Zo maar enkele vragen staan hier, die gemakkelijk verdubbeld kunnen worden, maar die toch leven in het hart van jonge mensen. Levende vragen, daar gaat het om. Geen dode, interessante, dogmatische en wat voor vragen meer dan ook. Nee, levende vragen.
Waar je niet alleen maar aan denkt als je in de kerk zit of op de catechisatie, maar ook als je alleen bent, of op school, of op je werk, en thuis in het gezin denk je eraan.
Zondekennis
„Kind, wat heb je toch? ", vraagt moeder.
„Wat zou ze toch hebben? ", vraagt vader aan moeder.
„Waarom doe jij nooit meer mee? ", vragen de vrienden.
Wat kan de zonde als een last ons gaan drukken. Niet een of andere bijzondere zonde, al kan dat ook, maar onze zonden van elke dag. Dingen die wij gedaan hebben, of juist niet gedaan hebben, terwijl het moest.
Zonden tegen de Heere! Dat is heel wat anders dan ons uitgesleten zondebegrip. Zo ingeburgerd is het begrip zonde, dat we het gebruiken als we per ongeluk een theekopje breken. Maar echte zonden hebben, dat doen we pas als God de Heilige Geest ons overtuigt van zonde (Johannes 16 : 8a).
Dan zie je ze niet alleen, maar dan heb je er ook smart over. Dan kun je ze niet meer zo gemakkelijk doen. Je hebt immers met God te doen? In de boetepsalmen laten de dichters ons horen hoe zij hun zonden zien. Misdaden, overtredingen, ongerechtigheden. En zij werden tegen God misdreven.
Daar krijg je mee te doen. Je wordt stil. Je hart is bezwaard. Je hebt geen zin meer om mee te doen. Je zou het liefst maar stil naar je kamer gaan en daar je gebed uitstorten voor de Heere. Je zou het liefst een stukje lezen en zien of er voor jou wat bij was.
Beneden vragen ze: „Zit hij alweer boven? Wat dóet hij daar toch? "
Schuldbelijdenis
Als we onze zonden leren kennen, zullen wij de zonden ook gaan belijden. Dat doen wij vanuit een verbroken hart. Wij hebben gezondigd tegen een goeddoend God. De Heere heeft ons nog nooit kwaad gedaan. En Hem hebben wij beledigd. Dat geeft pijn, droefheid, smart.
Wij zullen nooit vergeving vragen als we onze overtreding niet kennen. Als wij de schuld niet hebben aanvaard, zullen wij ook geen schuld bekennen. Schuld van ons overtreden.
Schuld van ons afvallen van de Heere. Schuld van ons verwerpen van de nodigingen van de Heere. De moordenaar aan het kruis heeft het beleden: „Wij ontvangen straf waardig hetgeen wij gedaan hebben "
Ik zie in gedachten een jonge man. Slecht ziet hij eruit, in lompen gehuld, vervuild, zit hij bij een kudde varkens. Vervallen grootheid!
Zo moetje hem wel noemen. Hij weet dat zelf ook. De peinzende blik vertelt dat hij denkt aan een andere wereld dan deze. Het machtige landhuis van vader! En hij ziet de knechten van zijn vader, maar ook de huurlingen; dat zijn de dagloners. Geen vaste krachten,
's Morgens worden zij ingehuurd voor één dag. Maar zie die huurlingen 's middags eens? Zie ze dan zitten aan de welvoorziene tafel van hun heer.
Hij, de zoon, zit hier te verhongeren in het vuil.
Hoe dat komt, vraag je?
Eigen schuld. Weggelopen, het geld van zijn vader opgemaakt, de liefde en de nabijheid van zijn vader veracht.
De jongen denkt en vergelijkt. Wat hij had, wat hij kwijt is, wat hij gedaan heeft. Ik zal opstaan en ik zal tot mijn vader gaan. De weg terug. Ik zal zeggen: „Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. Ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden."
Belijdenis doen van mijn overtredingen.
