Het ontrouwe Israël wordt opgevoed tot bekering
Bijbelstudie over Hosea 3:1-5
Lees Hosea 3 en daarnaast ook Lukas 15 : 11-24.
Het is met Gomer van kwaad tot erger gegaan. De lange aanklacht van haar eigen kinderen (2 : 1-12) heeft haar niet tot bekering gebracht. Wellicht is ze daarvan wel onder de indruk geweest en heeft ze onder tranen beterschap beloofd, maar tenslotte kwam het zover dat ze van huis is weggelopen. Ze dacht de vrijheid in te gaan, maar ze kwam er achter dat het leven bikkelhard was. Natuurlijk, mannen waren er genoeg, maar die kregen op den duur toch ook weer genoeg van haar en lieten haar in de steek. En op wie moest ze toen terugvallen? Toen haar laatste „vriend"' haar het huis uitzette, stond ze letterlijk op straat. Er bleef niets anders over dan zichzelf te verkopen als slavin.
Een droevig beeld van Israël (vs. lb)
Vrouwe Israël heeft zich niet bekeerd. Ze zocht haar leven bij de andere goden en de „flessen der druiven", of, zoals andere vertalingen hebben: de druivenkoeken. En die smaakten hen goed en zoet. Die druivenkoeken vertegenwoordigen de zinnelijkheid en de uitwendige aantrekkelijkheid van de Baalsdienst, de wellustige offerfeesten. Isarël verhardde zich in het versmaden van Gods liefde.
En wat doet God nu? Laat Hij haar liggen in de goot? Verkiest Hij zich een andere bruid? Nee, want we lezen: , , gelijk de Heere de kinderen Israëls bemint". Dat is toch onbegrijpelijk! God heeft Israël nog lief. Nee, niet omdat ze zich wentelt in de zonde, maar om Zijns zelfs wil. Hij laat Israël niet lopen op haar eigen gekozen wegen. Dat zou ze zeker wel verdiend hebben, maar Zijn hart gaat nog uit naar dat volk. Dat is Gods eenzijdige liefde!
Hosea koopt zijn vrouw weer terug (vs. la en 2)
„Ga wederom heen en bemin een vrouw....!" Niemand zou het in zijn hoofd halen om zo'n vrouw nog achterna te lopen. God doet dat wel, en Hosea doet dat in Gods opdracht ook. Wat een ontroerend beeld van Gods opzoekende liefde. Want waar vindt God Zijn afgedwaalde volk? Bij de zwijnendraf, in de goot, in de slavernij van de zonde! Als Hosea zijn ontrouwe vrouw heeft terug gevonden, kan hij haar echter niet zomaar meenemen. Ze was nog wel zijn wettige vrouw, maar ze had zichzelf intussen aan een andere „baas" verkocht. Hosea zal haar moeten terugkopen. Hij betaalt de prijs: vijftien zilverlingen en anderhalve gomer gerst. Die gerst had dezelfde waarde als vijftien zilverlingen. De totaalprijs wordt dus 30 zilverlingen en dat is precies de normale prijs voor een slaaf of slavin.
Gomer krijgt huisarrest (vs. 3)
Hosea neemt zijn vrouw weer mee naar huis. Toch wil Hosea haar vrijheid tijdelijk beknotten. Ze heeft van haar vrijheid vroeger al te veel misbruik gemaakt. Hosea past een tuchtmaatregel toe. Ze krijgt huisarrest. Deze tuchtmaatregel heeft een opvoedkundig doel: Gomer moet met haar vorige leven breken en eens tot bezinning komen. Hij onthoudt haar ook de echtelijke gemeenschap met zichzelf, om in haar leven het verlangen en de liefde naar hem, haar wettige man, wakker te roepen. Hij neemt deze strenge maatregel uit pure liefde en tot behoud van zijn vrouw. Hij rekent erop, dat door dit „blijven zitten" het verlangen in haar hart komt om alles weer goed te maken met hem. Hij hoopt straks uit haar mond te horen, dat ze het onbegrijpelijk vindt, dat hij nog van haar houdt na alles wat er gebeurd is.
Israël in de ballingschap (vs. 4)
En die belijdenis wil God nu ook zo graag horen van Zijn ontrouwe volk. Hij wil dat Zijn volk weer naar Hem zal vragen en verlangen. Daarom neemt de Heere ook een tuchtmaatregel: „De kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder opgericht beeld...." Hij zal ze in de ballingschap verstoken doen zijn van een eigen politieke staat (koning en vorst) en van de eredienst (offer, efod e.d.)
