De klacht van Gods versmade liefde (2)
Bijbelstudie over Hosea 2 : 1-12
Lees opnieuw Hosea 2 : 1-12, in het bijzonder nu de verzen 5-12. Lees daarnaast ook Micha 4 : 1-7.
De vorige keer hebben we gezien hoe Israël werd aangeklaagd wegens echtbreuk. In vers 1 werd de echtscheidingsformule uitgesproken: „zij is mijn vrouw niet". In vers 2 wordt de bekende straf beschreven: naakt aan de schandpaal. Dat werd meestal nog gevolgd door verbranding of steniging. Tot dat laatste laat God het echter nog niet komen. Integendeel, Hij neemt eerst tuchtmaatregelen, die moeten dienen tot Israëls bekering.
De weg naar de minnaars wordt afgesloten (vs. 5-6a)
Daarom, ziet / Omdat Israël doorging met het versmaden van Gods liefde zal God haar het nalopen van de minnaars beletten. „Ik zal uw weg met doornen betuinen". Het was in Israël heel gewoon, dat men dorens en takken van doornstruiken legde langs de kanten van de velden, waar weidende schapen langs gedreven werden, zodat ze niet in de akkers zelf konden komen.
En dat gaat God nu ook doen. Hij gaat de sluipweggetjes van de overspeelster, die naar de Baals voeren, afsluiten. Dat beeld is wel duidelijk. Als Gomer op een avond weer de deur uitstapt om naar haar minnaars te gaan. dan loopt ze vast in de dorens. En dat doet zeer. Ze zal zich dan wel twee maal bedenken om haar zondige voornemen ten uitvoer te brengen.
Die doornenhaag wil tot inkeer brengen en tot boete. En dat gaat niet zonder smart. Zo brengt God vaak tot inkeer. Dat kost tranen van berouw! Het gericht gebruikt de straf als laatste middel om tot bekering te leiden. Misschien weetje dat wel uitje eigen leven. Hoe diep gaat het er soms door. maar achteraf mag je dan zeggen: , .Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest".
De weg terug is nog open (vs. 6b)
Door die doornhaag waren alle andere wegen afgesloten, maar één weg bleef er nog open: de weg terug. Terug naar Hosea, terug naar God. Naar die God. die we moedwillig verlaten hebben. Die weg staat altijd nog open. We lezen in vers 2: „En zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantrefen. en zij zal ze zoeken, maar niet vinden". Natuurlijk niet, want als Israël straks in ballingschap is, zijn daar de Baals niet meer. En dan pas zal ze tot
inkeer komen. Terugkeer is alleen maar mogelijk omdat er bij God vergeving is. „Toen was het mij beter dan nu", zegt Gomer. God laat ons soms in de nood komen, opdat we ons zouden bezinnen op Zijn weldaden en erkennen dat de vreemde goden ons ook niet helpen kunnen. Jaren van ongeloof zijn verloren jaren! Ze berokkenen alleen maar schade.
Gods goede gaven worden misbruikt (vs. 7)
Uit de verzen 7-11 krijgen we de indruk dat Israël nog deelt in een zekere welvaart. De akkers geven een rijke graanoogst. De wijngaarden leveren een goede wijnoogst. Er is water en olie, wol en vlas. En door de handel in deze produkten konden ze ook beschikken over zilver en goud. Maar wat doet Israël ermee? Ze beschouwen het als hun rechtmatig eigendom en ze spreken van „mijn" wol en „mijn" vlas. Ze erkennen het niet als een geschenk van de ware God. Ze danken er de Baal voor. Dat was een moedwillige miskenning. Natuurlijk wisten ze wel, dat het alles van God kwam, maar bij de Baal was het veel prettiger. Daar konden ze zich tenminste echt uitleven, zichzelf zijn! De Heere moet het aanzien, dat ze met al Zijn gaven naar de Baal gaat. Zijn versmade liefde klaagt: „Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren en de most gegeven heb". En het is de bedoeling dat wij op dit punt ook de hand in eigen
boezem steken. Want wie gaat hier vrijuit? Wij dienen wel niet die primitieve Baals, maar wij zetten ons hart wel op de dingen van deze wereld. Wat denk je van de sport, de discotheek, je snelle surfplank of soms ook heel gewone dingen waar je hart op staat? Wat doe jij met je gaven en je gezondheid? Dien je daar de Heere mee?