Ik lees in de Bijbel van een koning: 'k Bekende o Heer' aan U oprecht mijn zonden 'k Verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden
Maar ik beleed na ernstig overleg mijn boze daan
Psalm 32 : 4 Ik lees in de boetepsalmen, de zeven boetepsalmen uit ons psalmboek (Psalm 6. 32, 38, 51, 102, 130. 143), van de dichters die hun zonden voor God beleden. Ontroerend. Aangrijpend. Voor
God en mensen je schuld uitspreken. Augustinus, groot man in de geschiedenis van de kerk, volgen wij even in zijn sterfkamer. Er is daar niemand met ons. De kerkvader wilde alleen zijn. Tien dagen lag hij daar alleen, telkens de ogen gericht op de katerntjes perkament met de boetepsalmen, die hij tegen de muur had laten nagelen, de woorden herhalend en voortdurend wenend; zo stierf hij. Deze grote in Christus' kerk stierf als een boeteling.
Boetvaardigheid
Boeteling, boete, boetvaardigheid. Boetvaardigheid wil zeggen: vaardig tot boete, gezind om boete te doen. Het betekent de aanvaarding van de straf, het erkennen strafwaardig te zijn. De moordenaar was het. Hij zei: „Wij toch ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben."
Niet altijd wordt boetvaardigheid op de juist wijze gezien. Luther sprak van een schijnboetvaardigheid als het alleen gaat om de gevolgen van de zonden. Dan wil ik van het nadeel dat de zonde mij berokkend heeft af. Het gaat dan niet om de belediging van God, maar veel meer om mijzelf, om de schade, om de straf. Luther noemt dat een galgenberouw (eine Galgenreue).
Boetvaardigheid is aanvaarden van de straf. Psalm 51 zingt het in het boetelied van David.
Wel de weg, niet de grond
Hoort dit er allemaal bij als je het hebt over de vergeving der zonden? Moet dit zo nodig?
Ja. Schuldbelijdenis en boetvaardigheid zijn wel de weg, niet de grond voor de vergeving.
De Heere heeft het Zelf in Zijn Woord laten opschrijven: „Indien wij zeggen dat
wij geen zonden hebben zo verleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid."
Indien wij onze zonden belijden Salomo schrijft: Die zijn overtredingen bedekt zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent (belijdt) en laat, zal barmhartigheid geschieden" (Spreuken 28 : 13). Zijn vader, koning David, zei het in Psalm 32 : 5, als een ervaring uit zijn persoonlijk leven al niet anders.
Schuldbelijdenis is de weg tot vergeving. De Heere heeft daar ook recht op. Tegen Hem hebben wij gezondigd. Zijn recht hebben wij geschonden. Hem moeten — en door genade mogen — wij schuldbelijden.
Gebed
Gebed Het schuldbelijden is een stuk van het gebed. In de boetepsalmen horen wij de heiligen smeken tot God in hun bidvertrek. Diep aangrijpend, ontroerend soms.
Hoe zullen wij anders God onze zonde en schuld belijden?
Niet alleen belijdenis van schuld, ook een bede om vergeving behoort in het gebed. Ik denk aan het ingrijpende vers uit Psalm 51:
„Vergeef mijn schuld, mijn bloedschuld toch, hoe billijk ook te doemen."
En het gebed uit de diepten, Psalm 130, pleit: „Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt."
En Psalm 79: „Gedenk niet meer aan 't kwaad, dat wij bedreven. Onz' euveldaan word' ons uit gunst vergeven."
En om niet meer te noemen luisteren wij naar die begenadigde tollenaar op de achtergrond: „O God, wees mij zondaar genadig."
Allemaal ootmoedige smeekbeden om vergeving.
Opgezonden vanuit de diepten van schuldbesef en verslagenheid van het hart.
Toch behoef ik niet naar allerlei gebeden van bijbelheiligen te wijzen. De Heere Jezus Zelf zegt: „Gij dan bidt aldus: ....En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren."
Het is een dagelijks gebed. Want er zijn ook dagelijkse zonden. Nooit zullen mensen in dit leven boven vergeving uitgroeien. Maar nooit zal een zondaar waarachtig schuldbelijden of de Heere zal horen en vergeven.
Vergeef mij al mijn zonden, die Uwe hoogheid schonden. Het moge onze bede maar zijn, in waarheid en oprechtheid van hart.
Vergevingsgrond
Geen wonder als de zonden je tot een last zijn en de schuld je drukt, dat je dan stil wordt en graag alleen wilt zijn.