Dat is Gods opvoedkunde. Hij wil ze door die langdurige afzondering behoeden voor het gevaar van terug te vallen in hun oude zonde. Israël zal alles kwijt raken: hun afgoden, hun land, maar ook — en dat is het ergste! — aan de gemeenschap met de Heere zal een einde komen. Maar de bedoeling is, dat het volk weer zal vragen naar God. En zo gezien is de ballingschap een tuchtmaatregel tot hun behoud. En weet je welke grote genade in deze straf doorschittert? De Heere neemt in die tussentijd geen ander! Hij wacht op Zijn volk. Wat een ontroerende liefde! God wacht! Heb jij zo wel eens in Gods hart geblikt? De Heere wacht ook op jou! Hij wacht.... tot ook jij aan Zijn voeten neerknielt met de bede: „Vader, ik heb gezondigd....!" Hij wacht om genadig te zijn.
Israëls bekering in het laatste der dagen (vs. 5)
God zal niet tevergeefs wachten op Zijn volk. En dat zit 'm niet in de gewilligheid van dat volk, maar in de trekkracht van Gods liefde. „Daarna zullen de kinderen Israëls zich bekeren, en zoeken de Heere hun God". Dat is het eerste kenmerk van de bekering: God zoeken. En daarmee verbonden is het zoeken van David, hun koning.
Het is niet aannemelijk dat Hosea hier gedacht heeft aan de terugkeer van de tien stammen uit Assyrië tot een koning uit het huis van David. Er staat immers bij: in het laatste der dagen". Veeleer moeten wij de uitleg zoeken zoals in hoofdstuk 1:11, waar gesproken wordt over het ene Hoofd, namelijk de grote Zoon van David: e Heere Jezus Christus. Aan het koningshuis van David was immers de messiaanse belofte verbonden. En over de vervulling van die beloften hebben wij nu het Nieuwtestamentische licht. En in dat licht zien wij de gemeente van het N.T.: oden en heidenen, die God zoeken en vinden.
Toch is daarmee nog niet alles gezegd. De kanttekenaren wijzen in dit verband ook op Rom. 11 : 25-26, waar gesproken wordt over de toekomstige bekering van Israël. En die zal pas plaats hebben als de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. Zo is er dus in deze rijke belofte (vs. 5) nog een onvervulde rest, die pas ten volle vervuld zal worden in de eindtijd.
Tenslotte noemt Hosea nog een duidelijk kenmerk van die ware bekering: „zij zullen vrezende komen tot de Heere en tot Zijn goedheid". Dat woordje „vrezen" kan ook vertaald worden met „beven" of „sidderen". Zij ontvangen Gods goedheid niet als een vanzelfsprekende zaak, maar zij beven eronder. Wat hebben ook Kaïn en Saul gesidderd voor Gods heiligheid en majesteit! Maar vrezen voor Gods goedheid, dat is iets dat een onbekeerde niet kent. Toets jezelf daar maar eens aan! Wie God vreest, schaamt zich zijn ogen uit zijn hoofd over zijn eigen zonde en onwaardigheid in het licht van Gods goedheid. Die zegt: „Heere ga uit van mij, want ik ben een zondig mens". Dat wordt hier bedoeld: beven van zelfmishagen over je zonden, maar ook beven van vreugde in God door Christus, als je zien mag wat Hij voor je gedaan heeft. Dan schaam je jezelf over je verlaten van de Heere, en je beeft van vreugde over Gods opzoekende liefde! Is dat jou niet vreemd?
Vragen
1. Waarom kan Hosea niet gewoon volstaan met de weggelopen Gomer terug te halen? Waarom moet hij haatterugkopen ?
2. Van wie zijn wij allen van nature een slaaf? Betekent dat gebondenheid of vrijheid? Wat is de ware vrijheid? Hoe verlost God ons van de slavernij van de A zonde?
3. Met welke verzen uit hoofdstuk 2 kunnen we de afzondering van Gomer in vs. 3 vergelijken? Wat is het doel van die afzondering? En wat betekent die afzondering voor Israël (vs. 4)?
4. Niet alleen de staat Israël wordt door de ballingschap teniet gedaan, maar ook de wettige en de onwettige eredienst. Welke voorwerpen uit vs. 4 horen bij de wettige eredienst? En welke bij de onwettige? Wat was de betekenis van de efod (Ex. 28).? Wie richtten er o.a. gedenkstenen op? Zie Gen. 28 : 18; Ex. 24 : 4. Waarom verbiedt God het oprichten van stenen in de wetgeving? Zie Lev. 26 : 1 en Deut. 16 : 22. Waarom diende de terafim? Zie Ezech. 21 : 21 en Zach. 10:2.
5. Hoe moeten we de bekering van Israël in vs. 5 zien? Is er nog een onvervulde rest in deze belofte? Zie kantt. op de St. Vert. bij vs. 4 en 5! Heeft de uitdrukking , , het laatste der dagen" hier nog mee te maken?
6. Wat betekent de uitdrukking , , vrezende komen tot de Heere en tot Zijn goedheid"? Waar ligt het verschil met de onbekeerden als het gaat over dat , , vrezen? " Ken jij die vreze vanwege Gods goedheid?
7. Op welke wijze wordt de profetie van Am os 9 : 11-12 uitgelegd in Hand. 15 : 16-17?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juni 1987
Daniel | 32 Pagina's