God gaat Zijn gaven aan Israël ontnemen (vs, 8-11)
Daarom zal Ik wederkomen en Mijn koren wegnemen op zijn gezette tijd! Israël zegt wel „mijn" brood en „mijn" water, maar de Heere zegt: „Het is van Mij"! Mijn graan, Mijn most. Mijn wol en Mijn vlas! Als de bestemde tijd daar is, waarop Israël zich gereed maakt om de rijke graanoogst binnen te halen, zal Hij dat verijdelen. Breekt de tijd aan, waarop Israël van de zoete most denkt te kunnen genieten, dan zal Hij ze in die verwachtingen beschamen.
En dan zal het ook gedaan zijn met Israëls vrolijke feesten, waarop ze de zegeningen van het land zo ijverig misbruikte voor haar zondige afgodendienst. Als er geen graan en geen most. geen wol en geen vlas is, komt er vanzelf een einde aan al de jaarfeesten, de maandelijkse vreugdedagen en de wekelijkse sabbatten, waarop ze in uitgelaten blijdschap hun roes uitdansten ter ere van de Baal. Al die vrolijkheid zal reeds ophouden als de Heere slechts in een enkel jaar de natuurlijke gaven aan Israël ontneemt.
Maar.... het oordeel gaat nog veel dieper. Hij zal niet alleen de most terugnemen, maar ook de wijnstok zelf verwoesten. Hij zal niet alleen de vijgen inhouden, maar ook de vijgeboom verderven. En die twee — de wijnstok en de vijgeboom — zijn spreekwoordelijk voor de vruchtbaarheid van Kanaan. De omheiningen zullen verbroken worden, zodat het wild gedierte alles kaal kan vreten. De schade wordt onherstelbaar. Opnieuw een voorzegging dus van de ballingschap.
Israël heeft Mij vergeten (vs. 12)
In vers 12 wordt eigenlijk de balans opgemaakt van de hele aanklacht tegen Israël. God komt bezoeking doen over al de offerdagen, die gewijd zijn aan de dienst van de Baal. Israël tooide zich met haar voorhoofdsiersel en halssieraad. Alle aardse sieraden wendde ze aan om haar minnaars te behagen. En daartegenover stelt de Heere dan door de mond van Hosea — en wie kan die smart van God
beter aanvoelen dan hij? — die ontroerende klacht van Zijn versmade liefde: „maar heeft Mij vergeten, spreekt de Heere". Dat is het ergste wat God kan zeggen van Zijn volk: ..Mij vergeten"! Niet alleen Zijn geboden vergeten. Niet alleen Zijn trouwe zorg vergeten. Niet alleen vergeten, dat God ze heeft uitverkoren, toen Hij ze opraapte van „het vlakke des velds". Maar: „Mij vergeten", de Heere zelf, de wettige Man. Ze denken eenvoudig niet meer aan Hem. Hij staat buiten hun leven. Wat erg, als de Heere dat van ons zeggen moet!
Vragen
1. In vers 6 gaat het over de wederkeer tot God. We kunnen ook zeggen: de bekering. Wat is eigenlijk het wezenlijke in de bekering? Wat zijn de gevolgen van de bekering voor onze levenswandel? Wat is het verschil tussen een „uitwendige" en een „ware" bekering? Wat is het verschil tussen de „eerste " bekering en de „ dagelijkse " bekering? Is het berouw een voorwaarde om tot bekering te komen of een vrucht van de bekering?
v2. God gebruikt soms nood en lijden om mensen in het nauw te drijven, zodat ze tot inkeer komen. Geef daar eens een paar voorbeelden van uit de Bijbel! Kan de noodsituatie ook een andere uitwerking hebben in ons leven? Hoe zie je die doornhaag uit vers 5, positief of negatief? Kan Gods goedheid ook tot bekering leiden zonder nood of lijden? Kun je over het onderwerp van deze vraag iets uit je eigen leven vertellen?
3. Noem eens een paar andere voorbeelden uit de Bijbel waaruit blijkt dat mensen die nog arm en klein zijn op de Heere vertrouwen, maar wanneer ze groot en rijk geworden zijn de Heere vaarwel zeiden! Wat bad Agur in verband hiermee van de Heere (Spr. 30 : 7-9)?
4. De wijnstok en de vijgeboom zijn spreekwoordelijk voor het beloofde land. Lees dit eens na in 1 Kon. 4 : 25, Micha 4 : 4, Zach. 3 : 10, Joel 2 : 22. In welk verband staat deze belofte van heil telkens? Is het waar dat het „echt oudtestamentisch" is om de heilsbeloften zo stoffelijk te zien? Vgl. Openb 22 : 2. Noem eens een aantal „echt geestelijke" beloften uit het Oude Testament!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1987
Daniel | 36 Pagina's