Het is de weg van de kerk van alle eeuwen.
Het hart van de kerk klopt in de belijdenis. We horen het in de Catechismus: „Wil ons, arme zondaren, al onze misdaden en de boosheid die ons altijd aanhangt, om des bloeds van Christus' wil niet toerekenen."
Niet ons berouw, niet onze schuldbelijdenis, niet de tranen van boete, niet ons gebed, maar alleen bloed van de Heere Jezus Christus is tot vergevingsgrond. Om des genoegdoens van Christus' wil.
Dat is het enige fundament. Gods recht moet worden genoeggedaan. Het is volkomen genoeggedaan door Christus.
Alleen door een waar geloof
Hoe wordt het gewonde geweten genezen, en het gebroken hart geheeld?
Hoe ontvangen wij weer rust van binnen? Niet een ijdele rust die nergens op gefundeerd is? Maar een diepe vrede met God, omdat de schuld uit Zijn boek gedaan is en omdat Hij geen van onze zonden aanziet?
Alleen door een waar geloof.
Weer gaan we even lezen in het troostboek (Zondag 23): „Hoe zijt gij rechtvaardig voor God? Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus."
Als je de bewijsplaatsen uit de Schrift leest, dan kom je onder de indruk van de hoeveelheid: om. 3 : 21, 22: om. 5:1, 2: al. 2 : 16; Ef. 2 : 8. 9; Fil. 3 : 9. Je zou er nog meer kunnen vinden. Zoek deze maar eens op.
Het geloof is de hand. het instrument door de Heilige Geest gewerkt. Het geloof neemt aan, omhelst hetgeen God schenkt. Het geloof omhelst de beloften, en in de beloften Christus. Christus en al Zijn weldaden. In Hem en door Zijn bloed ontvangt de zondaar vergeving der zonden, en de Heilige Geest wil hen daarvan verzekeren. De vrede wordt ontvangen die het verstand te boven gaat.
Zo dikwijls als zij de beloften van het Evangelie met een waar geloof omhelzen zijn al hun zonden van God alleen om de verdiensten van Christus' wil waarachtig vergeven. Dat wordt hun in de prediking openlijk betuigd en in de sakramenten verzekerd. Van blijdschap kan hun ziel huppelen. In wederliefde wordt hun hart ontvonkt.
Openlijk betuigd
Dat staat in zondag 31.
Ik eindig met een citaat van wat ds. G. H. Kersten schreef in deze zondag: „De donderslagen van Sinaï, het geweld der zonde, de ontroerde consciëntie, de aanvechtingen van de satan, maken dikwijls zulk een geweld, dat oor en oog voor Christus gesloten worden. En zie, nu opent de Heere Zijn verdrukte volk de zaligheid in Christus door de prediking van Zijn Woord. Het ongeloof moet met alle andere vijanden vlieden. O, hoe liefelijk worden dan des Heeren woningen; hoe dierbaar Zijn Woord. De beloften van het Evangelie worden geopend en omhelsd en het pak van schuld en zonde valt van het benauwde volk af. In het bijzonder wordt Christus hun dierbaar en noodzakelijk. Hij is de grote inhoud van de beloften Gods en zo maar die beloften door een waar geloof mogen worden aangenomen, wordt de schuld bedekt en moet de aanklager zwijgen. Ja, de Heilige Geest verzekert Zijn volk van die vergeving der zonden in Christus, bevestigend hen met de beloften Gods, dat de Heere niet meer op hen toornen noch schelden zal. En als de zonden een scheiding maken en de Heere Zijn aangezicht voor Zijn volk verbergt en Zijn gramschap doet gevoelen, dan heft Hij hen weer uit de diepten hunner ellende op. door de beloften te openen en hun geloof te verwakkeren, dat hun al hun zonden om Christus' wil vergeven zijn."
Tot zover ds. Kersten.
Vruchten van de vergeving
Als de zonden vergeven zijn, en door het geloof vrede wordt ontvangen, dan zal de vrucht ootmoed zijn. We zullen dan klein voor de Heere zijn en voor de mensen. De vrouw uit het huis van Simon de farizeeër staat ons ten voorbeeld. Haar zonden zijn haar vergeven die vele waren; want zij heeft veel liefgehad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juni 1987
Daniel | 32 Pagina's